Donaties

Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.

Stort uw giften op:
giro: 29.70.700 

of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)

ten name van

Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.

Erdee Media Groep

Zoeken

Peru 2002

Ouderdom

peru.jpgNicolas Solis Grados is 76 jaar, een ongekend hoge leeftijd in Peru. In het 25 miljoen inwoners tellende land is slechts 7 procent bejaard, dat wil zeggen 60 jaar of ouder. Al dertig jaar behoort Nicolas tot de presbyteriaanse kerk in Lima. Maar daar wordt aan ouderenopvang vanwege de onbekendheid ermee nog weinig gedaan. Het liefst zou Nicolas nog een handeltje beginnen, want hij voelt zich nog lang niet oud en der dagen zat.
Ouderen krijgen in Peru alleen een pensioentje als ze tijdens hun leven hebben gewerkt. Met Nicolas ligt dat anders. Hij verloor zijn arm bij een ongeluk toen hij jong was en kende dus geen regulier arbeidsproces. Zijn kamertje meet 3 bij 3 meter. Daarin staat een stapelbed voor hem en zijn 15-jarige jongste zoon. Nicolas is gescheiden, lang geleden. Hij heeft vijf kinderen. De oudste zoon betaalt de huur van de kamer (140 sol) en het eten van zijn vader. Daar hoort dan bij: elektriciteit, water en een toilet.

De Peruaanse hoofdstad Lima met ruim 8 miljoen inwoners telt 22 centra "Es Salud" waar wat wordt gedaan voor "ancianos" (ouderen). Ze leren er gitaar spelen en hebben er hun leeskring, waar ook de Bijbel een belangrijke plaats inneemt. Nancy Falcon verklapt dat ze pas 59 is, een jaar te jong dus voor de 'ouderdom'. Haar metgezel is een flink stuk ouder en heeft dankzij gymnastiek zijn krukken niet meer nodig. Hij gaat staan en laat met zwaaiende armen zien hoe fit hij is. Vol verve zingt Nancy opeens het lied "José Antonio" van de Peruaanse zanger Chabuca Granda Botera. Fysiotherapeut Gerson Chacon Barroz wil voor de Presbyteriaanse Kerk iets voor ouderen gaan doen, bijvoorbeeld een dagopvang voor deze mensen. "Juist zij verdienen, volgens de Bijbel, respect. Ze mogen niet worden vergeten."

Strijden voor een hopeloze zaak

Moeders-weduwen. Het zijn de vrouwen in de afgelegen boerengemeenschappen in de hoge Andes die tot de allerkwetsbaarsten van de samenleving behoren, getekend als hun leven is door angst en armoede. In hun hart dragen ze een groot verdriet met zich mee, de pijn van het verlies van een geliefde die door guerrillastrijders of militairen werd vermoord. Tijd om de bitterheid te verwerken, kregen ze nauwelijks. De Naómi's van Peru moesten eerst zien hoe ze overleefden.
De krant Expreso vermeldt op 18 juni 1988 dat er in het plaatsje Huayllay (spreek uit als Wajaj) een slachting heeft plaatsgehad voor de kerk op het hoofdplein. Terroristen hebben daar zonder pardon twaalf mannen vermoord. Vier anderen raakten ernstig gewond. De lichamen van de mannen zijn geïdentificeerd en ter aarde besteld. Het bericht heeft verstrekkende gevolgen voor veel vrouwen in Huayllay - op 3200 meter hoogte in het Andesgebergte, een uur gaans per auto van het lager gelegen Huanta. Ze zullen als weduwe door het leven moeten gaan.

Op dat moment kampte het Zuid-Amerikaanse land al acht jaar met een bloedige confrontatie tussen de maoïstische terreurbeweging Lichtend Pad (Sendero Luminoso) en het regeringsleger. Dit zou een periode worden van politiek geweld waarbij 25.000 doden vielen. Er kwam een massale volksverhuizing van naar schatting 600.000 mensen op gang, uit de landbouwgebieden naar de steden.

Ontworteld bestaan

Julia Ore de Cisneros behoorde tot een van die velen die het slachtoffer werden van een ontworteld bestaan. Ze komt zo snel aanlopen dat haar lange zwarte vlechten op en neer dansen onder haar hoed. De vlechten en de hoed vormen de traditionele dracht van de kleurrijk geklede Quechua-vrouwen, waartoe Julia behoort. De blauwe omslagdoek heeft ze met een speld vastgemaakt, haar blote voeten steken in sleetse schoenen. Haar huid is bruin en verweerd. Julia's ogen staan vrolijk en af en toe klatert haar lach. Maar als ze haar verhaal vertelt -gezeten op een steen bij haar schamele hut- komen de tranen.

Die vreselijke middag in maart 1988 vergeet ze nooit. Een groep terroristen viel om halfvijf het dorp Huayllay binnen en executeerde twaalf mannen, onder wie haar echtgenoot Victor Cisneros. Victor liet Julia met zeven kinderen achter. Veertien jaar later huilt ze als ze de herinnering ophaalt. Zonder enige hoop zette ze zich aan hun opvoeding. Vrouwen als Julia, deel uitmakend van de Quechua-indianen (tegenwoordig zegt men indígenas) worden niet vertegenwoordigt in de kerk of in de gemeenteraad. Julia: "Ik was jong en stond er alleen voor." Enkele kinderen van Julia trokken naar Lima, de immense hoofdstad aan de Stille Oceaan, waar ze hun geluk gingen beproeven.

Julia legt uit dat ze niets heeft te verwachten van de buren. Het is in Huayllay ieder voor zich. Ze heeft een akker ver in de bergen. Van de opbrengst moeten ze zien te leven: wat aardappelen en wat graan. Voor kunstmest is geen geld, vandaar dat het bij een eenvoudige grondbewerking blijft. Julia: "Vrouwen als ik hebben geen toekomst. Er is niets dat ons leven kan veranderen. Wat kunnen we doen? Op mijn leeftijd ga ik niet meer naar Lima, want daar is niets voor mij. Hier heb ik tenminste nog mijn akker, waar ik van kan eten."

Honden

Het geweld begon al eerder in Huayllay. In 1982 viel het eerste slachtoffer. Senderista's (leden van het Lichtend Pad) schoten hem dood omdat hij weigerde gehoor te geven aan hun bevelen. Zijn lichaam bleef drie dagen voor de kerk liggen met een briefje erop. "Niemand mag dit lichaam aanraken", luidde de tekst. Uiteindelijk, zo luidt het verhaal, aten de honden het op.

Herinia López Bermuda is de weduwe van Huayllays eerste slachtoffer. Ze is nu 82 jaar. Haar kinderen weken uit naar de selva, het tropische laagland van Peru. Zij bleef in Huayllay, wat moest ze anders - er is niemand op wie ze kan terugvallen. Haar kleine akker bewerkt ze zo goed en zo kwaad als het gaat. Herinia woont in een hut zonder water, zonder toilet en zonder elektriciteit. Haar ene oog is ontstoken en ze moet naar de medische kliniek. Er is niemand die naar de oude vrouw omziet. Bedelen zou ze nooit. "Ik denk dat niemand armer is dan ik. De meesten worden onderhouden door hun kinderen, of hebben wat vee, maar ik heb helemaal niets. Slechts God is de Enige die mij hoort, Die alles weet", legt ze monotoon uit.

Radicale wending

Juliana Blas Mesa verloor haar man in 1989. Lichtend Pad beschuldigde hem ervan dat hij zich tegen de guerrilla's verzette - hij was lid van de gemeenteraad. Juliana was in Huanta met haar dochter Ofelia toen ze het bericht hoorde. Ze deed boodschappen voor de verjaardag van haar man. Diep verdrietig keerde ze terug in Huayllay, waar haar andere zes kinderen haar opwachtten. "Mijn leven kreeg een radicale wending. Ik had echter mijn geloof. God luistert naar ons, Hij geeft ons eten en kleding, Hij troost ons."

Juliana kijkt ernstig onder haar hoed vandaan. Het waren geen gemakkelijke tijden. Dochter Ofelia (22) trok, nadat ze begin dit jaar weduwe werd, weer bij haar moeder in, met haar kindje van een jaar. Ofelia's man kreeg longontsteking nadat hij was teruggekeerd van seizoensarbeid in de selva. Dure kuren sloegen niet aan. Erger, ze kostten veel geld, zodat Ofelia een lening moest afsluiten. Hij stierf.

Om de lening af te betalen ging Ofelia met haar zoontje in een doek op haar rug naar het laagland om daar te werken. Ze verdiende er zo'n 8 sol per dag (mannen verdienen er 10 sol, circa 2,70 euro). De kredietverschaffer ging dreigen en Ofelia's schoonzus nam de lening over, zodat ze die nog steeds 100 dollar moet terugbetalen - ze heeft niets afgelost en weet zich opgezadeld met een enorme schuld. Haar stem begeeft het als ze meedeelt dat ze nu zelf ziek is: tyfus, en een kuur van 56 sol (17 euro) kan ze niet opbrengen. Een verpleegkundige stelt later een nog ergere diagnose. Mogelijk heeft zij hepatitis A (te behandelen) of het ongeneeslijke hepatitis B.

Getraumatiseerd

En dan is er Rufina Aguilar Cisneros. Zij verloor haar man in 1988 en bleef met zes kinderen achter. Een jongen van 17 jaar kijkt af en toe om de hoek: hij heeft gezien hoe zijn vader werd vermoord en raakte daardoor zwaar getraumatiseerd. Hij heeft zich niet tot een normaal kind ontwikkeld. Buiten stijgt rook op van maïsbladeren die in vlam zijn gezet. Afval wordt verbrand. Rufina (59) staat altijd vroeg op. Ze maakt dan het eten klaar. Geen hulp, zegt Rufina, ik heb geen hulp, er is niemand die me steunt. "We zijn op onszelf aangewezen." Treurig: "Men heeft geen belang bij ons. We tellen niet mee, zelfs niet bij de autoriteiten van dit dorp."

Julia, Herinia, Juliana en Rufina zijn representatief voor de moeders-weduwen in de Andes rondom Ayacucho, waar de wieg van het Lichtend Pad stond. In het conflict tussen de reguliere strijdkrachten en het Lichtend Pad kwamen de boerendorpen vaak klem te zitten. Zowel het leger a ls de Sendero verdacht de bevolking ervan met de vijand te heulen en nam wraak.

Er ontstond een vorm van zelfverdediging onder de bevolking. In Huayllay zijn de posten nog aan te wijzen waar de burgers in ploegdiensten de wacht hielden en waar ze bij onraad waarschuwden. Hier kijkt men uit over het indrukwekkende landschap, waar in de oneindige diepte een rivier als een glinsterend lint kronkelt. Dat er in zo'n majestueuze en volmaakte schepping zo'n onbeschrijflijk en huiveringwekkend kwaad kon woekeren, is onvoorstelbaar.

Solidariteit

Huayllay is een van de dorpen waar men niet vluchtte. Dit in tegenstelling tot talrijke andere plaatsen, waar eigendommen, huizen, grond en vee werden achterlaten, op zoek naar een vreemde omgeving. Het karakter van de dorpen kon daardoor wijzigen. In Huayllay heerst minder gemeenschapszin, meer alcoholisme en meer huiselijk geweld dan in dorpen waar men besloot have en goed te verlaten om het vege lijf te redden. Daar groeide juist iets van saamhorigheid en solidariteit om gezamenlijk de schouders te zetten onder de wederopbouw.

Na 1992 werd Lichtend Pad geleidelijk aan uitgeroeid. Maar nooit meer werd het zoals vroeger. Bovendien staat de cultuur het niet toe dat vrouwen hun stem verheffen - dat mag alleen de man. Het zogeheten machismo trekt diepe sporen op het Latijnse continent. Julia en haar lotgenoten worden niet gehoord. "Vrouwen als Julia raakten de zekerheid van het bestaan die ze voor de tijd hadden kwijt. Ze zijn zo bezig met overleven dat ze niet toekomen aan de verwerking het verdriet dat ze nog altijd hebben. Ze maken zich vooral zorgen over hoe ze zichzelf en hun kinderen moeten onderhouden", stelt Marieke de Putter, een Nederlandse studente antropologie die in Huayllay onderzoekt hoe geweld het leven van de vrouwen beïnvloedde.

"Bij de herverdeling van het land geeft de gemeenteraad de slechtste stukken grond aan de moeders-weduwen. Ze vallen overal buiten, want ze mogen niet bij de vergaderingen zijn - de mannen en de belangrijkste families bevoordelen zichzelf. Overheidsorganisaties en niet-gouvernementele organisaties zien de moeders-weduwen over het hoofd. Bewust. Deze vrouwen hebben de vruchtbaarste tijd van het leven gehad. Ze zijn analfabeet en participeren niet actief in het menselijk bedrijf. Ze zijn gewoon niet renderend", verklaart ds. Luis Ruiz Guerra, directeur van Ayni, de aan de Iglesia Presbiteriana Evangélica y Reformada en el Perú (protestantse, presbyteriaanse kerk) gekoppelde sociaal-economische hulporganisatie Ayni.

