Donaties

Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.

Stort uw giften op:
giro: 29.70.700 

of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)

ten name van

Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.

Erdee Media Groep

Zoeken

Pakistan 2000

Actie Pakistan 2000: Aan onze abonnees

pakistan.jpgLeven in Pakistan is niet gemakkelijk. Leven als christen in Pakistan is bijna onmogelijk. Pakistan is een land waar de islam de toon zet. Slechts 1 procent van de bevolking durft zich (meer of minder) openlijk christen te noemen. Christen zijn betekent verachting en verschopping; christenen tellen niet mee, krijgen het minderwaardigste werk.

De meeste christelijke gezinnen leven op of onder het bestaansminimum en onder hen is het percentage ongeletterden groot. Een op de twaalf christenen kan lezen en schrijven. Op de openbare -lees: moslim- scholen wordt om een ouderbijdrage gevraagd die te hoog is voor christenen.Het meest trieste is dat een analfabeet nauwelijks toegang heeft tot het Woord van God. Verstoken blijft van de rijkdom van dat Woord. Gemakkelijk meegevoerd kan worden met alle wind van leer.Om dat Woord -menselijkerwijs gesproken- toch vaste grond te geven, zodat christenen ook christenen kunnen blijven, is het noodzakelijk dat mensen leren lezen en schrijven.

De Presbyteriaanse Kerk van Pakistan probeert kinderen en volwassenen aan de grens van Kasjmir en in het zuiden van het land, in de woestijn Cholistan, te leren lezen en schrijven.Naast zegen en meeleven hebben ze daadwerkelijk hulp nodig.Onder beding van Gods zegen kunnen wij hun mogelijkheden bieden.Daarom durven wij vrijmoedig een beroep op u te doen. Christenen in Pakistan hebben uw hulp nodig; broodnodig.

Met uw gift kan geweldig veel gedaan worden. Een christelijke handreiking. Hulp geeft hoop; als belijdend getuigenis: "Ik geloof een heilige, algemene christeli jke Kerk, de gemeenschap der heiligen."Stort alstublieft uw gift op gironummer 29.70.700 of op bankrekeningnummer 65.32.60.008 (ING Bank) van Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn (via deze stichting wikkelt het RD zijn acties af).

De directie

Aan de voeten van Seraphin

De kleine Nazir zit op de grond van een onooglijk schoollokaaltje. Zijn schoolboek is tot op de draad versleten. Hij woont in Dharr Flees Pur, een grotendeels door moslims bewoond dorpje in Noord-Pakistan, aan de grens met Khasmir. Zijn hele familie is ongeletterd. Juf Seraphin staat voor hem. Deze jonge vrouw houdt van haar kindertjes. Seraphin was zelf heel lang niet in staat te lezen en te schrijven. Ze weet wat het is afhankelijk te zijn van anderen, bedrogen te worden. Seraphin vertelt haar leerlingetjes ook uit het grote Boek. Over die ene en uniéke Profeet.
De harde cijfers liegen er niet om. Volgens de regering kan wel 40 procent van de Pakistani lezen en schrijven. De machthebbers in Islamabad gaan daar prat op. Vier van de tien onderdanen zouden in staat zijn goed de krant tot zich te nemen of zichzelf op papier uit te drukken. In deze streek van de wereld -Pakistan ligt ingeklemd tussen India en Afghanistan- is het analfabetisme groot. Mensen laten zich gauw wat op de mouw spelden en tekenen vaak arbeidscontracten op goed geluk. De contracten lezen kan menigeen niet, laat staan de kleine lettertjes ontwarren en begrijpen.

Deskundigen uit het onderwijs lachen om de cijfers van de regering. "Als een kwart echt lezen en fatsoenlijk schrijven kan is het veel", smaalt de directeur van een neutrale onderwijsorganisatie.

Er zit echter nog een addertje onder het gras. Uit statistieken blijkt nergens dat de ruim 130 miljoen Pakistani een christelijke minderheid kennen. Het vrijwel voluit islamitische land telt een paar procent hindi en minder dan 1 procent christenen. Juist onder de christenen is het percentage ongeletterden groot. Nauwelijks acht van de honderd christenen zijn in staat te lezen en te schrijven.

Bestaansminimum

De meeste christelijke gezinnen leven op of onder het bestaansminimum. Op de openbare -lees: moslim- scholen wordt om een ouderbijdrage gevraagd die te hoog is voor de meeste christenen. Juf Seraphin weet er alles van. Daardoor kon zijn aanvankelijk niet naar school. Voor de kleine Nazir lag dat al anders, omdat mede via de Presbyteriaanse Kerk van Pakistan een onderwijsprogramma is opgezet in die dorpjes waar een christelijke minderheid is. Deze kerk telt vooral leden onder de allerarmsten op het platteland . Daar bevinden zich acht van de tien kerkleden.

Het is de kerk er om te doen haar leden lezen en schrijven te leren. Dat mes kan aan twee kanten snijden. De leden komen op een sociaal hoger niveau en krijgen daardoor misschien betere banen. Ze worden niet meer bedrogen met gemene arbeidscontracten. Bovendien kunnen de leden straks zelf uit de Bijbel lezen en zijn ze niet meer afhankelijk van anderen om voorgelezen te worden.

Een uitgesproken voorbeeld van de diepe wens van christenen, en met name christenjongeren, vond ik in het dorpje Dholan Kalwano. Omdat er meer moslimkinderen op het schooltje zitten dan christenkinderen, vertelt de juf elke dag het bijbelverhaal na schooltijd. Voor de christenkinderen is dat een hele opgaaf, want die moeten thuis weer aan de slag om bij te verdienen. De juf vraagt of de kinderen die straks tapijt moeten gaan knopen hun vinger willen opsteken. Alle vijf de christenkinderen doen dat. En mogen deze meneer en die fotograaf met jullie mee om even te kijken hoe jullie dat doen? De kinderen, die netjes gaan staan als ze antwoord geven, knikken instemmend.