Naastenliefde

Ayni (het Quechua-woord voor samenwerking) heeft onder het motto van christelijke naastenliefde het plan opgevat in totaal 157 gemarginaliseerde vrouwen en kinderen in de tweelingdorpen Huayllay (61) en Culluchaca (86) te helpen. Vrouwen omdat ze amper inkomstenbronnen hebben; kinderen omdat ze zijn aangewezen zijn op een slecht onderwijssysteem. Ayni wil onderwijzers speciaal en vooral tweetalig (Spaans en Quechua) opleiden en naar de dorpen sturen om daar een educatieve verbetering op gang te brengen.

Verder streeft Ayni ernaar de financiële positie en de rol van de moeder te verbeteren. Over de functie van de moeder is in zoverre het nodige op te merken dat er meer en beter gecommuniceerd moet worden, zodat de "chicote" (zweep) en de riem in de kast mogen blijven liggen. Het project om de lasten van de moeders-weduwen te verlichten, heet heel toepasselijk Noemi, oftewel Naómi.

Alleen met steun van buitenaf kan Noemi als een parel gaan flonkeren in de donkerte van Peru. "Ayni weet zich ervan overtuigd deze vrouwen, weduwen en kinderen een erg hoge tol hebben betaald. Het is onze plicht deze zwakkeren vanuit de optiek van christelijke barmhartigheid een stem te geven", aldus Luis Ruiz Guerra.

Duidelijk is dat Huayllay nog een lange weg heeft te gaan. Resultaten zullen geleidelijk aan pas zichtbaar worden. Anderzijds geldt hier de bijbelse belofte van hoop en zekerheid dat wie het brood uitwerpt op het water, het zal vinden na vele dagen.

Peru

Hoofdstad: Lima (8 miljoen inwoners)

Oppervlakte: 1.285.216 vierkante kilometer

Munt: nieuwe sol (circa 0,27 eurocent)

Bevolking: 24,5 miljoen inwoners

Taal: Spaans, Quechua, Aymara

Religie: rooms-katholiek 92 procent, protestants 6 procent, overig 2 procent

Actie Peru 2002: Aan onze abonnees

Voor de 29e maal doet het Reformatorisch Dagblad een beroep op adverteerders en lezers om gezamenlijk geld bijeen te brengen voor een goed doel. Al vele miljoenen guldens stroomden er afgelopen jaren binnen en vonden hun weg naar vele bestemmingen. Vaak druppels op gloeiende platen. Maar toch, druppels. Druppels van rijke zegen. In materiële zin, maar ook in geestelijke zin. Want altijd probeerde het Reformatorisch Dagblad bestemmingen te vinden waar ook het Woord aan het woord kon komen.

Zo vloeide het geld, als teken van christelijke liefde en betrokkenheid, naar landen als Israël, Cambodja, India, Filippijnen, Haïti, Oost-Europa, Sri Lanka, Pakistan, Malawi, China, Afghanistan en andere landen, waaronder zeker ook ons eigen land genoemd mag worden. Landen die -hoewel zozeer verschillend- één ding gemeen hadden: er was nood. Grote nood, onder vrouwen en kinderen, onder ouderen, onder zieken. Nood die gelenigd diende te worden. Met druppels. Ook wij zijn immers beperkt. Maar toch druppels, die getuigden van barmhartigheid. Barmhartigheid die haar bron niet in de eerste plaats vond in menselijke barmhartigheid, maar voortvloeide uit de Barmhartige. Uit Hem Die zachtmoedigheid preekte in een wereld van zonde en schuld. In een wereld die gebukt gaat onder de gevolgen van de zonde. Maar aan welke -in de verlorenheid- gepredikt mag worden dat bij de Heere wonderen van genade mogelijk zijn geworden. In de Barmhartige, Die ook Rechtvaardige is. Die ook Almachtige is. Die ook Gewillige is.

Opnieuw starten wij een actie. Nu voor projecten in Peru. Het eerste, indrukwekkende, verhaal heeft u zaterdag kunnen lezen. Andere verhalen volgen nog. Ze brengen de nood van dit land in ons leven, dichter bij ons. Dichter bij ons hart. Kinderen, weduwen, bejaarden in Lima, maar ook in het door geweld geteisterde gebied rond Huanta. Opnieuw is het mogelijk samen te werken met een lokale kerk, de Presbyteriaanse Kerk van Peru. Daarmee zijn de projecten diaconaal geworden. Met uw gift kan veel gedaan worden voor Peruaanse christenen. Een handreiking, als hulp en als een getuigenis.

Bidden en werken

Ze zitten op een woensdagavond om de tafel ten huize van Diodora Masculau, evangeliste van de Presbyteriaanse Kerk in Peru. Twaalf jongeren die hun voormalige leven vaarwel zegden en proberen iets nieuws op de rails te zettenZe zitten op een woensdagavond om de tafel ten huize van Diodora Masculau, evangeliste van de Presbyteriaanse Kerk in Peru. Twaalf jongeren die hun voormalige leven vaarwel zegden en proberen iets nieuws op de rails te zetten.

Onder hen de 17-jarige Jimmy Antonio Cárdenas Peña (l.) en de één jaar jongere José Luis Rincón Arroyo (r.). Ze behoren tot een jonge christelijke gemeente en zijn al iets langer geleden of nog maar pas gedoopt. Allen hebben hun eigen geschiedenis, die in de meeste gevallen een verhaal is van alcoholisme en drugsverslaving, van prostitutie en geweld. Jimmy was niet zo lang geleden lid van een gevreesde jeugdbende. Hij brak eruit. Via een vriend kwam hij in de kerk terecht. Daarna veranderde zijn leven opmerkelijk. Tegenwoordig volgt hij trouw de bijbelstudies van Diodora. Jimmy woont in een krot van bijeengeraapte stenen, kleden en karton - nog een geluk dat het zelden of nooit regent in Lima. Samen met zijn moeder en vier broertjes en zusjes. De vrouw legt klagend uit dat het leven zwaar is en dat ze geen inkomsten heeft. Het liefst zou Jimmy monteur of technicus worden. Zo heel veel hoeft hij niet te verdienen. "Als het maar genoeg is om eten te kopen." Diodora knikt: "Ons grote probleem is dat hier geen werk is. De kerk kan daarin een rol vervullen door jongeren in de gelegenheid te stellen onderwijs te volgen en daarna een kleine onderneming te starten. Bidden en werken horen bij elkaar. Het zijn wezenlijke kenmerken van de gemeente van de Heere Jezus Christus."

Pinksterstorm bedreigt presbyterianen

De Presbyteriaanse Kerk van Peru in haar meest reformatorische gedaante kent meer bijvoeglijke naamwoorden dan welk Nederlands kerkverband ook: evangelisch, presbyteriaans en gereformeerd. Deze kleine kerk doet er alles aan om haar diaconale aanwezigheid in de Peruaanse samenleving te versterken en Jezus als Heere en Kurios te verkondigen op zowel het platteland als in de stad.
In het provinciestadje Huanta gaan de deuren van de presbyteriaanse kerk op zondag om 11.00 uur en om 19.00 uur open. Quechua-indianen stromen binnen voor een dienst in hun eigen taal. Twee rijen vrouwen en een rij mannen, naar oud Joods gebruik gescheiden, vullen de kerkbanken. De liturgie is ingetogen, de prediking voluit schriftuurlijk. De enveloppen met de tienden worden opgehaald - de namen van de gevers prijken aan het einde van de maand in het kerkblad. Opvallend is dat de traditioneel zo kleurrijk geklede vrouwen de vilten hoed die zij in het dagelijks leven permanent dragen, hebben afgezet. Uit eerbied.

Protestanten vormen een minderheid in Peru. Sinds de Spaanse kolonisator na 1492 zijn intrede deed in Zuid-Amerika, draagt het halfrond uiterlijk een rooms-katholiek stempel. Rooms-katholieke en inheemse gebruiken vergroeiden met elkaar. Treffend voorbeeld is een 18e-eeuws schilderij van het heilig avondmaal in de kathedraal van Cusco. Marcos Zapata beeldt de laatste dis af met de plaatselijke maaltijd. En zo ligt er een ontvelde cavia -het diertje is Peru's nationale lekkernij- met de pootjes omhoog op een schaal.

Minderheid

Vanwege hun ondergeschikte positie tegenover de rooms-katholieke dominantie, hebben de protestanten de neiging zich te profileren. Er rust een taboe op het luiden van kerkklokken. Het Onze Vader wordt gemeden, omdat het "een rooms-katholieke geur verspreidt." Tevens wordt in de praktijk de rooms-katholieke doop niet geaccepteerd en volgt herdoop als men overgaat tot het protestantisme.

Hoewel de godsdienstige beleving verschilt, lijkt het maatschappelijke en sociologische onderscheid tussen de protestanten en rooms-katholieken gering. De grootschalige economische armoede leidt ertoe dat protestanten in het dagelijks leven net zo veel of net zo weinig rekening kunnen houden met de zondagsheiliging als de rooms-katholieken. Wie als arme presbyteriaanse boer zijn producten wil verkopen, heeft geen enkele keus. Hij is aangewezen op de zondagse markt.

Ook op het gebied van de moraal is de protestant weinig anders dan de rooms-katholiek. Het ongeordend samenleven van mannen en vrouwen is gemeengoed. Niet uitzonderlijk is het wanneer een alleenstaande vrouw vier of vijf kinderen van verschillende mannen heeft. Predikanten worstelen met deze verschijnselen en proberen hun schapen te vermanen. Vaak botsen ze in dat opzicht op een muur van cultureel en ethisch onbegrip. Omdat het zo al eeuwen toegaat.

Machteloos

Ds. Luis Ruiz Guerra behoort tot de Presbyteriaanse Kerk van Peru. Hij kent zijn pappenheimers zoals die op deze zondag in Huanta naar de kerk gaan. Als geen ander kent Luis de zeden en de riten van de streek. Hij werd door zijn oude grootmoeder opgevoed nadat zijn vader het gezin in de steek liet en zijn moeder de kost moest verdienen. Hij ging naar de basisschool en bezocht later de middelbare school in Huanta. Toen hield het op. "Het maakte me machteloos dat ik niet verder kon studeren", vertelt hij. Als puber trok Luis samen met een vriend naar Lima. "We wilden werken en met het verdiende geld aan de universiteit studeren", zegt hij.

In de jaren zeventig en tachtig maakte de revolutionaire beweging Lichtend Pad onder de leiding van de charismatische Abimael Guzmán opgang. Ook de jongere generatie van de Presbyteriaanse Kerk raakte gecharmeerd van diens theorieën. "Destijds was je links. De staat was een onrechtvaardig instituut, dat bestreden moest worden. Desnoods gewapenderhand. Guzmán wilde de arme boeren hun grond teruggeven. Dat laatste appelleerde aan ons gevoel voor sociale gerechtigheid", legt ds. Luis Ruiz uit. Hij en zijn kameraad kwamen echter terecht bij een presbyteriaanse gemeente in Lima, waar veel mensen uit Huanta kerkten. Al snel gaf Luis Ruiz leiding aan de jeugdvereniging. Hij studeerde af in de theologie.

Samenwerking

Aanvankelijk kreeg de kersverse voorganger geen beroep. De kerken hadden onvoldoende geld voor een traktement. Twee jaar later kwam er toch een plaats vrij. Omdat het Lichtend Pad op een gegeven moment predikanten als doelwit koos en sommigen vermoordde, werd ds. Ruiz geadviseerd even te stoppen. In 1984 keerde hij terug naar de hoofdstad, waar hij betrokken raakte bij World Vision. Bij projecten in het noorden kwam hij zijn huidige medewerker en vriend Vladimiro Chuquimbalqui Masculán tegen, iemand met eenzelfde achtergrond. Samen richtten ze in 1992 de stichting Ayni op. Daarmee kwamen ze tegemoet aan een verzoek van de Presbyteriaanse Kerk van Peru om een organisatie te stichten die zich bezighield met hulpverlening, met name onder de door wreed geweld geteisterde boerenbevolking rondom Ayacucho.

Luis Ruiz' herinnering aan zijn kinderjaren kreeg een impuls: de armen in de bergdorpen van Huanta zouden geholpen worden. Wie hem gadeslaat op zijn rondtochten door de ontoegankelijke gemeenschappen in de bergen, ziet dat de predikant met ontferming is bewogen. Hij luistert naar de klachten van vrouwen die hun man in de burgeroorlog verloren, kent hun lijden en verdriet. "Ik beschouw het als een missie ze bij te staan, ze hoop te geven om te bouwen aan een betere toekomst. In die zin wil ik graag mijn leven in dienst van God en de kerk stellen." Tegelijk beseft hij dat zonder de bijbelse waarden zoals genade, barmhartigheid, liefde en verzoening, wezenlijke verlossing voor deze mensen niet mogelijk is.