Tapijten

De juf legt in het Engels uit dat de christenen in het dorpje hun hoofdinkomsten hebben uit het tapijtknopen. Vanouds behoren de christenen tot de allerarmsten, tot de dienenden, tot het uitschot. Ze mogen vuil ruimen, mest scheppen of op het land werken, maar eigenlijk geen koeien houden. De wat grotere landeigenaren willen graag christenen in dienst hebben omdat ze betrouwbaar zijn. Tegelijk buiten de landeigenaren hen uit omdat ze niet kunnen lezen en schrijven. En... moet je zelf echt eerlijk zijn tegen een niet-moslim? Dat zou wel erg veel gevraagd zijn.

Het halve dorp loopt in een stoet achter ons aan als we naar het kleine huisje stappen. We vinden een weg door de straatjes, die tegelijk riool zijn. Het heeft wat weg van een hink-stap-sprongspelletje. Door de immense hitte is het riool niet alleen zíchtbaar aanwezig. We moeten langs een oud vrouwtje heen stappen die op een matje ligt te slapen. Haar zwarte haar zit vol henna. Als het straks is uitgeborsteld, blijft er een donkerrode gloed over. Dat is kennelijk de modekleur van het moment in Pakistan. Ook de handen van vrouwen en kinderen zitten vol met illustraties die er met henna op zijn aangebracht. Het is een goedkope manier van tatoeage en het is niet blijvend. In ons land zien we het ook wel bij moslimvrouwen.

Hartelijk

Bij een van de kinderen thuis worden we hartelijk ontvangen. De kleintjes springen direct achter het instrument waarmee het tapijt geknoopt wordt. Het is een bekrompen en warm plekje, waar de knoopsters in een nare houding zitten. Een oudere zus, de 22-jarige Lubna Sardar, legt uit hoe het werkt. De tekeningen van de zakenman met wie ze een contract afsloten komen erbij. Het wordt een klassiek, Perzisch ogend tapijt.

Het hele gezin werkt met zeven man een jaar lang aan het tapijt. De schoolkinderen wisselen de andere zussen af als ze rond het middaguur thuiskomen. Er is van 's morgens zeven tot half één school in Pakistan.

Het tapijtknopen levert ongeveer 1200 gulden per jaar op. Dat is minder dan een gulden per dag per persoon. De armoe straalt van het gezin af, al is de woonkamer, die tegelijk keuken en slaapkamer is, heel proper. Alle potten, pannen en ander keukengerei staan op planken en tonen de 'welvaart'. Op het binnenplaatsje wordt gekookt. Hoofdgerecht is wat de daggelders van hun boer als fooitje krijgen.

Bijbel

Lubna kan, net als vier van haar zussen, niet lezen of schrijven. De zus die dat wel kan leest dagelijks voor uit de Bijbel, 's morgens en 's avonds. "Alleen uit het Nieuwe Testament", legt ze uit, want dat is het makkelijkst. Zondags gaat het gezin naar het kerkje. Lubna de tapijtknoopster wil zelf graag lezen en schrijven leren.

Maar waarom, Lubna, wil jij graag lezen leren? Wil je meer gaan verdienen in de stad? Of wil je ander werk gaan doen?

Lubna schudt heel vastberaden het hoofd. "Ik wil graag zelf uit de Bijbel gaan lezen, zodat ik daarin niet meer afhankelijk ben van anderen." Ze gaat door als ik vragend naar haar kijk. "Want in de Bijbel staat precies wat nodig is om God te kennen en om met Hem te leven. Daarom wil ik dat."

Het wordt een heel gesprek met Lubna. Ze begint over Abraham, over Jozef en over de profeten. "Maar als je zus alleen maar uit het Nieuwe Testament leest, hoe weet je dat dan allemaal? Lubna kijkt blij en zegt: We hebben een dominee die ook uit het Oude Testament preekt. Dat onthoud ik."

Ze vertelt wat de Heere Jezus voor haar betekent. "Ik heb leren zien dat Hij ook voor deze zondige vrouw gestorven is. Maar nu wil ik steeds meer over Hem weten en over God, de Vader. En ik wil over Hem vertellen aan mijn broers en zusjes. Want die moeten ook God leren kennen." De ongeletterde jonge vrouw zit op haar praatstoel, al staan we in de armetierige hut. Ze wil graag veel goeds over God vertellen en blijkt meer geestelijke diepgang te hebben dan menig geleerd mens.

Seraphin

Terug naar de klas van Seraphin. Zeventien jongens en meisjes zitten in een ruimte op een boerenerf. Het lokaal is vijf bij drieënhalve meter. Een propeller aan het plafond houdt het draaglijk. Een jonge leerling zit tegenover een oudere. Men leert elkaar lezen en schrijven in het Urdu, de taal van Pakistan. Het lijkt een beetje op Arabisch, met mooie krullen. De kinderen kunnen daardoor ook uitstekend ondersteboven lezen. De boeken zijn beduimeld, versleten door intens gebruik. Geld voor nieuwe is er nauwelijks.

Het alfabet hangt aan touwtjes aan de muur. Engels, de officiële taal van het land naast het voornamelijk gesproken Urdu, leren ze ook een beetje. Maar juf Seraphin, de bescheidenheid zelf met haar 22 lentes, begint daar niet aan tegenover zo'n oude blanke man. Ze drapeert haar enorme katoenen gele sjaal nog eens om haar hoofd als teken van respect. Ze draagt die sjaal altijd en gebruikt hem om tijdens het bidden om te slaan. Ook tijdens een kerkdienst hebben alle vrouwen het hoofd er mee bedekt. Tot in de restaurants toe bidden Pakistaanse christenvrouwen met iets op hun hoofd.