Terugloop

Na het Lichtend Pad doemden er nieuwe problemen op voor de presbyterianen. "Echte groei zit er niet in. Bovendien is er gebrek aan goed leiderschap, kennis en kader", constateert ds. M. C. van Pelt, die sinds drie jaar namens de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) in Huanta werkt. "Volgens de laatste min of meer betrouwbare ledentelling, in 1992, kende de Presbyteriaanse Kerk zo'n 15.000 leden. Landelijk gezien zijn de gemeenten in tien jaar tijd gezakt van 15.000 naar 8000 leden, een verlies van 47 procent. Dat percentage is nog gunstig vergeleken met het onderzoek dat ikzelf het afgelopen jaar heb uitgevoerd in een vallei die deel uitmaakt van de zuidelijke kerken. Daar is men in tien jaar tijd gezakt van 6000 naar 1500, een verlies van 75 procent", aldus ds. Van Pelt, die onder meer op het bijbelseminarie in Huanta doceert en voorgaat in de Presbyteriaanse Kerk van Peru.

De terugloop heeft mogelijk te maken met de explosieve groei pinkstergemeenten in Zuid-Amerika in het algemeen en in Peru in het bijzonder. "Ze kruipen in de huid van de bestaande protestantse kerken. Vervolgens proberen ze deze van binnenuit om te werken. Op die manier kunnen ze een bestaande kerkstructuur overnemen. Met name de Movimiento Misionero Mundial, Dios es Amor en onafhankelijke extreme pinksterkerken bedrijven deze praktijken", vertelt ds. Van Pelt.

Verwarring

Hij betreurt het dat de presbyterianen geen goed contact kunnen krijgen met de pinksterkerken in het algemeen. "Op nationaal niveau is het wellicht wel mogelijk met de leiders in gesprek te komen, maar op lokaal terrein blijkt dat een onmogelijkheid. De plaatselijke leiders hebben vaak een preektheologie van drie minuten met vijf stokpaardjes. Ze beoefenen vrij agressieve wervingsmethoden en verkiezen onder de duiven van de presbyterianen te schieten. Dat is jammer, want ik geloof dat het beter is van elkaar te leren dan elkaar te bestrijden."

Presbyterianen verkeren in opperste verwarring. "De pinksterkerken beweren van de Geest te zijn. Mensen krijgen te horen dat ze pas christen zijn als ze de bijzondere gaven van de Geest hebben. Het gaat dan om het spreken in tongen, profeteren, visioenen en hoorbare stemmen ontvangen. Er zijn wezenlijke verschillen tussen de pinksterkerken en de presbyteriaanse kerken. De pinksterkerken leggen zó sterk de nadruk op de emotie, dat de presbyterianen die dat al veertig jaar zijn, verward raken. "Zijn we dan geen christen?" vragen zij zich vertwijfeld af", vervolgt ds. Van Pelt.

Aansluiting

Het is opmerkelijk dat bepaalde kerken in bepaalde sociale lagen van de samenleving aansluiting vinden, signaleert de predikant. "Grofweg zou je kunnen stellen dat hoe extremer de pinksterwind waait en hoe belangrijker de rol van de plaatselijke leider is, hoe beter de aansluiting is bij de laagste groepen. De traditionele kerken doen het goed bij de middenklasse. Je hebt blijkbaar een bepaalde opleiding nodig om hun theologie te begrijpen. Het voordeel daarvan is dat mensen die doorvragen omtrent geloofsvragen, niet met een kluitje in het riet worden gestuurd. Geloof mag daar doordacht worden. Dat trekt vooral mensen aan die een redelijke opleiding hebben en gewend zijn na te denken.

De kerkstructuur bij de traditionele kerken is er een van overleg, inspraak en democratie. Juist die karaktereigenschappen doen het minder goed bij de laagste groepen. Die willen een overzichtelijke boodschap, participatie in de eredienst en een sterke leider. Die charismatische leider heeft vervolgens geen enkele behoefte aan een sterke kerkenraad. Dat hindert zijn leiderschap. Dat past wel bij de volksaard."

Voorzichtig zinspeelt ds. Van Pelt op het gegeven dat de Presbyteriaanse Kerk van Peru toe is aan bezinning op een hervorming van het kerkbestuur, in een model dat meer past bij het Latijnse en sociale karakter van de mensen. "We zouden eens moeten gaan kijken naar de mogelijkheid tot variatie in kerkbestuur. Daarbij zouden zowel de nieuwtestamentische gegevens als de bestaande maatschappelijke realiteit een rol moeten spelen."

Flink betalen

De situatie in het dorpje Chilca, ten zuiden van Lima, bevestigt een aantal trends. Nadat hier twee pinkstergemeenten neerstreken, kromp de bestaande presbyteriaanse gemeente fors in. Ouderling Juan López zoekt een verklaring. "De armoede tast ons spirituele leven aan. We kunnen niet studeren, er is gewoon niets. Dat houdt in dat we ons geestelijk niet verder kunnen ontwikkelen." Bovendien strooien de pinksterkerken met cadeautjes. López: "Ze delen eten en leuke dingen uit aan onze kinderen en beloven van alles. Logisch dat de jeugd het daar gaat zoeken."

Helemaal pessimistisch is López niet. "De mensen vinden na verloop van tijd ook daar niet wat ze zoeken. Ze moeten flink betalen voor gebedsgenezing." Daarmee legt López de vinger op de wond: uit wetenschappelijke studies is gebleken dat de pinksterkerken er niet in slagen hun navolgers op de lange termijn vast te houden.

Hoewel de Presbyteriaanse Kerk van Peru troost put uit het feit dat David uiteindelijk de reus Goliath versloeg, weet ze zich er meer dan ooit van doordrongen dat zij behalve met het Woord zeker ook met de daad aan de slag moet, wil de enige parel van grote waarde gaan fonkelen als een ster aan de donkere hemel boven de Andes.

Bidden op het asfalt van Lima

Acht miljoen van de 25 miljoen Peruanen beproeven hun geluk in de hoofdstad Lima, gedreven door de hoop op werk en een beter leven. De grote meerderheid -ten minste zo'n 60 tot 70 procent- valt tussen de wal en het schip wegens ontoereikende middelen van bestaan. Dat leidt tot een beklemmende situatie in een metropool waar een grauwsluier van uitzichtloosheid over hangt.
Als El Agustino in zicht komt, gebaart de taxichauffeur de deur op slot te doen, het raam dicht te draaien en de tas op de grond te zetten. Het wil wel eens voorkomen dat er een grijpgrage hand naar binnen schuift. Bij avondlicht ziet de achterstandswijk er gezellig uit, zo op die heuvel langs een van de ringwegen. Wie de eerste stegen, straatjes en trappen opgaat, weet snel beter. Hier regeert de onderwereld met haar criminaliteit en drugs.

Ondanks zijn negatieve imago oefent Lima, pal gelegen aan de Stille Oceaan, een magnetische aantrekkingskracht uit op heel Peru, dat zich in 1824 vrijvocht van de Spaanse kolonisator. Het is een land met een majestueuze natuur die in drie zones is verdeeld: de kust (costa), de bergen (sierra) en het tropisch achterland (selva).

Net zoals zo veel Latijns-Amerikaanse naties kent Peru een tragisch verleden. Het meest recent is de bloedige strijd tussen de maoïstische terreurbeweging Lichtend Pad en het leger van ongeveer 1980 tot 1992. Hoewel er daarna ruimte ontstond voor nieuw engagement, smoorde president Fujimori (1990-2000) veel initiatieven met zijn eenzijdig autocratisch bestuur, waardoor de rijken rijker werden en de armen nog armer dan ze al waren. Fujimori's opvolger, Toledo, blijkt niet bij machte zijn beloften in te lossen. Als president maakte Toledo sinds zijn aantreden vorig jaar tot dusver nog geen fractie van zijn toezeggingen waar. Met een explosieve bevolkingsgroei, een enorme migratie naar de overvolle steden en een achterblijvende landbouwsector is Peru een land geworden waar 80 procent van de bevolking beneden de absolute armoedegrens verkeert.

Nergens is de kloof tussen rijk en arm trouwens groter dan in Latijns-Amerika, zo blijkt uit een studie van het regionale VN-agentschap Eclac. De armoede op het hele continent raakt meer dan 43 procent van de bevolking of meer dan 500 miljoen mensen. De sociale achteruitgang blijkt vooral uit de cijfers voor het onderwijs: maar liefst 37 procent van de Latijns-Amerikaanse jongeren maakt de middelbare school nooit af. De meeste jongeren stoppen in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs. De jongens kappen ermee omdat ze thuis brood op de plank moeten brengen, voor meisjes vormen het huishouden en een zwangerschap meestal de oorzaak.

Tegen dit decor proberen enkele tientallen families in de wijk Luis Pardo te overleven. Velen van hen kwamen zo'n 23 jaar geleden uit het gebied rond Ayacucho (waar de wieg van het Lichtend Pad stond) naar Lima. Ze bezetten er een lap grond en schuilden bij elkaar in haastig opgetrokken krotten.

Tot op de dag van vandaag is de gemeenschap van Luis Pardo met de autoriteiten in de slag om definitief eigenaar te worden van de grond - die naar verluidt grotendeels is afbetaald. In sociaal opzicht functioneerde Luis Pardo van meet af aan ijzersterk. Cipriana Llactahuaman nam 22 jaar geleden het voortouw bij de vrouwen om een gezamenlijke keuken te starten. "We werkten allemaal en als er dan om de beurt voor iedereen zou worden gekookt, bespaarde dat veel geld", legt de 48-jarige Cipriana uit. En nog steeds loopt de "comedor", de gaarkeuken, als een trein.

Op een zaterdagmorgen in oktober koken Luisa Angeles, Susana Ataqui en Maria Chauque. "We bereiden vandaag tachtig maaltijden voor. Normaliter zijn het er 110 of 115. Op zondag koken we niet", legt Susana uit terwijl ze in een reusachtige pan roert. "Dan zijn we wel duurder uit hoor! Nu betalen we een sol (0,27 eurocent) per maaltijd, maar op zondag ben ik voor zeven personen 15 sol kwijt."

Vanochtend vroeg hebben ze met z'n drieën geld ingezameld en hebben ze op de markt ingekocht: wortels, kip, knoflook en bonen. Rijst krijgt de gaarkeuken via een overheidsinstituut voor gezondheidszorg (Promudeh). IJzeren ketels en potten staan op het fornuis. Tegels en cement zijn in de keuken niet te bekennen - alles bestaat uit zand en golfplaat. "Geld om er een mooie keuken van te maken, hebben we niet omdat we amper geld voor onszelf hebben."

De wijk Luis Pardo kent een centrale kraan, waar iedereen via een slang water kan tappen, water dat voor het leven in Luis Pardo net zo'n beslissende rol speelt als het levende water voor de kerk. Water ook dat iedereen qua kosten deelt. De individuele toiletten in de bouwvallige optrekjes moeten met aangedragen water worden doorgespoeld.

"We zouden dolgraag een eigen huis willen", verzuchten de schoonzusjes Marisabel Lampa (32) en Celia Cutipa Miranda (33). Zij wonen met ouders, broers en zussen en kinderen -in totaal elf personen- in een huis van triplex dat door middel van tussenschotten is verdeeld. "De kinderen worden groter en ik zou ze graag meer ruimte willen geven", aldus Celia in haar 'appartement', waarin een fornuis, een stapelbed, een tafel en wat stoelen staan.

Dat ouders werken en grotere kinderen naar school gaan, heeft tot gevolg dat kleintjes vaak alleen worden achtergelaten. Niet zelden leidt dat tot extreem verwaarloosd kroost. Ooit hoopt Luis Pardo nog eens een kinderdagverblijf in te richten. Ondanks alle tranen die worden geplengd omdat een kwarteeuw Lima de mensen nauwelijks iets opleverde, is Luis Pardo vrij van drugs. Zo lang het duurt. "We houden de boel in de gaten. Als een jongere zich niet gedraagt, spreken we hem aan en lichten we de ouders in", legt Francisco Llactahuaman (50), de man van Cipriana, uit.

Elders in Lima worden pogingen gedaan jongeren te behoeden voor het kwaad dat uit alle hoeken en gaten op hen afkomt: prostitutie, kinderroof, verdovende middelen, alcohol en bendevorming. Zo zitten op een avond ten huize van Diodora Masculán in Cooperativa Huancayo twaalf jonge mensen om de tafel die hun voormalige leven vaarwel zeiden. Ze behoren tot een beginnende christelijke gemeente en zijn onlangs of al iets langer geleden gedoopt.

José Michel Pasos García bijvoorbeeld, achttien lentes jong, heeft een hip kapsel, drie oorringen en een bril. "Die coupe heb ik zelf verzonnen", legt hij uit. "Vind je het mooi?" Hij voelt zich "goed" bij de kerk, waar hij eerder nooit kwam. Hij gaat zelfs voor in gebed op de bijbelstudie. "Ik hoop dat de Europeanen zich betrokken gaan voelen bij ons land." Hij woont in een huis van stenen muurtjes en golfplaat achter een bekladde deur. Een donker vertrek volgt. Twee honden springen blaffend naar voren. "Ga terug", roept José Michel.