Voor in de klas is net plaats voor een stoel. Daar moet de bezoeker in. De vijf broers en zussen van Seraphin kunnen niet lezen en schrijven. Haar nu oude en zieke vader wilde echter dat zijn kleine meid dat wel zou leren. Hoewel het financieel moeilijk lag, lukte het. Seraphin zorgt nu met haar mager inkomen voor haar ouders. Pensioen of AOW is er niet bij voor de laagste inkomens in Pakistan.

ABES

De organisatie ABES (Vereniging voor basisonderwijs aan volwassenen) werkt onder de paraplu van de Presbyteriaanse Kerk van Pakistan. Juist deze organisatie kwam Seraphin op het spoor toen ze haar takenpakket uitbreidde naar de dorpjes. Seraphin staat model voor veel leerkrachten op het platteland. In de dorpjes zijn wel overheidsscholen, maar die vragen schoolgeld. Vooral christenen kunnen dat niet opbrengen.

Sinds in de kleine dorpjes christelijk onderwijs gegeven wordt, zijn er weer meer kansen dat christenen op kunnen krabbelen uit de onderste lagen van de samenleving. Maar ook om hun protestantse en christelijke identiteit te bewaren.

Seraphin legt uit: "We zijn als christenen een minderheid en vormen de onderste lagen van het volk. In sociaal en intellectueel opzicht. Hoe kunnen we in een uitgesproken moslimmilieu staande blijven als we niet eens goed Gods Woord kunnen lezen? Hoe zijn we weerbaar als we niet goed weten wat we zelf geloven over een drie-enige God en de uniciteit van Christus? Daarom besteden we de eerste jaren op school uitsluitend aan taalonderricht. En daarbij gebruiken we alleen maar de Bijbel. Pas als ze het Urdu redelijk beheersen, gaan we door met andere vakken."

Seraphin wijst erop dat de kinderen in haar klasje allemaal gedoopt zijn. Zondags ziet ze hen weer in het kleine kerkje. En op de eerste dag der week is Seraphin ook hun zondagsschooljuf. Maar Seraphin, als die kinderen gedoopt zijn en naar de kerk gaan en preken horen, wat moeten ze dan nog meer weten?

De bescheiden juf uit Dharr Flees Pur glimlacht en zegt dat ze de vraag drommels goed begrijpt. "Dan moeten ze nog wel een nieuw hartje krijgen. En als we de Heere Jezus liefgekregen hebben, moeten we steeds meer en meer met Hem leven."

Zeventien kinderen zitten dagelijks op de grond in het Pakistaanse klasje, lerend en luisterend aan de voeten van juf Seraphin.

Internet-utopie van een regime

Met een stalen gezicht noteert de journalist van een Engelstalige Pakistaanse krant de mededelingen van 's lands technologieminister. Zonder blikken of blozen tikt hij het in. De dag erna staat er een oogstrelend bericht op de voorpagina. Tachtig procent van alle Pakistani zou binnen afzienbare tijd een internetaansluiting hebben. De Pakistani die wél lezen en schrijven kunnen, de krantenlezers in ieder geval dus, weten bij de eerste oogopslag al dat het slechts om propaganda van de regering gaat.
De militaire machthebbers zullen in het land zelf niet publiek tegengesproken worden. Maar feiten spreken hun eigen, onweerlegbare waarheden. Nauwelijks twee of drie jaar geleden klopte de toenmalige regering zich heel braaf op de borst. De minister van Onderwijs werd in het dagelijks volop schijnende Pakistaanse zonnetje gezet. Welja, we geven u de laatste cijfers door over het terugdringen van het analfabetisme: "Wel 40 procent van de bevolking kan lezen en schrijven."

Het is de vraag of rekenen in het pakket van de huidige ministers zat toen die de lagere school bezochten. Als 40 procent van de bevolking kan lezen en schrijven, zal dan werkelijk 80 procent van de bevolking binnenkort een internetaansluiting hebben of een internetcafé met goed gevolg kunnen bezoeken? Het lijkt me best lastig om een computer te bedienen en informatie in het Engels op te halen voor iemand die alleen Urdu spreekt en die taal bovendien niet eens kan lezen of schrijven.

Dan laten we verder buiten beschouwing dat deskundigen uit het onderwijsveld hun grote vragen hebben bij het cijfer dat eerder rondging over de 40 procent die wél zou kunnen lezen en schrijven. Een anonieme onderwijsdeskundige schat dat van de ruim 130 miljoen Pakistani zeker niet meer dan een kwart, 25 procent dus, de eigen taal, laat staan het Engels, beheerst.

Onder christenen is het aantal mensen dat kan lezen en schrijven helemaal schrikbarend laag. Ongeveer acht op elke honderd christenen is in staat een pen te hanteren of geschreven berichten ook daadwerkelijk te lezen. Dat heeft te maken met de bijzonder achtergestelde positie die christenen in het vrijwel uitsluitend door moslims bewoonde land hebben. Onderwijs is er vaak niet bij, een baan voor hen is er alleen in de onderste sectoren. Juist voor deze groep mensen is de actie voor Pakistan dit jaar bestemd.

Het voorpaginanieuws van de krant bevatte een aantal elementen die het geheel een zekere geloofwaardigheid verschaften. Het verhaal begint met de mededeling dat de prijs van het internetgebruik sterk zal afnemen. Niemand minder dan de minister voor Wetenschap en Technologie, dr. Attaur Rehman, bracht het verhaal naar buiten. "Mijn regering heeft 125 miljoen gulden op tafel gelegd om de informatietechnologie nieuw leven in te blazen. Wij hebben een overeenkomst met de Verenigde Staten gesloten", meldde hij.

En toen kwam het verpletterende bericht dat zeer binnenkort 80 procent van de 130 miljoen Pakistani internet kan gebruiken. Het werd gezegd tijdens een internationaal congres dat het scheikundig onderzoeksinstituut van Pakistan belegde.

De minister hield een heel wollig verhaal. Natuurlijk was het de eerste keer in de geschiedenis van het vaderland dat zo'n groot bedrag aan bevordering van de informatietechnologie besteed zou worden. De software-industrie zou een injectie krijgen. Onderhandelingen waren volop gaande met het onderzoeksinstituut dat de eerste website ter wereld presenteerde, aldus de minister. Bij navraag bleek het te gaan om CERN, een Europees nucleair onderzoeksinstituut in Genève, dat zijn terrein verder uitbreidt naar Pakistan en een nieuwe organisatie voor computeronderwijs in de hoofdstad Islamabad gaat opzetten, samen met een technisch instituut in Californië.

Om het opstuwen van het land in de technologische vaart der volkeren verder kracht bij te zetten, stond op de voorpagina van dezelfde krant nog een mooi verhaal. Het Nationale Database- en Registratiecentrum van de Overheid (Nadra) kondigde aan dat grootscheepse proeven genomen zouden gaan worden met computers ten behoeve van regionale verkiezingen. Dat kan natuurlijk niet anders dan plaatselijk, want de militairen zien vooralsnog verkiezingen op landelijk niveau niet zitten.

Het hoofd van de Nadra, generaal Zahid Ehsan, kondigde dit blijde nieuws aan. In een land waar ook de kranten niet vrijuit kunnen schrijven en al dan niet achter de schermen bijgestuurd worden, kan het niet toevallig zijn dat de twee berichten over computers en internet, als verworvenheden bezorgd door de overheid zelf, naast elkaar op de voorpagina staan.

Leuke bijkomstigheid in zo'n militaire dictatuur is dat het nationale Pakistaanse luchtverdedigingscommando verantwoordelijk is voor de uitvoering van de gecomputeriseerde verkiezingen. Maar liefst 10.000 militairen worden dezer dagen ingezet om alle kiezers thuis voor te lichten. Ze moeten 10 miljoen nieuwe kiezers gaan inseinen, omdat de stemgerechtigde leeftijd voor gemeenteraadsverkiezingen verlaagd is van 21 naar 18 jaar. Elke luchmachtsoldaat mag dus 1000 kiezers gaan voorlichten. Krijgen ze vást een lintje voor: "meegestreden in de operatie informatie".

Dat Pakistan momenteel een militaire dictatuur kent en dat de media onder een zekere controle staan, is bekend. Soms komt dat duidelijk tot uitdrukking. De militairen willen uiteraard graag duidelijk maken dat onder hun bewind vrede en welvaart het deel van elke Pakistani is. Pakistan is op een aantal onderdelen dan ook een vergevorderd land. De nucleaire ontwikkeling bijvoorbeeld staat op niveau. Dat daarbij computers een grote rol spelen, zal duidelijk zijn. Het land moet niet onderschat worden, zeker ook militair niet.

Tegelijk zijn voorstanders van meer democratisering en leden van mensenrechtenorganisaties zeer gedesillusioneerd dat de militaire regering op deze manier de touwtjes in handen heeft. Om het vrij te vertalen: ze geloven dat er nu zo gefraudeerd kan worden door de zittende regering, dat elk vonkje van democratie in de kiem gesmoord wordt. Een samenwerkingsverband van 35 non-gouvernementele organisaties heeft onlangs een hongerstaking beëindigd in Lahore waarmee ze hun ongenoegen uitten over de manier waarop de verkiezingen plaatshebben. De vorm van verkiezen sluit minderheden uit.

Het leger heeft overigens wel een goede naam bij de bevolking. Het moreel en de moraal zijn er doorgaans veel beter dan bij de politie. De wetshandhavers worden gevreesd, Jan Soldaat doorgaans gerespecteerd. Politieagenten hebben de naam corrupt te zijn. Boetes kun je vaak handje contantje mét korting, maar zónder bonnetje afkopen. Roofovervallen worden volgens de geruchten vaak gepleegd in overleg met dan toevallig afwezige politie. In de pers zul je hierover nooit openlijk iets terugvinden.

Het was opnieuw geen toeval dat in dezelfde krant een lovend artikel stond over een computerbeurs. Dat is nog tot daar aan toe. Maar dat het verhaal weer begint met de krachtige stimulans van 's lands regering om computers in de huizen te brengen, zou geen zichzelf respecterende hoofdredacteur in normale omstandigheden goedkeuren. Overigens is het wel leuk dat in een tweekolomsbericht gewaarschuwd wordt tegen een e-mailvirus.

Elke computerbezitter zou kunnen weten dat zijn of haar apparaat alleen werkt als er een stopcontact in de buurt is. Wil men internetten, dan zal ook de telefoon niet alleen beschikbaar moeten zijn maar bovendien nog enige kwaliteit dienen te hebben. Elektriciteit is er wel op de meeste plekken in Pakistan. Maar voor gevoelige apparatuur moet je ook constante en gelijkwaardige voeding hebben.

Ik heb mensen gesproken die vertelden dat op hun kantoren dure computerapparatuur een paar weken geleden nog vervangen was. Waarom computerkasten en beeldscherm niet meer functioneerden? "Nou, kijk, de spanning varieert nogal."

In de rubriek "Opgemerkt" van een van Pakistans kranten reageerde een furieuze lezer hierop. Dat zijn brief geplaatst werd, bewijst dat het probleem breed leeft. Anders had de censuur de brief wel terzijde gelegd. Dat gebeurt óók in Pakistan.

De inwoner van Rawalpindi reageerde woest op het feit dat de spanningsverschillen in het elektriciteitsnet varieerden van 185 tot 260 volt. "Dan kun je wel proberen de economie te stimuleren, maar als je niet eens kans ziet een hoogwaardig stroomproduct af te leveren, kun je de tent van 's lands economie wel sluiten", schreef hij boosaardig. De beste man rekende even voor wat een particulier of een klein bedrijf aan extra kosten kwijt is als beeldschermen doorbranden, computers 'opgeblazen' worden. De werkelijkheid leert dat fluctuerende spanningsverschillen schering en inslag zijn. De internetdroom van de overheid lijkt een utopie, een fata morgana in het hete Pakistaanse landschap.