"Kijk, daar slaap ik." Hij wijst naar een bed met wat kleden erop. "Een toilet hebben we hier niet. Mijn vader en moeder geen het geld om dit huisje te verbeteren." Een man steekt zijn slaperig hoofd om een deur van een van de twee slaapkamertjes. "Mijn papa. Hij is moe en rust uit", legt José Michel uit. "Ma is werken."

Vaak zijn jongeren als José Michel het getto waarin ze leven, nooit uitgeweest. Wie zou er met hen willen ruilen? Onweer of sneeuw zagen ze nooit. De heuvels van Huancavelica aanschouwen ze met verbazing als ze een week via een kerk op kamp gaan. "Ach ja, geld maakt natuurlijk niet gelukkig", merkt de 21-jarige Gisela Altamirano wijsneuzig op. "Maar als je er een beetje van hebt, is dat toch gemakkelijk." Wensen hebben de jongeren genoeg. Ze beseffen tegelijk dat de mogelijkheden die te realiseren zijn, ontbreken in dit land. "Er is geen geld voor ons. We kunnen geen studie of beroepsopleiding volgen, al staat dat hoog op onze verlanglijst. Het alternatief is natuurlijk werken. Maar het punt is weer dat er nagenoeg geen banen zijn vanwege de vele mensen die dagelijks hun geluk in Lima willen beproeven. Kortom, we verkeren in een vicieuze cirkel."

Op het keiharde asfalt van Lima probeert de Presbyteriaanse Kerk (Iglesia Evangélica Presbiteriana y Reformada del Perú (IEPRP) met acht gemeenten en een paar honderd leden in de stad) iets van de grond te krijgen op het gebied van onderwijs en vorming, gezondheidszorg en kinder- en ouderenopvang. Directeur Carmela Coz van het college Jean Calvin Lefranc -een particulier protestants onderwijsinstituut- weet hoe hard dat nodig is. "Het niveau op de gratis staatsscholen is allerbelabberdst. Bij ons probeert de kerk via de school onderwijs met christelijke waarden en normen te realiseren. Van de ouders wordt een bijdrage van 125 tot 135 sol per kind per maand gevraagd, 85 sol voor de peuters en kleuters. We stimuleren vooral de betrokkenheid van de ouders bij de school."

Ouders staan daar volledig achter. Marisol Capillo heeft vier kinderen op het Jean Calvin Lefranc - wat haar en haar man een vermogen kost. "We hebben het ervoor over. Onze samenleving verloedert in hoog tempo en hier krijgen de kinderen christelijk onderwijs." Ook directeur Carmen Limaco Abuhadba van de christelijke pedagogische academie Diego Thomson benadrukt het belang van een goede opleiding, met christelijke waarden en normen. "We hebben dit jaar als thema eerlijkheid en verantwoordelijkheid. Die twee dingen ontbreken maar al te vaak in onze maatschappij."

Kerken nemen enerzijds op sociaal vlak meer en meer taken van de overheid over, terwijl de overheid anderzijds tegemoetkomt aan de particuliere behoefte. "Als de staat bijvoorbeeld een project uitvoert, voelt de bevolking zich niet verantwoordelijk. Als er voor een project draagvlak is onder de mensen, lukt het beter", aldus Ria Visser, die als toerustingsmedewerker namens de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) in de Nederlandse Hervormde Kerk in Lima werkt.

Dat laatste is zichtbaar bij de Cooperativa Huancayo. Samuel Chávez Sánchez zit daar al twaalf jaar in het wijkbestuur en probeert wat concreets te realiseren. "Als onze problematische, recalcitrante jongeren geen infrastructuur krijgen om hun energie te kanaliseren, gaat het hier geweldig mis. Dan belanden ze in een spiraal van geweld, verslaving, alcohol en misdaad."

Wie door de ellende van Lima heenkijkt, ziet dat er aanknopingspunten genoeg zijn om in te investeren, zoals dat in jargon heet. Met een betere behuizing voor de gaarkeuken in Luis Pardo en hulp voor dagopvang voor ouderen, een kinderdagverblijf, een medische post of onderwijs elders in de stad worden geen paarlen voor de zwijnen geworpen. Dat neemt niet weg dat de werkelijkheid in de Peruaanse hoofdstad confronterend en contrasterend blijft, of dat nu in het chique centrum Miraflores is, of in San Genaro, net als El Agustino een probleemgebied. Niemand voelt zich er veilig. In al die troosteloosheid worden er bemoedigende evangelisatie- en gebedsdiensten gehouden. Terwijl op de achtergrond de golven van de Pacific op het verlaten strand spoelen, klinkt uit de kelen van de aanwezigen een lied van vertrouwen. "Hij zal ons bij het aanbreken van de dag en bij het ondergaan van de zon niet verlaten."

Weduwen en wezen

Hoog in de Andes woont een groep vrouwen die overal buiten valt. Het zijn de sociaal zwakkeren van de Peruaanse samenleving.Tijdens de periode van politiek geweld verloren deze vrouwen hun man en daarmee degene die voor inkomsten zorgde. Meestal hadden ze wel kinderen en moesten ze maar zien hoe ze de eindjes aan elkaar knoopten.

Niet zelden waren ze ook nog gevlucht voor de guerrilla. Have en goed raakten ze kwijt, ontworteld en vervreemd doolden ze rond. Of ze bleven in het dorp, zoals Herinia López Bermuda van 82 jaar. Haar kleine akker bewerkt ze zelf. Herinia woont in een hut, verstoken van enig comfort. Nooit kreeg de weduwe de tijd om haar verdriet te verwerken. Behalve de moeders-weduwen zijn er de alleenstaande moeders met kinderen en de wezen. Zij hebben geen enkele stem in de Andes. Ze missen de zekerheid van het bestaan. Herinia was zo bezig met overleven dat ze niet toekwam aan de verwerking van de moord op haar echtgenoot. Vrouwen als zij maken zich vooral zorgen over hoe ze zichzelf en hun kinderen moeten onderhouden, hoe ze aan eten en kleding moeten komen en waar ze geld vandaan halen om hun kinderen naar school te laten gaan. Er zit weinig vooruitgang in de positie van deze gemarginaliseerde vrouwen. Het enige wat ze doen, is werken op hun akker. Vaak is de opbrengst voor eigen consumptie, en zo hebben ze niet de gelegenheid hun situatie te verbeteren. Als ze al meer kunnen produceren om op de markt te verkopen, schiet dat ook niet echt op, want de prijzen zijn laag. De christelijke kerk heeft zich van meet af aan het lot van de weduwen aangetrokken. Zo ook de Presbyteriaanse Kerk in Peru. Kwam Jezus Zelf niet de weduwen helpend en troostend tegemoet? Prees Hij niet de arme weduwe die twee koperstukken, haar hele levensonderhoud, in de offerkist wierp? Hoog tijd dat er iets gaat gebeuren voor Herinia en haar vele "hermanas", haar zusters.

Moordenares

Wie op een misdaad wordt betrapt, zit de straf uit in een van de gevangenissen van Peru. Dagen, maanden of jaren. Vandaag zitten er zo'n 34 gevangenen, onder wie twee vrouwen, vast in Huanta. Een kale cel met een stapelbed is hun deel. Ze koken zelf en de familie brengt eten. In het vrouwengedeelte huist de 42-jarige Candilaria Quispe met haar dochtertje Roxanne. Het kind is nog maar drie jaar en woont met haar moeder in de gevangenis. Candilaria zelf ziet er met haar twee vlechten als een schuldbewust calvinistisch meisje uit, gestreept schortje om het middel geknoopt. Maar o wee, ze heeft een moord op haar geweten, vertelt de sociaal werkster. Candilaria heeft samen met haar tweede man haar eerste man met voorbedachten rade van het leven beroofd. Ze is dus een moordenares. Haar man zit ook in de gevangenis, in het mannengedeelte.
Candilaria zit al bijna een jaar gevangen. Haar vier andere kinderen wonen bij haar oude moeder in een klein dorp, acht uur reizen met de bus van de gevangenis vandaan. De oudste is twaalf jaar.

In Nederland passen steeds meer opa's en oma's op hun kleinkinderen. Bij het schoolhek, in het zwembad en in de winkel hoor je alleen nog maar "opa" of "oma" roepen. Nog even en de vaders en moeders behoren tot de verleden tijd. Ze tellen in de ogen van hun eigen telgen niet meer mee. Altijd aan het werk, altijd geld verdienen. Met Candilaria ligt het anders, maar ook zij doet niet mee. Toch fijn dat zij een oude moeder heeft die haar kinderen opvoedt en te eten geeft. En dat er hoop is voor moeder en moordenares Candilaria, ondanks het schenden van het zesde gebod. Kreeg de moordenaar aan het kruis geen vergeving?

Vandaag zitten er zo'n 34 gevangenen, onder wie twee vrouwen, vast in Huanta. Een kale cel met een stapelbed is hun deel. Ze koken zelf en de familie brengt eten. In het vrouwengedeelte huist de 42-jarige Candilaria Quispe met haar dochtertje Roxanne. Het kind is nog maar drie jaar en woont met haar moeder in de gevangenis. Candilaria zelf ziet er met haar twee vlechten als een schuldbewust calvinistisch meisje uit, gestreept schortje om het middel geknoopt. Maar o wee, ze heeft een moord op haar geweten, vertelt de sociaal werkster. Candilaria heeft samen met haar tweede man haar eerste man met voorbedachten rade van het leven beroofd. Ze is dus een moordenares. Haar man zit ook in de gevangenis, in het mannengedeelte.

Candilaria zit al bijna een jaar gevangen. Haar vier andere kinderen wonen bij haar oude moeder in een klein dorp, acht uur reizen met de bus van de gevangenis vandaan. De oudste is twaalf jaar.

In Nederland passen steeds meer opa's en oma's op hun kleinkinderen. Bij het schoolhek, in het zwembad en in de winkel hoor je alleen nog maar "opa" of "oma" roepen. Nog even en de vaders en moeders behoren tot de verleden tijd. Ze tellen in de ogen van hun eigen telgen niet meer mee. Altijd aan het werk, altijd geld verdienen. Met Candilaria ligt het anders, maar ook zij doet niet mee. Toch fijn dat zij een oude moeder heeft die haar kinderen opvoedt en te eten geeft. En dat er hoop is voor moeder en moordenares Candilaria, ondanks het schenden van het zesde gebod. Kreeg de moordenaar aan het kruis geen vergeving?

Niets te lezen in Culluchaca

Een boerendorpje in Peru, met 800 inwoners, op 3700 meter hoogte, afgelegen en geïsoleerd in het Andesgebergte. Voor Europese begrippen is het bijna onmogelijk dat juist daar leven is - nauwelijks bereikbaar per auto. Slechts via een steile weg vol stenen, gaten en kuilen. Toch vecht de lokale inheemse bevolking, quechua's, er hard voor het bestaan. Koeloetsjakka!
Op een zonnige vrijdagochtend heerst op het hoofdplein van Culluchaca een levendige sfeer. Bij de ingang van de zanderige "plaza" verzamelt zich een zestal mannen. Een van hen voert het woord namens de burgemeester, die in de stad Ayacucho verblijft. Binnen korte tijd komen de vrouwen opdagen als ze hebben gehoord dat er met hen zal worden gepraat over hun problemen.

De samenkomst op het plein groeit uit tot een bijzonder kleurrijk geheel: mannen, vrouwen en kinderen, veelal klein van postuur, in het helle ochtendlicht, felgekleurde verkiezingsslogans op de muren omdat er spoedig burgemeesters gekozen worden, schapen die tussen de mensen door drentelen, keutelende kippen en kuikens, een echtpaar dat te paard passeert en even later op het bergpad nog zichtbaar is, de kudde mekkerende schapen die achter een herder al samenknoedelend over het plein schiet.

De vrouwen, van wie enkelen barrevoets, dragen allen een hoed. De een gebruikt het hoofddeksel om er een nat kinderbroekje op te laten drogen, de ander heeft er pompoenen, linten en plastic bloemen aan hangen - de veelal vilten hoed is de gewoontedracht van de vrouw en biedt bescherming tegen de zon. Lange vlechten zijn óf opgekruld en aan elkaar gespeld óf hangen naar beneden. Onder de rand vandaan kijken donkere en schrandere ogen de wereld in. Dit zijn heel andere vrouwen dan miss Peru Marina Mora Montero, die zondag op de derde plaats eindigde bij de verkiezing van 's werelds schoonheidskoningin. Vrouwen die het leven kennen zijn het, niet te vergelijken met de met crèmes in de week gelegde barbiepoppen.

Diverse handen met zwartomrande nagels graaien af en toe naar een zakje met bladeren van de cocaplant, die een bruinachtige aanslag op lippen en tanden geven. Dit is de Andes-kauwgom: cocabladeren dienen als pruimtabak om de gezondheid te bevorderen - vooral in de hooggelegen delen van Peru worden ze geconsumeerd. Aardige bijkomstigheid is dat het sap de honger stilt. Want behalve wat aardappelen hebben de mensen in Culluchaca weinig te verteren.