Ondertussen helpt internet en een binnen de overheid van Pakistan goed opgezet computersysteem er wel voor dat de regering steeds meer centraal gezag krijgt en overal een vinger aan de pols houdt. Met name de militairen vinden dat prettig. Nu heeft niemand iets tegen een goed functionerende overheid. Maar al te intensieve persoonlijke controle heeft toch weer iets engs.

Iets van het triomfalisme van een geoliede regeringsmachine vonden we eveneens in een Pakistaanse krant. Inderdaad, weer een uitspraak van generaal Zahid Ehsan, de hoogste baas van de Nadra, 's lands data- en registratiebureau. "Met onze computersystemen zijn we nu in staat naar de lagere echelons op plaatselijk niveau toe de juiste beslissingen te nemen". Deze bijna militaire taal gebruikte hij om aan te geven dat de centralisering van het gezag voortaan een stuk makkelijker is.

Als leuk praktisch voorbeeld zei de hoge officier dat er door het gebruik van computers standaardisering en uniformering van documenten zal plaatshebben. Bovendien erkende hij dat er momenteel nog veel corruptie is. "Met deze uniformering zal ook de heersende corruptie bestreden worden en kunnen lange rijen aan de loketten vermeden worden", beloofde hij.

Alle 135 miljoen Pakistani moeten geregistreerd worden, aldus de generaal. Dat het de Nadra-baas menens is, blijkt uit het officiële gegeven dat zijn organisatie over 10.000 datatypisten beschikt die uitvoering moeten gaan geven aan de mega-operatie. Er moeten 65 miljoen registratieformulieren ingevoerd worden in een hypermodern en krachtig computersysteem met een intern geheugen van meer dan 4000 gigabytes.

Als alles meezit zal voortaan in Pakistan slechts één type rijbewijs, één soort identiteitskaart en maar één soort APK-keuring beschikbaar zijn. Om bij het laatste fenomeen te blijven: er bestaat inderdaad een wettelijk verplichte autokeuring. Maar elke Pakistani lacht daarom. "Je gaat gewoon naar zo'n garage zonder je auto, vrachtwagen of bus, je betaalt het dubbele van het gewone tarief en je krijgt een verklaring mee." Het nieuwe computersysteem zal daar weinig aan veranderen, alleen krijgt iedereen nu hetzelfde papiertje.

De internetdroom van de regering komt belachelijk over als we het hoge aantal mensen in ogenschouw nemen dat niet kan lezen en schrijven. Een kenner zei snerend dat indien 80 procent van de nauwelijks een paar miljoen aanwezige computers aan internet komt te hangen, dat al heel veel is. "Laat de regering maar eens haast maken met het leren lezen en schrijven van de bevolking. Met name christenen hebben een geweldige onderwijsachterstand."

De Pakistani die wel van internet gebruikmaken, zullen via e-mail bovendien nog niet het achterste van hun tong laten zien. Er is nog geen wet die 'inzien' verbiedt, al wordt er aan gewerkt. Enkele vooraanstaande christenen: "We zijn in e-mails altijd heel voorzichtig als het om gevoeligheden gaat." Zo'n zinnetje spreekt boekdelen.

Bewogen met de Bheels

Met vaste tred stapt ds. Samuël Chand door het woestijnzand in Zuid-Pakistan. Hier wonen zijn Bheels, de allerarmste mensen van Pakistan. Verworpenen zijn het, de laagsten van de laagsten, misbruikt door werkgevers, veelal ook nog in de ban van hun "mallan", hun afgoden. Maar voor de in 1944 geboren geestelijke hebben ze respect. Omdat hij zich hun lot heeft aangetrokken en helpt waar geen andere helpers zijn.
Vol vertrouwen kijken de mannen en vrouwen vanonder hun rieten afdak naar ds. Chand en zijn gevolg. De enige buffel van het dorp staat aan een touw onder een boom. Ze reageren spontaan als de verslaggever met hen praten wil, zelfs de vrouwen leggen enigszins hun schroom af als de fotograaf hen op de korrel neemt. Ds. Chand is erbij, dan is er vertrouwen.

Als ik in mijn enthousiasme naar de buffel toeloop en hem op de kop krab, waarschuwen de bewoners van het dorp. "Pas op, hij heeft een injectie gehad en misschien is hij agressief", klinkt het meelevend in het geheel eigen Bheel-dialect. De dominee vertaalt. Maar een Hollandse zoon die wel wat afweet van de boerenstiel laat zich niet zomaar wegjagen door een Pakistaans koebeest. Enkele mooi getekende geiten komen poolshoogte nemen. Er is leven in de woestijn, al bloeit ze in Cholistan nog niet als een roos. Het bestaan heeft er ogenschijnlijk meer weg van een verlepte bloem.

Gebed

De dominee werd 55 jaar geleden in aan de boorden van de Indus geboren en zijn moeder noemde hem Harald. In het gezin stierven voordat Harald geboren werd vijf kinderen op heel jonge leeftijd. Ook deze boreling werd ernstig ziek, hij was op sterven na dood.

De hindoedokter meldde de christenvrouw dat er geen kansen meer waren op herstel, waarschuwde dat een snelle dood voor de hand lag. "Mijn moeder bad de Heere dag en nacht. Ze bracht me in de kerk en bad Hem vurig of Hij haar zoon terug wilde geven. Zij kende haar Bijbel en beloofde de Heere dat ik dan in Zijn dienst zou treden. Ik genas en moeder gaf me een nieuwe naam." Sinds die tijd heet Harald Samuël. Dat is toch een mooie naam voor een dominee.

De predikant, die eerder een vooraanstaande positie in de Kerk van Pakistan bekleedde, spreekt gedreven. Die kerk is een soort overkoepelend verband van allerlei denominaties. Dr. Chand werd hoogleraar aan het theologische seminarie van Gujranwala en later zelfs bisschop -naar het lutherse model- maar van presbyteriaanse snit, en bleef in de gereformeerde lijn denken. Bisschoppen in die kerk houden er een bijzondere levensstijl op na die niet echt sober te noemen is.

Na allerlei verwikkelingen waarbij politiek en godsdienst een rol speelden, deed hij vrijwillig afstand van de bisschopsstaf, zijn riante pastorie met airconditioning, zijn vierwielaangedreven Nissan Patrol met chauffeur en zijn vaste inkomen. Zijn roeping zag hij bij de Bheel. Een zeer eenvoudig huurhuis zonder airco, een inkomen dat bestaat uit giften en het salaris van een van de kinderen is nu zijn deel. Hij woont aan de rand van de woestijn van Cholistan.

Armer en rijker

"In materieel opzicht ben ik immens veel kwijtgeraakt. Ik zwierf voor mijn kerk over de aarde en bezocht conferenties. Nu ben ik ridder te voet, heb geen auto meer, maar in geestelijk opzicht heb ik het nog nooit zo rijk gehad." Om toch enig vast inkomen te hebben, vertaalt hij op verzoek van een Pakistaanse christelijke uitgever een bijbelcommentaar in het Urdu.

Met de computer kan hij niet overweg. De 25-jarige Rebecca heeft de roeping van haar vader volledig leren delen en haar dikbetaalde administratieve baan opgezegd. Zij staat moeder Chand bij in het huishouden, vader bij zijn administratie, opent de e-mails en stuurt die weer door.

Vader Chand ligt op de grond, steunt met zijn linkerelleboog op de grond en schrijft met de rechterhand. Het te vertalen boek staat tegen de wand. Met enige trots laat hij zijn met dik eelt bedekte elleboog zien; de meetlat voor zijn vertaalwerk. Al enkele tientallen boeken heeft hij overgezet van het Engels naar het Urdu. Hetgeen niet wegneemt dat er nu gewoon sprake is van een geestelijke die met moeite het hoofd in financieel opzicht boven water kan houden. Dochter Rina is verloofd. Zij studeerde theologie maar wil om principiële redenen geen dominee worden. Ze helpt vader met zondagsschoolwerk. Een andere dochter is onderwijzers en staat haar inkomen aan het hele gezin af. Het gezin Chand is een toonbeeld van harmonie en christelijke eensgezindheid.

De kleine Samuël bezocht een zeer bijzondere school. In de zomer leerde hij onder de schaduw van een boom, in de winter studeerde hij in het zonnetje. Een centje bijverdienen deed de latere bisschop met de bijbelse naam door katoen te stelen en vervolgens voor een paar cent te verkopen.

"Mijn moeder zei tegen me dat ik geen katoen meer mocht stelen als ik echt christen wilde zijn. Doch niet mijn moeder maar de Heilige Geest werd me te sterk", legt de dominee uit. Voor Matthew Henry heeft hij een bijzonder zwak. Hij las Calvijns "Institutie" en legt sterk de nadruk op de persoonlijke verzoening met God door Jezus Christus. De Westminster Confessie heeft een bijzondere plek in zijn hart. In de door hem ontworpen grondslag voor een kerk onder de Bheels heeft hij deze belijdenis dan ook een voorname plaats gegeven.

Roeping

De geestelijke gebruikt een aardig voorbeeld om aan te geven dat een persoonlijk doorleefd geloof noodzakelijk is. De tekst uit Psalm 34:9: "Smaakt en ziet dat de Heere goed is", blijkt voor hem levende werkelijkheid.

Als ik de voormalige bisschop en hoogleraar vraag naar de manier waarop hij ervaart dat de God goed is, vertelt hij het volgende: "Iemand vroeg aan drie wijze mannen wat er in de drie flessen zat die voor hen stonden. De hooggeleerden moesten het antwoord schuldig blijven. Een klein kind kwam naar voren en zei vastberaden dat hij het wel wist. "Dat is honing", klonk het overtuigd. "Maar hoe weet je dat dan?" wilden die wijzen weten. "Nou, omdat ik het geproefd heb." Op die manier kwam Psalm 34 weer naar voren.

Dominee worden, zoals moeder aan de Heere had beloofd, zag de jonge Samuël echter helemaal niet zitten. Daar moest de Heere zelf aan te pas komen. Een predikant werd het middel in Zijn hand. Het was tijdens een preek over de Heere Jezus als Medicijnmeester en de geestelijke toepassing daarbij dat Samuël geen andere kant op kon dan de theologische opleiding.

Mallan

De rond de 150.000 Bheels aanbidden een traditionele afgod: de "mallan". We lopen met ds. Chand naar het huis van een oude vrouw. Hij vraagt weduwe Aklan Amy naar haar mallan die voor de deur staat. Een buurjongetje beijvert zich om vol vuur, maar heel voorzichtig -respectvol bijna- de in doeken gehulde houten pop tevoorschijn te halen. De Bheel-vrouw weet wel in welke streek ze geboren is maar weet werkelijk bij benadering niet hoe oud ze is. Uit allerlei gegevens concluderen we dat ze rond de zestig, zeventig jaar oud moet zijn. Ze toont als een bijna honderdjarige.

De weduwe weet wel dat ze vluchtte naar de woestijn van Cholistan nadat een overstroming haar ouders van huis en haard verdreef. Ze werd daarbij wees en een oom regelde haar huwelijk toen ze twaalf jaar oud was.

Haar leven is tot nu toe een aaneenschakeling van droeve gebeurtenissen. Twee jaar na haar huwelijk, toen ze veertien was, werd haar eerste kind geboren. Haar man werkte voor een herenboer maar werd al snel ziek. De honger knaagde vaak in het gezinnetje, dat gestaag uitbreidde. Ze moest zelf hard werken op het land. Uitbetaling had vaak pas plaats na een oogst, als de herenboer zelf 'beurde'. Dat was na de katoenoogst. Als er tarwe werd geoogst kreeg men direct in natura betaald.