Behalve hun huisjes, hun akkers, wat vee en kleding bezitten de mensen in Culluchaca niets. Er is water, er zijn wat latrines waar een ruig schapenvel figureert als toiletpapier, er valt niets te lezen, maar er komt elektriciteit en er is één telefoonverbinding. In tegenstelling tot de inwoners van veel derdewereldsteden beschikt hier niemand over een televisie. Dat laatste is overigens een min of meer prettige bijkomstigheid: de wereld van soap en geweld dringt niet door tot Culluchaca. Een kwestie van tijd natuurlijk. Vooralsnog en wellicht nog even leeft Culluchaca als het ware in het gelukkige tijdperk van de Middeleeuwen en de minstreel: de enige nieuwsberichten komen via de reiziger of via de bezoeken aan de zondagse markt in het dichtstbijzijnde provinciestadje Huanta.

Opvallend is verder dat de mannen behalve het Quechua het Spaans spreken, de vrouwen niet. De vrouwen zijn doorgaans analfabeet - ze spreken een mondjevol Spaans en dan houdt het op. Ze communiceren in hun eigen taal, het Quechua. De machocultuur leidt tot achterstelling van de vrouw. "We kunnen gerust stellen dat de positie van de vrouw, met name op het platteland, erbarmelijk is", verklaart Elizabeth Buendía, een presbyteriaanse advocate. "Ook al bezit Peru een instelling die zich inzet voor vrouwen (Promude)." Illustratief is Teofila Quispe (47), die pas op latere leeftijd leerde lezen en schrijven. Teofila komt uit de omgeving van Ayacucho en vluchtte in 1993 voor de guerrilla's van het Lichtend Pad naar een voorstadje van Lima. Ze sprak alleen het Quechua en voelde zich in de stad een vreemde. Sinds ze het Spaans beter beheerst, gaat het beter met haar.

Vrouwen op het platteland of in de arme wijken van Peru kunnen vaak lezen noch schrijven. Zo ook de 26 vrouwen die in Culluchaca op het plein in een kring zijn gaan zitten, nagenoeg allen weduwe. Het Lichtend Pad of het leger beroofde hun echtgenoten van het leven, vaak op afschuwelijke wijze, pakweg vijftien jaar geleden. Dat was een angstaanjagende tijd, schudden ze met hun hoofd. "We dachten dat de dagen van het laatste oordeel waren aangebroken." Guerrilla's, mariniers, militairen en anderen trokken brandschattend en plunderend rond. Niemand voelde zich veilig en niemand wist waar het allemaal over ging en wat er op het spel stond. Verwarring alom. Ze hebben niets opgeschreven en teren op hun herinnering. De Commissie van Waarheid en Verzoening die de balans opmaakt van de schendingen van mensenrechten, kan daardoor moeilijk getuigenissen beoordelen en verifiëren.

Het kan ook zijn dat de vrouwen hun man verloren wegens ziekte, en verder zijn er de alleenstaande moeders. Deze maatschappij kent zelden een officiële huwelijksverbintenis. Zelden dient zich dan ook een bruiloft aan, want "er valt niets te vieren. Wat hebben wij om blij te zijn? Wat kunnen we doen en zeggen over onze problemen? We hebben niets om vrolijk over te zijn", vertellen de vrouwen. Marcelina Romero Ccaracc (71), Alejandra Quispe Araujo (40), Juana González Cabezas (52), Segundina Rimaci Arayo (47), Marcelina Ayala Yaranja (48), Viviana Araujo Curo (41), Guillermina Naupari Condori (57), Paulina Ayala González (39) en María Jesús Ramos Naupari (44), om er enkelen te noemen. Toch breekt er af en toe een lach door op hun getaande gezichten. "Breng ons weduwnaars, zodat we kunnen hertrouwen", grapt er een.

Culluchaca werd in de jaren tachtig diverse malen aangevallen door Lichtend Pad. In 1984 vluchtten de eerste boeren in de hogere gedeelten boven de kern Culluchaca naar beneden. Ze zochten veiligheid in het dorp zelf. Maar bij een inval in 1984 in het dorpscentrum door Lichtend Pad werden zestig mensen gedood. Dit creëerde een nieuw gevoel van onveiligheid en zo was het niet vreemd dat de mensen weer terugkeerden naar hun oude huis. In 1988 werden ze daar aangevallen door het leger enerzijds en het Lichtend Pad anderzijds: wie niet voor mij is, is tegen mij. Weer vluchtten de bewoners weg, naar twee 'dorpen' die dieper het dal lagen: Patasucro en Mururó. Daar bleven ze tot 1995. Van 1995 tot nu toe heeft een geleidelijke terugkeer naar de oorspronkelijke dorpskern plaats - Sendero is immers vernietigd. De regering stimuleerde de terugkeer.

Geweld heeft het leven van de vrouwen van Culluchaca ingrijpend veranderd. Ze raakten een groot deel van de zekerheid van het bestaan kwijt. Ze zijn zo bezig met overleven dat ze niet toekomen aan de verwerking van hun verdriet. In zijn geheel werd Culluchaca meer 'urbaan', omdat mensen dichter bij elkaar zijn gaan wonen om zich te beschermen tegen aanvallen. Dit brengt een andere manier van samenleven met zich mee dan het leven in zeer rurale gebieden, waarbij iedereen op of bij zijn akker woont.

Voor Culluchaca geldt dat bijna iedereen in de jaren tachtig vluchtte, wat betekende dat de mensen in de diaspora bij aankomst geen huis hadden en er een bouwden. Bij de terugkeer in Culluchaca na 1995 moeten ze dat proces weer opnieuw doorlopen. Ze troffen in Culluchaca alles anders aan dan vroeger. Daarbij ontstond de zoektocht naar een nieuwe vorm van samenleving, in een compositie van vijf kernen die bij elkaar horen. Sinds kort kent Culluchaca een centrumpje voor basisonderwijs dat met enthousiasme werd begroet. Verder bezinnen de bewoners zich over hun identiteit.

Eén kern van Culluchaca ligt een stuk hoger en heet Yanasaraccay, thuishaven van zeventig families in totaal, van wie de meesten tijdelijk in Mururó woonden. "We kregen in 1998 hout, kozijnen met glas, een deur en golfplaat om een huis te bouwen. De rest moesten we zelf doen", vertelt Alejandro Quispero, die als leider optreedt. "We deden dat van tapial, dat gaat snel. Maar adobe zou veel beter zijn, om een steviger huis te krijgen. En met de golfplaten zijn we ook niet helemaal gelukkig. Veertig gezinnen hebben een huis met golfplaat. Maar het kan hier heel hard waaien, zodat de golfplaten dreigen meegenomen te worden. We zouden het liefst dakpannen hebben." Riet is meer solide, maar vliegt sneller in brand. Zowel tapial als adobe is een soort leem, adobe is veel harder en bestaat uit grote blokken. De boeren van Yanasaraccay verbouwen voornamelijk aardappelen of hoeden vee op de 4530 hectare die zich achter het plaatsje uitstrekt. Hoog op de hellingen zijn koeien zichtbaar via de verrekijker. "Het is nodig onze percelen te verbeteren", vindt Alejandro. "Verder zouden we een dorpshuis willen hebben en een medische post." Die laatste ontbreekt. "We moeten naar beneden als we wat mankeren. Dat kan heel lastig zijn. Er gebeuren nogal eens ongelukken bij het werk. Verder komen hier veel aandoeningen aan de luchtwegen voor", aldus Alejandro.

Onmiskenbaar hebben het geweld en de oorlog tussen de staat en het Lichtend Pad diepe sporen getrokken in de Peruaanse samenleving in het algemeen en in het Andesgebied rond Ayacucho in het bijzonder. Er zijn dorpen die zich beschermden door middel van een vorm van zelfverdediging (autodefensa), en juist daar bleef de sociale structuur nagenoeg onveranderd - de mannen slaan er hun vrouw meer dan elders en het alcoholmisbruik ligt er hoger.

Daarentegen kregen dorpen als Culluchaca een andere samenstelling dan voorheen. Omdat het plaatsje vele malen werd aangevallen, de bevolking elders haar toevlucht zocht en gezamenlijk terugkeerde, ontstond er een nieuwe onderlinge cohesie en solidariteit. Dat is winst, benadrukt Vladimiro Chuquimbalqui Masculán, voorzitter van de aan de Presbyteriaanse Kerk van Peru gekoppelde stichting Ayni, die de weduwen in Culluchaca wil gaan helpen. "De mensen zijn ondanks alle tegenslag en achterstand van goede wil. Dat biedt kansen voor Culluchaca - hoewel de mensen het zelf moeten doen. Dat vraagt van ons de nodige inzet en creativiteit in een samenleving waar het bedroevend is gesteld met bestuur en management, waar corruptie diep is geworteld."

Het verdient aanbeveling als de wederopbouw via bestaande netwerken kan gebeuren, benadrukt Vladimiro Chuquimbalqui Masculán geestdriftig. "We roepen een dorpsvertegenwoordiging in het leven, een soort algemeen bestuur, met daaronder vier werkgroepen: gezondheid, rehabilitatie, onderwijs en kinderzorg. Daarbij kan er worden gezocht naar nieuwe openingen, zoals dat naar voren kwam uit een economisch rapport over de regio. Weet je, ecologisch toerisme en kleinschalige industrie kunnen hier best gedijen. Er is een markt om bloemen voor te kweken en er zijn mogelijkheden om betere varianten van groenten en ander kleinvee te fokken."

Een en ander vraagt geduld en tijd. Als het aan Culluchaca ligt, graag. "We willen vooruitkomen. Geld verdienen voor onze kinderen, voor eten en kleding", zeggen de vrouwen als uit één mond. Iets wat in eerste instantie zonder hulp van buitenaf nauwelijks mogelijk lijkt, al zullen de mensen uiteindelijk zélf de handen uit de mouwen moeten steken, omdat het eerst van henzelf moet worden wil het slagen.

Noemí bewerkt het land

Het grootste probleem van de oorlogsweduwen in Peru is dat er met het wegvallen van hun echtgenoten minder werkkracht beschikbaar is. Dat maakte hen van de ene op de andere dag tot de allerarmsten. Neem bijvoorbeeld de vrouw in het blauw. Ze heeft hulp van een man nodig bij bepaalde werkzaamheden op het land.

Familie of vrienden kunnen een helpende hand bieden, maar niet de gemeenschap. In dorpen als Huayllay is de solidariteit met de weduwen als het ware weggesmolten. Er ontstond de gewoonte om niets zonder betaling te doen, want voor wat hoort wat. Het resultaat is dat niemand voor de vrouwen het land bewerkt. Op hun beurt hebben de weduwen geen geld om mankracht in te huren. Daarentegen hebben mannen zes keer meer kans op succes of welzijn dan vrouwen c.q. weduwen als gezinshoofd. Zo is het opvallend dat weduwen en alleenstaande vrouwen minder land inzaaien en minder vee bezitten. Hun achterstandspositie is verklaarbaar door het ontbreken van een man. De nadelen beperken zich echter niet alleen tot een gebrek aan mankracht, maar ook ontbreekt het aan toegang tot de middelen van de gemeenschap en de staat. Burgemeester Alejandro Naupa Gutiérrez van Huayllay geeft dat voorzichtig toe. Het aantal mannen dat weduwen op het land helpt, is beperkt, zegt hij. Hij is blij met de plannen van het door de Presbyteriaanse Kerk gestarte Centrum voor Bevordering van de Ontwikkeling in de Andes (Ayni) om de leefomstandigheden van de armste gezinnen in Huayllay te verbeteren. Daardoor kunnen over pakweg drie jaar de 46 weduwen en 15 alleenstaande moeders van Huayllay weten wat hun burgerrechten zijn, kunnen ze als christen leven, actief deelnemen aan het dorpsleven, hun zaakjes financieel op orde brengen en toegang krijgen tot onderwijsprogramma's. Niet voor niets heet het Ayni-programma Noemí (Spaans voor Naómi): vrouwen na bitter lijden verlichting schenken en rust laten vinden.

De navel en de oude berg

Voordat zij in 1533 door de Spanjaarden werd ingenomen, was het historische hart van Peru de stad Cusco, het bestuurlijk centrum van de inca's op 3326 meter hoogte. Nu vormt ze met haar 300.000 inwoners een aantrekkelijke en exotische bestemming voor de reiziger met op een steenworp afstand het haast mythische Machu Picchu.
Ooit bloeiden in het uitgestrekte Andesgebergte verschillende culturen, Chavin, Moche, Nazca en Chimu, maar de incacultuur was de grootste. Omstreeks 1200 voor Christus groeiden de inca's van een kleine stam uit tot een georganiseerde maatschappij met één leider, de Inca. Deze woonde in Cusco en werd vereerd als een levende god, de zonnegod. In 1438 begon de heersende Inca aan een offensief. Binnen een paar jaar hadden de inca's een rijk veroverd dat zich 3500 kilometer langs de westkust van Zuid-Amerika uitstrekte en een groot deel van het huidige Ecuador, Peru, Bolivia en Chili besloeg.

Sindsdien is Cusco, met z'n veelheid aan restaurants, winkels, leuke markten en gezellige pleinen, als wel door zijn koloniale uitstraling, een van de hoogtepunten van Peru. De grootste attracties zijn ongetwijfeld de vele incaruïnes die in de wijde omgeving van de stad zijn te vinden -met name in de Heilige Vallei van de inca's- en uiteraard de mysterieuze opgraving Machu Picchu, zo'n 100 kilometer van Cusco vandaan. Cusco ligt hoog en het is eerst even wennen aan de ijle lucht Kortademigheid en hartkloppingen kunnen het best worden bestreden door het rustig aan te doen en "mate de coca" (thee van cocabladeren) te drinken. Maar pas op voor de echte hoogteziekte. De naam Cusco betekent in het Quechua "navel van de wereld". Voor de onderdanen van het uit vier delen bestaande incakeizerrijk was de stad een onneembare en veilige vesting in de Andes, totdat in 1532 de Spaanse veroveraar Francisco Pizarro de grote incakeizer Atuhualpa aan zich onderwierp en diens nazaten tegen elkaar uitspeelde.

Op het huidige hoofdplein, de Plaza de Armas, kruisten de wegen van het inca-imperium elkaar. De Spanjaarden waren onder de indruk van de bouwkunst van de inca's. Ze lieten veel intact. Overal in en rond Cusco valt te zien hoe de culturen van de inca's en de Spanjaarden in elkaar grepen. De Spanjaarden bouwden hun kerken en huizen op de fundamenten van de incabouwwerken. Op geestelijk gebied ging dat net zo. De zonnereligie van de oorspronkelijke Peruaanse bewoners werd als het ware ingepast in het rooms-katholieke geloof. Waar de inca's hun god in de zon ontmoetten, dwongen de Spanjaarden hun bekeerlingen Christus in plaats te stellen van het licht. De vruchtbare aarde werd een afgeleide van de maagd Maria, de moeder Gods. Daaruit ontstond een mix van oude en nieuwe elementen.

Het koloniale plekje Chinchero bezit een kerk uit de zestiende eeuw die is gebouwd op een incatempel. Het interieur is intiem, van hout en met barokke overdaad beschilderd. In een hoek hangt de zwarte Christus: zoals de Chinezen hun Christus met scheve ogen afbeeldden, maakten de Peruanen Hem zo donker als "el Indio". Quechua's, zoals de indigenas (inheemsen) ofwel de vermeende afstammelingen van de inca's worden genoemd, leven in lemen huizen. Op hun daken staan houten kruisen, meestal geflankeerd door twee stiertjes van klei. Dit kruis geeft aan dat ze goede rooms-katholieken zijn. De stiertjes dienen de boze geesten en krachten af te weren. Zo blijkt dat het rooms-katholicisme zich vermengde met de natuurgodsdienst van de Iinca's, waarin zon en maan, onweer en bliksem, sterren en regenboog centraal stonden.

De kathedraal op de Plaza de Armas in Cusco staat tussen twee kerken in, rechts de Triomfkerk en links de Jezus-en-Mariakerk. In de Triomfkerk liggen de stoffelijke resten van de half inca, half Spaanse kroniekschrijver Garcilaso de la Vega, in een glanzend hoofdaltaar. Zijn verrassende kroniek van de incastaat geldt als de officiële versie van de zijde van de inca's die binnen honderd jaar (1438-1534) een uitgestrekt imperium wisten te vestigen.

Het interieur van de kathedraal bevat verblindend veel bladgoud en zilver. Er hangen wel 400 schilderijen van de Cusco-school. Een ervan, een kruisiging, wordt aan Van Dyck toegeschreven. Fraai is de kerk La Merced, met een klooster met een even mooie kruisgang. Toppunt van integratie is de Coricancha - de zonnetempel van de inca's waar de Spanjaarden de Santo Domingo van maakten. Legendarisch zou het gehalte aan edele metalen van de Coricancha zijn geweest. Op de basis van dit incamonument lieten de dominicanen hun barokke bedehuis en klooster verrijzen. Opvallend is dat de muren van de inca's opeenvolgende aardbevingen ongeschonden doorstonden en de Spaanse van latere tijd zwaar werden beschadigd.

Cultuur leek in Peru geen kwestie van de sterkste die overwint. De krachtige incabeschaving bezweek uiteindelijk tegenover de zwakkere Spaanse civilisatie. De technieken van de inca's waren dan wel weergaloos imponerend, maar ze moesten het afleggen tegen het superieure wapengekletter van de Spanjaarden. Veelbetekenend is dat het na de komst van de Spanjaarden snel bergafwaarts ging met Peru. Als onderkoninkrijk van Spanje verviel het in interne twisten en oorlogen. Anno Domini 2003 verkeert het op het tragische niveau van een derdewereldland.

Hoewel de directe omgeving van Cusco veel biedt aan archeologische opgravingen, is met name de iets verder gelegen Heilige Vallei, geklemd tussen hoge bergen, een interessante regio waar de Andescultuur volop heerst. Beneden kronkelt de rivier de Urubamba, die in de Amazone uitmondt. Het dal ligt op 2900 meter hoogte en is warm en vruchtbaar. Gods majesteit is in dit deel van de schepping nadrukkelijk voelbaar. In de diepte prijken koloniale plaatsjes zoals Pisac, Ollantaytambo en Chinchero, bekend om hun kleurrijke markten, waar meisjes in hun korte hoepelrokjes, gebreide kousen en met platte hoeden op hun hoofd voor een paar centen met hun lama's poseren.

Verspreid in en langs de randen van de vallei liggen inca-opgravingen. Ook hier valt weer te zien hoe vernuftig en vooruitstrevend de inca's waren. Tegen de steile hellingen legden ze door middel van terrassen een ingenieus watersysteem aan dat tot op de dag van vandaag wordt gebruikt. Met de terrassen werd erosie voorkomen en konden gewassen zoals maïs worden geteeld. Wie weet dat de hedendaagse Peruaanse landbouwmethoden nog voor geen tiende het niveau van de inca's behalen, springen de tranen in de ogen. Die weet namelijk ook dat een op de vier Peruanen honger lijdt in een land dat in theorie kan baden in melk en honing. Bij Ollantaytambo (op 2846 meter) houwden de inca's een profiel van een god uit in een bergwand. Het inca-overblijfsel hier is genoemd naar de incageneraal Ollanta, die een legendarische liefde had opgevat voor de dochter van de negende incakeizer, Pachacutec.

Geen enkele overlevering rept over de raadselachtige stad Machu Picchu - de inca's kenden het schrift niet. Als om halfzeven in de ochtend de trein in Cusco toetert, is dat voor zijn dagelijkse vier uur durende rit naar Aguas Calientes (hete wateren) aan de voet van het Peruaanse heiligdom. De diesellocomotief slingert zijn treinstellen op sensationele wijze door een groot dal langs de bruisende Río Urubamba. Het landschap verandert gaandeweg - de bremstruiken leggen een gele gloed over het dal, het nevelwoud met z'n orchideeën komt in zicht. Bergen rijzen aan weerszijden van de spoorlijn op.

Vanaf halfzeven in de morgen gaat elk halfuur een bus via een modderige kronkelweg naar boven. Na 25 minuten stopt die bij de ingang van Machu Picchu. Het is veel indrukwekkender dan de plaatjes konden voorspellen. Een droom, aldus Harold Bingham die Machu Picchu (oude berg) in 1911 in de jungle ontdekte. Nog steeds is onduidelijk welke functie deze incastad had. Waarschijnlijk vervulde zij een louter ceremoniële rol. Het is een hele klim naar de Hut van de Schatbewaarder, die een goed overzicht biedt over Machu Picchu. De natuur harmonieert uitzonderlijk met de oude bouwwerken, ondanks dat het krioelt van de toeristen tussen de ceremoniële baden, de zonnetempel, de sacristie en het 'industrieterrein'.

Een uur gaans van Machu Picchu bevindt zich de Poort van de Zon. Van hieruit dient zich een panoramisch uitzicht aan. Met grandeur ligt Machu Picchu ingebed tussen de groene coulissen van markante bergkegels. Zodra er regen dreigt, komt de omgeving in een mistige sluier te hangen, iets wat een apart effect heeft op Machu Picchu.

Om het uur in de namiddag daalt de bus af naar beneden. Hernán, een jongetje van veertien in een rode incatuniek, staat bij elke bocht op de bus te wachten en roept dan "goodbye". Als een razende snijdt hij de bochten af en rent hij naar beneden, stapt onderaan in de bus en incasseert de fooien. Dit doet hij twee keer per dag, vertelt hij. Hij mag het geld zelf houden.

Als de avond valt, boren de koplampen van de locomotief zich een weg in het duister. Eenmaal bij Cusco wiegt de trein al zigzaggend vooruit, achteruit, vooruit, achteruit en nog eens van de bergen af naar het station beneden, naar de beschaafde wereld, waar in 1572 de laatste incakeizer, Túpac Amaru, om het leven werd gebracht. Zijn roem leidde in 1979 tot de oprichting van de guerrillabeweging Túpac Amaru (MRTA), die in de jaren tachtig en negentig samen met het Lichtend Pad en het leger Peru in een periode van bloedig geweld stortte.

De bedoelingen van de Spaanse kolonisator richtten zich op de schatten van de Nieuwe Wereld, waar zij het Eldorado dachten aan te treffen. Inherent aan de verovering van het continent was dat de inca's Jezus Christus als Verlosser werd opgedrongen, een taak die met name voor de franciscaners was weggelegd. De manier waarop de religieuze onderwerping gebeurde, verdient geen navolging. Oude rituelen werden hardhandig aangepast aan Christus, Maria, heiligen en engelen. Veelzeggend is dat de laatsten werden afgebeeld als gewapende Spaanse krijgers met vleugels op de rug.

Met die wetenschap in het achterhoofd rijzen vanzelfsprekend vragen over de huidige zending en missie. Is er op dat vlak geen sprake van zelfbevrediging en naar binnen gerichtheid, puur vanuit de westerse traditie? Hoe brengt evangelisatie balans in een cultuur waar corruptie en liegen tot norm zijn verheven en waar de promiscue levenswandel (dat wil zeggen vrij seksueel verkeer tussen mannen en vrouwen) als gemeengoed geldt?

Naar verluidt ontvangt de RK-Kerk enorme inkomsten uit de verhuur van het Monasterio-klooster bij Machu Picchu aan een Belgische hotelier. Het meeste verdwijnt in de zakken van de clerus. Ook van pinksterkerken en andere denominaties is het de vraag of ze zorgvuldig met geld omgaan. Die twijfel gaat gelukkig niet op voor de priesters en predikanten die integer bezig zijn in de verpauperde dorpen en steden van Peru. Want dat er hoopgevende projecten zijn, staat onbetwist vast. Dat geldt voor zowel het door Nederlanders gerunde Niños Hotel in Cusco, waar 250 extreem verwaarloosde kinderen een verantwoorde dagopvang krijgen, als voor verschillende projecten van de Presbyteriaanse Kerk in heel Peru.

Honger stillen biedt geen soelaas

De vuilnishopen die als een gordel om Oasis de Villa liggen, bieden een troosteloos aanzien. Nog geen tien jaar geleden vestigden honderden mensen van buitenaf zich op deze plaats, de beloofde oase in de woestijn van het leven waar eens hun bloemen zouden bloeien, zo geloofden ze. Voor velen pakte de werkelijkheid heel bitter uit. Een derdewereldstad als Lima kent namelijk geen enkel pardon en laat elke illusie genadeloos verdampen.
Een enkeling in Oasis de Villa heeft het volgens Peruaanse maatstaven best ver geschopt en carrière gemaakt. Tot hen behoren de broers Alejandro en David Solana, solide en nijvere mannen uit het noorden van Peru. Alejandro woont met zijn gezin in een groot huis van steen. Toen hij vanuit Cajamarca in Oasis de Villa arriveerde, zette hij met triplex een pand in elkaar en begon hij een handeltje in plastic keukenspullen.

David timmert en verkoopt meubels en zit er ook redelijk warmpjes bij. Alejandro is leider van een kleine groep presbyteriaanse christenen die elkaar in de diaspora van Oasis hebben opgezocht en daar een kerkje onderhouden. Hij is zich bewust van de noodzaak om als christenen de handen ineen te slaan: "We moeten onze diaconale identiteit manifesteren door aanwezig te zijn in de samenleving."

Het plan is nu met behulp van te verwerven gelden een kleine onderneming te starten in Oasis om werk en inkomsten te genereren. Verder zal de bestaande gezondheidspost worden uitgebouwd, zodat nog meer mensen een cursus eerste hulp kunnen ontvangen, bijvoorbeeld van de enthousiaste medicijnenstudente Jessyca Emilia Llacsahuanga Alfaro.

David, hoofdschuddend: "De gezondheidssituatie in deze wijk is echt belabberd. We hebben geen stromend water. De bevolking is ondervoed of ziek. De honden en katten brengen via het afval dat zich aan de rand van onze wijk opstapelt, parasieten over. Let wel, geen enkel overheidsinstelling helpt ons. We moeten het zelf doen."