Nog steeds werkt de oude vrouw op het land, net als haar kinderen en kleinkinderen. Een geit voorziet haar van melk. De koe is gemeenschappelijk bezit van de stam. Dat is een enorme rijkdom in die streek. Het betekent dat dit Bheel-dorpje -door de regering aangeduid als Village 88P- in verhouding minder arm is. In de buurt is nog wel gras te vinden. Dorpsbewoners kappen met hun lange messen gras en riet langs de verre velden van hun herenboeren. Met grote bossen op hun hoofd keren ze herwaarts. Geiten knabbelen met graagte aan wat de woestijn voortbrengt.

Traditie

We praten met deze vrouw over haar afgod, de mallan. De kleine drietand ernaast is bedoeld om de mallan een wapen te verschaffen als hij rondwaart tussen de hutten. Het popje is netjes opgeborgen in doeken in een nis om hem tegen de kou te beschermen. Maar wat betekent die mallan nu voor u? vraag ik. Het antwoord is verrassend eenvoudig. "Dat weet ik niet. Maar ja, het is nu eenmaal de gewoonte om hem te aanbidden, dus volg ik die traditie. Maar dat hij ook echt kan helpen, nee, dat geloof ik niet."

Enkele mannen die erbij staan te kijken lachen wat. Ze trekken de stoute schoenen aan en geven hun visie op het godendom: "Wij Bheels merken van niet één god wat, ze bestaan niet, denken wij, maar toch houden we onze mallan. Je weet maar nooit."

Dat wordt de vrouw een beetje te gortig. Ds. Chand vertaalt. "Ik heb wel gehoord van Jezus hoor", troost ze ons. Ik vraag de dominee of hij haar de vraag wil voorleggen waarom Gods Zoon dan aan het kruis gestorven is. Ze kijkt wat verbouwereerd en antwoordt: "Nee, dat weet ik niet goed, maar ik denk dat Hij wel wat verkeerds gedaan zal hebben. Anders maken ze je toch niet dood?" Het jongetje pakt heel teder de mallan weer in en zet hem op wacht voor het huisje.

Lam zonder helper

Even verder ligt een veertienjarig jongetje -Tyreh- op een houten bed. Dominee Chand maakt vaak een praatje met hem. Een halfjaar geleden is een vrachtauto over zijn benen gereden. Tyreh is verlamd en moet nog een of twee keer geopereerd worden. Dan kan hij misschien met krukken lopen. Maar waar komt de ongeveer 500 gulden vandaan? De ondersteek en het urinaal die hij nodig heeft om zijn behoeften te doen, liggen achteloos in het woestijnzand. Hij zal moeten wachten tot iemand ze aangeeft.

Ds. Chand neemt ons mee naar Bebouta Ram, een ongeveer zestigjarige landarbeider met een markant voorkomen en een heldhaftige snor. Hij trouwde op 16-jarige leeftijd en heeft een zoon en twee dochters. Achter hem staat een man met een kleintje op de arm. Het kind is hun beider kleinzoon. "We hebben afgesproken dat onze kinderen met elkaar trouwen."

Bebouta werkt zijn leven lang al bij dezelfde herenboer. Hij wordt vaak vernederd. In het bijzijn van zijn kinderen slaat de boer hem met de vlakke hand in het gezicht. Dat is zeker in de woestijn van Cholistan een geweldige vernedering. Alle waardigheid wordt daarmee kapotgemaakt. Een intens arm leven is zijn deel.

Van de mallan verwachten beide mannen weinig. "Die helpen ook niet als sommige herenboeren eigen personeel opsluiten in vunzige cellen op de boerderij", smalen ze. Ds. Chand zou graag vertellen over de God van de Bijbel. De Bheels geloven in een vorm van het hindoeïsme waarbij ze tot in lengte van dagen tot de laagste kaste moeten behoren, de verworpenen der aarde. De hindoepriesters buiten deze mensen uit door schandalig hoge prijzen te vragen voor liturgische verrichtingen bij geboorte, huwelijk en overlijden.

In Village 88P staat een schooltje, het eerste voor de Bheel. De meester is christen. De Bheel kijken met ds. Chand uit naar meer schooltjes. Want de Bheel zijn nagenoeg allen ongeletterd. Zullen ze straks betere banen krijgen? Zullen ze binnenkort ook de Bijbel kunnen lezen en naar hun eigen dominee Chand kunnen luisteren?

Aan onze abonnees: Puzzel

Leven als christen is in Pakistan niet gemakkelijk. De islam regeert, slechts 1 procent van de bevolking durft zich (meer of minder) openlijk christen te noemen. Dat betekent immers achterstelling. Minderwaardig werk en geen scholing. En een analfabeet heeft nauwelijks toegang tot het Woord van God. Blijft verstoken van de rijkdom van dat Woord. Kan dus gemakkelij k meegevoerd worden met alle wind van leer. Zo loopt de christelijke kerk in Pakistan gevaar te gronde te gaan.

Om dat Woord -menselijkerwijs gesproken- toch vaste grond te geven, zodat christenen ook bijbelgetrouwe christenen kunnen blijven, is het noodzakelijk dat mensen leren lezen en schrijven. De Presbyteriaanse Kerk van Pakistan probeert kinderen en volwassenen aan de grens van Kasjmir en in het zuiden van het land, in de woestijn Cholistan, te leren lezen en schrijven.Naast zegen en meeleven hebben ze daadwerkelijk hulp nodig. Daarom doen we een beroep op u. Samen -abonnees, adverteerders en het Reformatorisch Dagblad- willen we de Presbyteriaanse Kerk van Pakistan steunen. Met woord en daad.

Stort alstublieft uw gift op gironummer 29.70.700 of op bankrekeningnummer 65.32.60.008 (ING Bank) van Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn (via deze stichting wikkelt het RD zijn acties af).