In het park van Oasis zijn evenwel van regeringszijde voorzichtige initiatieven merkbaar. De nieuwe regering van president Toledo heeft 45.000 'Melkertbanen' in het leven geroepen. Krap 3 euro per dag verdienen mannen en vrouwen die kruiwagens water aansjouwen en bomen planten. Moses Carhuallangui is een van de lokale autoriteiten in Oasis. Hij runt een café waar je kip met rijst kunt eten. Uitkijkend op de bedrijvigheid in hartje Oasis vertelt hij dat de wijk in 1994 is opgericht. Men ontvluchtte het platteland wegens armoede en terreur van het Lichtend Pad en het leger.

Wonen in de stad betekende voor de nieuwkomers een enorme omschakeling. "We waren de landbouw gewend en hadden een heel ander levenspatroon. Zelfs ons eten was anders. Lima betekende een radicale verandering. Hier is geen water, terwijl we daar de natuur hadden. Hier is er een ander soort armoede dan op het platteland, het is veel harder. Er is nauwelijks werk. We moesten zelf wel iets organiseren, omdat er anders helemaal niets gebeurt."

Elk huizenblok in Oasis heeft een leider die tegelijkertijd als bewaker fungeert. Hij rapporteert en let op. Als er een jongere aan de drugs gaat, wordt er met de ouders gepraat. Banen voor de jeugd ontbreken, zegt Moses, wijzend op jongeren die doelloos rondhangen. "Dan krijg je al snel de tendens tot crimineel gedrag."

De arts Segundo Carpio Tavara is gespecialiseerd in de chirurgie. Hij was als kinderchirurg verbonden aan het Kinderziekenhuis van Lima. Hij ondersteunt van harte het plan om de gezondheidspost in Oasis een stevige injectie te geven. In zijn kantoor met op de achtergrond een provisorische operatietafel doet hij op sobere toon zijn visie uit de doeken. "Ik werk in Oasis de Villa als parttime arts. Daarmee kies ik bewust voor gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. Ze hebben geen water, geen riolering, geen geld, geen elektriciteit en ze zijn ondervoed. Het is veel moeilijker een ziek ondervoed kind te genezen dan een ziek kind dat wel altijd goed te eten heeft gehad. Je treft bij deze mensen vooral infectieziekten, luchtwegaandoeningen en parasieten aan - huisdieren brengen die laatste over. Deze bevolkingsgroepen die grote risico's lopen, nemen in ons land snel toe. Er heeft ontvolking van de "sierra" (bergen) plaats. Alles trekt naar de grote stad Lima. Toch wil niemand terug, ook al vinden ze hier niets. Ze hebben hier nog wat afleiding."

De mensen in de sloppenwijken zijn in de eerste plaats bezig met overleven, zegt de door idealen gedreven medicus, die in het verleden twee jaar op het platteland aan een proefschrift werkte over de ontwikkeling van de gezondheid van kinderen op 4000 meter hoogte. "Het huis, het werk, onderwijs, eten en kleding komt bij de sloppenbewoners pas op de tweede plaats. Ze verwaarlozen hun gezondheid. Kinderen worden gedwongen te werken op een leeftijd die niet bij ze past. Weinigen maken hun studie af. Ouders vinden werk belangrijk. Dat levert tenminste wat op. Van staatswege zijn er onvoldoende instellingen waar deze mensen met hun gezondheidsproblemen terechtkunnen. Het is hoog nodig juist in wijken als Oasis de Villa medische posten in te richten en daar continu aanwezig te zijn."

Voorlichting is heel belangrijk in de Peruaanse samenleving, argumenteert Carpio. "Wie permanent onder die grote risicogroepen verkeert, kan daar trouwens best wat bereiken. Ook al vereist het veel geduld. Je moet de noden van de mensen zien te achterhalen, de mensen vragen wat ze willen om vervolgens samen aan iets bouwen. Ze vechten om te overleven. De overheid in Peru wil als eerste de honger stillen door middel van voedselprojecten zoals het verstrekken van een glas melk op school of rijst aan gaarkeukens.

De honger stillen is slechts onrust verzachten en biedt daarom nauwelijks soelaas", stelt Carpio. "Het gaat er juist om structuren te wijzigen. Onze regering heeft echter nauwelijks geld over voor de zorgsector. Op de begroting staat slechts 5 procent voor de zorg. Dus er gebeurt niets. Er overlijden dagelijks mensen aan iets waar ze misschien helemaal niet aan hoeven te overlijden. De infrastructuur in de zorg is onvoldoende. Ziekenhuizen in het binnenland kunnen lang niet alle ziekten behandelen. Artsen worden bovendien niet gestimuleerd in het binnenland te werken. Ze blijven liever hier in de stad of gaan naar het buitenland. Daar verdienen ze namelijk in korte tijd meer geld dan in Peru. Gelukkig komen er ook weer medici terug na een specialisatie in het buitenland. Het hangt van de politiek af of daar verandering in komt."

Nog zoiets: sterilisatie. De minister van Gezondheidszorg, Fernando Carbone, onthulde vorig jaar dat in de periode 1996-2002 zo'n 215.000 vooral inheemse vrouwen in de Andesprovincie tegen hun zin en met een bepaalde dwang zijn gesteriliseerd. In het kader van de politiek van gezinsplanning en geboortebeperking had de toenmalige regering van president Fujimori in 1996 vrijwillige sterilisatie tot speerpunt van haar nogal rigoureuze beleid verheven.

Een nader onderzoek wees uit dat slechts 10 procent van de 215.000 gesteriliseerde vrouwen de ingreep vrijwillig heeft ondergaan. Ook bleek dat de regering op de hoogte was van de misdadige praktijken. Ziekenhuizen en klinieken kregen sterilisatiequota opgelegd. Gezondheidswerkers ontvingen een bonus wanneer ze vrouwen over konden halen om zich te laten steriliseren, een aantrekkelijk idee voor een land waar het gemiddelde loon minder dan 100 euro per maand bedraagt. "Sterilisatie gebeurde onder dwang. Als een vrouw weigerde zich te laten steriliseren, werd er gekort op haar eten", bevestigt Carpio.

Volgens een Amerikaanse bron hielp het VN-bevolkingsfonds UNFPA Peru het programma uit te voeren. Verscheidene Peruaanse artsen hebben toegegeven dat personeel van de VN tijdens de periode 1996-2002 bij het ministerie van Gezondheid werkte. Van gedwongen sterilisatie is volgens Carpio thans geen sprake meer. "Er is in Peru meer aandacht gekomen voor voorlichting en gezinsplanning. Ook is er gratis hulp voor moeder en kind beschikbaar."

Abortus is in het overwegend rooms-katholieke Peru officieel verboden. Carpio, die tegen abortus is, sluit niet uit dat er sprake is van abortustoerisme naar andere landen, vooral van de gegoede klasse. "Er hebben ook veel illegale abortussen plaats. Veel vrouwen overlijden aan zo'n illegale ingreep of komen alsnog door de gevolgen ervan in een ziekenhuis terecht. Verder zijn er ziekenhuizen waar hele zalen dienen voor abortusdoeleinden. Abortusartsen verdienen er goed aan."

Ontevreden is Carpio over de kwaliteit van seksuele voorlichting in zijn land. Talloze tienermeisjes raken in verwachting van een kind. Promiscue gedrag, vrij seksueel verkeer tussen mannen en vrouwen, blijkt eerder regel dan uitzondering. In de protestantse kerken wordt bijvoorbeeld vaak op een dubbele manier omgegaan met vrouwen die kinderen van verschillende mannen hebben. Enerzijds wordt er tucht toegepast, anderzijds komt het zoveel voor dat niemand er echt van opkijkt. Op het seksuele vlak bestaat veel onwetendheid. Het is helemaal niet vreemd wanneer een verstandelijk gehandicapte vrouw van 20 jaar wordt gefeliciteerd omdat een onbekende man haar zwanger heeft gemaakt.

Hoewel dokter Carpio vindt dat de Peruaanse gezondheidszorg zwaar ziek is, heeft hij de hoop niet volledig verloren. "We moeten werken en doen wat we kunnen. Op die manier kun je veel levens redden. Je kunt vermijden dat kinderen worden mishandeld door bij de overheid aandacht te vragen voor dit probleem. Bij mishandeling kan tegenwoordig aangifte worden gedaan. Het is een wat langere procedure, maar het werkt. Kinderbescherming krijgt meer aandacht, net als vrouwen die mishandeld worden in hun huwelijk. Kijk, dat is winst."

Carpio heeft heel wat trieste en miraculeuze dingen de revue zien passeren. Hij maakte mee dat een kind met brandplekken en botbreuken het ziekenhuis werd binnengedragen. Volgens de moeder was haar kind gevallen. Maar Carpio vermoedde dat er wat anders achter zat. Hij maakte snel foto's voor mogelijke bewijsvoering van een aanklacht. Het kind was zo ernstig toegetakeld dat het later aan de gevolgen ervan overleed. Een ander geval was een kind (van een agent) dat per ongeluk een revolver liet afgaan. De kogel ging bij de borst naar binnen en kwam er bij de buik er weer uit. Het overleefde wonderbaarlijk.

Peru heeft zoveel mogelijkheden, waarom dan deze jammerlijke situatie die een krant ertoe doet besluiten een actie te voeren voor de behoeftigen aan de andere kant van de Grote Oceaan?

Er komt een melancholieke blik in de ogen van dokter Carpio. "Helaas hebben we alleen bestuurders gehad die het volk hebben vergeten. In hun grote egoïsme zorgden ze eerst voor zichzelf. Ze vulden hun eigen zakken en verrijkten zich. Ze keken naar het buitenland en vergaten het eigen land, dat ze ten diepste niet kennen. Zelfs president Toledo, van arme indiaanse komaf, is gevangene van de mensen die het vanouds voor het zeggen hebben - onze oligarchie. Ik betreur het dat ons land zich niet van dit kwaad heeft kunnen bevrijden. Deze houding brengt Peru aan de rand van de afgrond. Het egoïsme van de heersers is zo groot dat het ze niet uitmaakt of er honderden mensen sterven van de honger of niet. Wat dat aangaat heeft Peru wel het grootste gebed om genezing nodig."

RD-actie Peru brengt 328.000 euro op

De eind vorig jaar gestarte RD-actie voor Peru heeft 328.000 euro opgebracht.
Het via redactionele artikelen en advertentiepagina's bijeengebrachte bedrag komt ten goede aan slachtoffers van de guerrillabeweging Lichtend Pad.

Peruaanse presbyteriaanse kerken helpen binnenlandse vluchtelingen zich opnieuw te vestigen. Bijzondere aandacht is er voor de herintegratie van weduwen en wezen in de maatschappij, alsook voor het creëren van mogelijkheden om zichzelf een inkomen te verwerven. Bijzonder oog bestaat er verder voor degenen die niet in de overheidssteun delen.

Het werk gebeurt in samenwerking met presbyteriaanse kerken die de Westminster Confessie onderschrijven. Als hoofdproject geldt hulp aan dorpen in de omgeving van Ayacucho. Een nevenproject is gesitueerd in Lima.

Er leeft weer hoop in Culluchacca

De inwoners van het Peruaanse bergdorp Culluchacca zijn blij. En die in Huayllay ook. De in 2003 afgesloten RD-najaarsactie maakt het hun mogelijk een nieuw bestaan op te bouwen. Na alle door de guerrillabeweging Lichtend Pad aangerichte ravage en moordpartijen. De dorpelingen hanteren van horens gemaakte muziekinstrumenten om een Nederlandse 'inspecteur' welkom te heten. Ze laten hem hun ingezaaide akkers zien, het vee, de nieuwe daken op hun huizen en de school. Ze tonen hun dank. Zoiets leidt bijkans tot schaamte. Een christen antwoordt daarom: Als jullie iemand willen prijzen, dank dan vooral God.
Tal van bedrijven steunden de geldwervingsacties van het Reformatorisch Dagblad voor resocialisatie en herhuisvesting van slachtoffers van het Lichtend Pad in Peru. Redactionele artikelen zorgden voor brede informatie. Het resultaat bedroeg 328.000 euro. Daarmee valt in een arm land veel te doen.

De uitgekozen projecten in de dorpen in de Andes -in de buurt van de stad Ayacucho- richten zich op inkomensverwerving, zorg voor christelijk onderwijs, medische zorg, reparaties aan huizen enzovoorts. Met bijzondere aandacht voor de achtergebleven weduwen en wezen. Alles in samenwerking met Ayni, een door presbyteriaanse christenen gedomineerde regionale organisatie. Gekwalificeerde Peruanen -mensen die de lokale taal, het Quecha, spreken- waren bereid in de bergen te gaan leven en de projecten te coördineren.

Open

Er is sprake van een druppel op een gloeiende plaat. Maar die druppel heeft een mooi effect. In de dorpen valt duidelijk waar te nemen dat de mensen veel opener zijn dan tweeënhalf jaar geleden. Er is sprake van mentaliteitsverandering. De mensen laten blijken weer hoop te hebben en gaan hun eigen verantwoordelijkheden dragen. De hulpverleners hebben tot taak een klimaat te scheppen waardoor de mensen zelf verder tot ontwikkeling kunnen komen.

En dat lijkt gezegend te worden. Wat er van de grond komt, houdt niet op zodra de Nederlandse fondsen zijn opgedroogd. De mensen in de dorpen komen verder dan de eerste hulp.

Nadat de oorspronkelijke plannen bekend werden in de dorpen, kwamen er veel reacties los. "Wij hebben die brieven niet als probleem willen zien", zegt de directeur van Ayni, ds. Luiz Ruiz, "maar als een signaal dat de bewoners van de dorpen het accepteerden om samen met ons iets te gaan doen." Acceptatie is namelijk in de zwaar door het geweld van Lichtend Pad getroffen bergdorpen niet vanzelfsprekend. Het wantrouwen tegen al wat van buiten komt, is diepgeworteld.

In een van de dorpen woont een blinde vrouw, Basilea. Ze maakt juist haar maaltijd klaar: bonen en aardappelen. Ze woont in een heel klein huisje met een nieuw dak. Ze herinnert zich nog heel goed hoe in de tijd van de opstandelingen de dood ieder uur wenkte. Op de vraag "Hoe gaat het met je?" antwoordt ze: "Goed. Want God helpt en beschermt mij dag en nacht. Hij leert ons dat we ons af moeten vragen wat werkelijk belangrijk is."

Vlaggetjes

De dorpsstructuren in Huayllay zijn iets hechter dan in Culluchacca. De vijand verwoestte er minder huizen. Wel hebben de guerrillastrijders er circa 65 mensen gedood. De dorpsgemeenschap ontvangt de mensen die haar na die ramp hielpen -de wederopbouw is in volle gang- vlak voor de presbyteriaanse kerk. Ook kleine kinderen doen mee. Ze bieden vlaggetjes aan en zingen liedjes. Een oudere man vraagt als vertegenwoordiger van de dorpsgemeenschap dank over te brengen. "Wij zijn arm, maar blij dat u ons als gelijken behandelt."

Een vrouw van middelbare leeftijd zegt: "We waren zonder hoop, dachten dat alleen de dood nog wachtte. Maar jullie hulp is geweldig." Zelfs een jongeman probeert zijn sympathie te betuigen. Hij werd stom -dat is nog erger dan sprakeloos- bij het lichaam van z'n door de terroristen doodgeschoten vader. Later overleed ook z'n moeder. Ze verongelukte toen ze bezig was haar werk te doen om haar gezin te onderhouden.

Eigen verhaal

Vooral de weduwen zijn geholpen met nieuwe daken. De ijzeren golfplaten zijn niet te vergelijken met westerse pannen. Maar nu hoeven de vrouwen in elk geval niet elke twee jaar hun grasdaken helemaal te vernieuwen. Andere huizen kregen echte kozijnen voor ramen en deuren. Iedere weduwe heeft haar eigen verhaal. Ayni is bezig deze persoonlijke levensgeschiedenissen op te sporen en te bundelen met de bedoeling om ze een keer uit te gaan geven.

Evenals in Culluchacca wacht ook in Huayllay een goed maal eten met aan één stuk gebraden cavia's, zoete aardappelen en op hete stenen onder de grond gekookte aardappels in de schil. Een heerlijk maal. Althans voor de liefhebbers. In dit dorp profiteren ook de niet-presbyterianen van de hulp. Desondanks komt de burgemeester vragen om uitbreiding van de projecten.

Sociaal gevoel

Bij het project dat het verwerven van een inkomen tot doel heeft zijn niet alleen weduwen, wezen en kinderen betrokken, maar het hele dorp. Het stimuleert het sociaal gevoel. Door natuurlijke mogelijkheden kon het onderdeel kleinvee worden geïntegreerd. Landbouwers stellen een deel van de akkers ter beschikking voor de productie van groenvoer.

Er was wel sprake van problemen, onder andere met het eigendomsrecht op landerijen. Hoewel dat Nederlandse woord eigenlijk te weids is voor de akkers in de bergen. Traditioneel is het land verdeeld onder de families die eigenaar zijn. Een bepaalde familie is eigenaar van een bepaald stuk land. Dat is niet juridisch geregeld, maar traditioneel. Toen degenen die hun dorp ontvlucht waren weer terugkwamen, werd de kwestie actueel. Wie nog kon bewijzen dat hij eigenaar was? Dat bleek onmogelijk. Het leidde ertoe dat de hele dorpsgemeenschap eigenaar werd. Zaaien en oogsten gebeurde gemeenschappelijk.

Toen Ayni zijn project wilde beginnen, stelde het leiderschap van een van beide dorpen land beschikbaar. Dat project heeft inmiddels 5 hectare in productie. Eén hectare wordt gebruikt voor het kweken van een soort graan. De andere 4 hectare is in gebruik voor gras en ander diervoer.

Vooral wat oudere dorpsbewoners hebben moeite met het loslaten van de oude tradities. Dat heeft maandenlang discussies opgeleverd. Uiteindelijk hebben de traditionele eigenaars -die dus niet eens meer wisten wat precies van hen was- gezegd: Doe het dan maar. Een van de oorzaken achter deze toestemming was dat Ayni een groep van deze tegenstanders heeft meegenomen naar een vergelijkbaar universiteitsproject. Daar zagen de dorpsbewoners dat het werkte.

Water

Er ontstond nog een ander probleem. Een naburig dorp weigerde water af te staan. In Huayllay kwamen de mensen -min of meer na het geweld- tussen 1998 en 2000 terug naar hun dorp. Tien jaar eerder hadden

ze hun in de bergen gelegen akkertjes verlaten. In die tijd leidden andere 'gemeenschappen' hun water om. Toen de mensen terugkwamen in

de dorpen, zeiden die anderen: Blijf van dat water af, het is van ons. Overigens speelden er in Culluchacca soortgelijke problemen. Ayni heeft toen gezamenlijke vergaderingen belegd met een aantal dorpen om conflicten te voorkomen. Die bijeenkomst leidde niet tot het gewenste resultaat. Toen is de overheid erbij betrokken geraakt.

Een en ander heeft er onder andere in geresulteerd dat er gras is gezaaid in een gebied waar geen sprake was van kunstmatige watertoevoer. Het gras groeit goed en gaat in de droge tijd niet dood. De groei staat dan echter stil totdat de nieuwe regen komt. De dorpsgemeenschap heeft in elk ge-

val geleerd dat het daadwerkelijk mogelijk is iets nieuws aan te pakken wat voorheen nog onbekend was in het dorp.

Kleine leningen

Hoe beter het nu met de akkers gaat, des te meer mogelijkheden er ontstaan voor het fokken van kleinvee. Hiervoor worden bescheiden leningen verschaft en wordt graszaad beschikbaar gesteld. Een gezin kan dat gebruiken om schapen, geiten, koeien, cavia's en konijnen te fokken. Als een dierenpaar voor nakomelingen heeft gezorgd, gaat het bewuste gezin met de jongen door. De ouderdieren gaan naar een ander gezin. Daar herhaalt het feest zich. Verder is er sprake van cursussen over het fokken van vee.

Een ander project dat de dorpelingen een inkomen moet verschaffen betreft het kweken van bloemen. Er zijn duizenden anjerachtige planten verstrekt die als sierbloem fungeren. Na een halfjaar lijkt het erop dat deze bloemen in het nabijgelegen Huanta op de markt kunnen worden gebracht. Zo is er sprake van winst. Verder heeft Ayni diverse onderwijzers gecontracteerd. De kinderen in de dorpen krijgen onderwijs in christelijke waarden en normen. Eigenlijk is dat een taak van de kerk. Maar de ambtsdragers in de dorpen zijn daar niet toe bekwaam. Het leiderschap ontbreekt. Daarom schakelt Ayni hierbij echte onderwijzers in.

Zo gebeuren er veel dingen met goed Nederlands geld. Ook op het gebied van medische zorg en hygiëne. En de bewoners van de bergdorpen tonen zich dankbaar.

Vluchtelingen in Lima leren weer werken

Diodora Maslucan is nog even trouw bezig als tweeënhalf jaar geleden. Vanuit het kerkgebouwtje van de presbyterianen in de wijk Cooperativa Huancayo van de Peruaanse hoofdstad Lima werkt zij onder jongeren. Op een willekeurige dag zitten een stuk of tien jongeren en tal van volwassenen bij elkaar. In een gezelschap van vroegere bendeleden gaat de Bijbel open. Er zit bepaald spanning in dit werk. Sommige jongeren keren terug naar het criminele circuit. Maar er is ook sprake van zegen op de in 2003 afgesloten RD-najaarsactie voor de slachtoffers van de guerrillabeweging Lichtend Pad.
Door het terrorisme sloeg de bevolking massaal op de vlucht. Al snel bleken vluchtelingen allerlei sloppenwijkachtige voorstadjes tegen de hoofdstad aan te bouwen. Die groei leidt tot sociale en infrastructurele problemen. Het ontbreekt de bewoners niet alleen aan werk, maar ook aan eten, medische zorg, onderwijs en ga zo maar door. De projecten richten zich op de allerarmsten.

In de wijk Oasis de Villa gaat het om het opzetten van een gezondheidsproject en van een klein bedrijfje. In

Cooperativa Huancayo blijken jongerenopvang en scholing in technische beroepen -met het daarbij behorende lesmateriaal- van groot belang. Als ze geen baan kunnen vinden, lonkt immers de misdaad. In de wijk Luis Pardo is sprake van verbetering van een gaarkeuken en het creëren van ruimte voor kinderopvang. In de wijk Sinai gaat het om de opvang van kinderen en van bejaarden die aan hun lot zijn overgelaten. De coördinator van het project is Gustavo Fonseca. Hij is diaken in de al jarenlang bestaande plaatselijke presbyteriaanse Bethelgemeente.

Positief

In Cooperativa Huancayo hebben diverse jongeren hun schoolpapieren behaald. Andrea doet een laborantenstudie en kan vrij snel na het afronden daarvan aan het werk. Daniel heeft geleerd voor kleermaker. Hij begint binnenkort met een baan. Gladys -zestien jaar, met een kind van twee jaar; door verkrachting- leert voor industrieel naaister.

Ouders constateren dat de kerk iets voor hun jongeren doet en tonen interesse in haar boodschap. Moeder Carmen de Gracia is op deze manier bij de kerk terechtgekomen. "Voordat ik God kende was het leven een hel. Doordat Franklin bij de kerk kwam, ben ik er ook bij gekomen." Franklin is inmiddels gedoopt. Carmen heeft ook gevraagd gedoopt te mogen worden.

Signoretta Marielle is uitgenodigd door een vriend om naar de kerk te gaan. Ze heeft ook een opleiding gevolgd. Ze is intussen zondagsschooljuf. Op de opmerking: Je kunt wel een relatie hebben met de kerk, maar het is nodig een Zaligmaker te kennen, antwoordt Norma: "Ja, zo moet het wel zijn."

Coöperatie

Hoe raken mensen aan het werk in de wijk Oasis de Villa? Enkele be-

woners -leden van de lokale presbyteriaanse kerk- hebben een vereniging opgericht en bedrijven een soort

coöperatieve samenwerking. Met het door de RD-actie gegeven geld heb-

ben ze eerst geïnvesteerd in een opleiding in management en marketing. Daarna hebben ze samen een bedrijfje opgezet dat plastic en ijzeren meubilair -stoelen, wasmanden, hoekkastjes enzovoorts- worden verkocht. Dat draait goed. Gustavo fungeert als adviseur.

Verder is er een echtpaar dat van een lening naaimachines heeft gekocht en nu kleding vervaardigt. Wie bij het bezoek ter plekke ziet in wat voor een huis die kleding vorm krijgt -het hangt van hardboard en golfplaten aan elkaar- begrijpt niet hoe het mogelijk is dat alles schoon blijft. Maar het bedrijf functioneert. Het levert aan twee winkels in de stad.

Gaarkeuken

De presbyteriaanse kerk helpt in de wijk Luis Pardo al meer dan twintig jaar met een gaarkeuken. Ze kreeg het terrein waar het huidige gebouwtje op staat -en waar verder gebouwd moet worden- te leen van het gemeentebestuur.

Nu zit een buurvrouw juridisch gezien onrechtmatig op het terrein van de kerk. Ze woont er al meer dan

tien jaar illegaal. En ze valt er niet weg te krijgen. De 'dame' begint nu deze en gene bij de politie aan te geven wegens seksuele intimidatie. Corruptie viert nu eenmaal hoogtij in Peru. Maar Gustavo verwacht dat het probleem binnen enkele maanden is opgelost.

Er valt nog veel meer te vertellen. Dat kan niet in dit bestek. De financiële actie van het RD was niet tevergeefs. Hier en daar was een strubbeling. Maar dat valt te verwachten in de derde wereld. Het is een wonder om te zien hoe mensen aan het werk gaan. En hoe de presbyteriaanse kerk daarin dienstbaar is.