Puzzel

Zoals gebruikelijk verbinden we aan deze actie een rebus. Onze tekenaar he eft opnieuw veel bijbelse namen in rebusvorm verwerkt. Het gaat dit keer om "Mannen en vrouwen in het Nieuwe Testament". Er zijn 72 namen van personen uitgebeeld. Schrijft u steeds zorgvuldig de naam op. Aan het eind van de rebusserie lichten wij u nader in omtrent de wijze van inzenden.

Wie meepuzzelt, maakt kans op een waardebon, die naar eigen inzicht kan worden besteed.

1e prijs: cadeaubon ter waarde van 500,-

2e prijs: cadeaubon ter waarde van 350,-

3e en 4e prijs: cadeaubonnen t.w.v. 200,-

5e t/m 7e prijs: cadeaubonnen t.w.v. 100,-

8e t/m 10e prijs: cadeaubonnen t.w.v. 50,-

Wij wensen u veel puzzelplezier! En uw puzzelgenoegen betekent hulp voor de christenen in Pakistan.

Schrijven tussen de regels door

Christelijke schrijvers en hun moslimcollega's hebben in Pakistan één ding gemeenschappelijk. Beiden worden gecontroleerd door fundamentalistische moslims. Als moslim- en christenauteurs echt iets kwijt willen, moeten ze tussen de regels door schrijven. Dat geldt met name voor christelijke schrijvers. Voor hen is het bovendien nog zo dat de markt erg klein is. De christelijke publicist verdient het zout in de pap niet.
Vrijwel tevergeefs zoekt een toerist in Pakistan naar een christelijke boekwinkel. De enkele die er zijn, bevinden zich vrijwel alle binnen de omheining van een christelijke instelling. Slechts in een enkele grote stad is de christelijke boekhandel als zodanig herkenbaar. Het christelijke boek mag eigenlijk niet publiek aangeboden worden, verkoop ervan in het openbaar is strafbaar.

Pakistan is een land met een bijzonder rijk boekenverleden. Met enige trots zal een Pakistani erop wijzen dat in de streek waar nu zijn land gevestigd is, reeds in het jaar zeven voor Christus boeken geschreven en gelezen werden.

In de grote steden waar christenen wonen, wordt verkoop van het christelijk boek wel gedoogd. Kortom, de verspreiding van christelijke lectuur is niet eenvoudig, maar niet echt onmogelijk in het islamitische land. Dat op zich vinden Pakistaanse christenen al een verademing, als ze hun situatie tenminste vergelijken met die in Arabische landen, waar zelfs de doodstraf staat op het met elkaar verrichten van bijbelstudie.

Dat alles neemt niet weg dat voor de Pakistaanse overheid, of dat nu een gekozen regering is of een militair bewind, verkoop en verspreiding van het christelijke boek als een publieke zendingsdaad beschouwd wordt. Een poging een moslim tot het christendom te bewegen, of ernst te maken met de bestudering van Gods Woord, beschouwt men als een godslasterlijke daad.

Gevlucht

Een voorbeeld van een christelijke schrijver die hinder ondervond omdat hij vanuit christelijk perspectief schreef, is de Pakistani Emmanuel Luther. Hij schreef in het Urdu het boek "De lamp die licht verspreidt". Engels is de officiële taal in de voormalige Britse kolonie, Urdu is de gesproken en gelezen volkstaal, die wat het schrift betreft sterk op het Arabisch lijkt. In zijn boek bracht Emmanuel het leven van Mohammed ter sprake vanuit christelijk perspectief. In dit geval nam de Pakistaanse overheid niet het voortouw. Enkele moslimtheologen tekenden bezwaar aan. Het gevolg was dat de christelijke auteur bedreigd werd. Dat nam op een bepaald moment zulke vormen aan dat zijn leven gevaar liep. Hij vluchtte daarop het land uit.

Het betekent dat in de Pakistaanse christelijke theologische literatuur geen enkel boek beschikbaar is met een apologetisch karakter, zoals in de vroegchristelijke kerk het geval was. In geen enkel boek zal men dus een verdediging van het christendom en de christelijke religie aantreffen, laat staan een kritische benadering van de islam. De theologische insteek is vooral om de eigen leer uit te leggen zonder confrontaties.

Er is geen officiële censuur in Pakistan. Uitgevers hoeven hun boeken niet, voordat zij die naar de drukker brengen, ter inzage te geven. Kritiek komt doorgaans achteraf en wordt vooral ingegeven en aangedragen door moslimtheologen.

Subsidie

Uitgevers van het christelijke boek kunnen in Pakistan geen droog brood verdienen. De enkele uitgevers die er zijn worden of gefinancierd vanuit het buitenland of door een kerk draaiend gehouden. Dat laatst geldt bijvoorbeeld voor de rooms-katholieke uitgeverij in Karachi, die van elders subsidie ontvangt.

Een protestantse uitgeverij in Lahore wordt gesteund door een aantal gemeenten in Duitsland. Dertig jaar geleden zette een Duitse zendeling het boekenhuis op. Ook de zevendedagsadventisten krijgen support vanuit het buitenland.

Het is echter heel moeilijk om erachter te komen wie nu precies gelden geeft ter ondersteuning. Dat ligt allemaal gevoelig omdat Pakistani het buitenland vaak gelijkstellen met de Verenigde Staten. Dat land wordt vaak weer als de aartsvijand van de islam beschouwd. Liever zwijgen christelijke uitgevers over hun donateurs.

Vooral de protestantse uitgeverij in Lahore stimuleert Pakistaanse theologen tot het schrijven van eigen theologisch werk. Ook betaalt zij een aantal theologen om klassieke theologische boeken te vertalen. Een van de schrijvers en vertalers is ds. Samuel Chand. Het werk van de theologische auteur dr. Arthur James, de decaan van de theologische opleiding van de Presbyteriaanse Kerk van Pakistan, wordt het best verkocht.

Verwant

Pakistaanse theologen die Urdu spreken en schrijven hebben geen enkele moeite met het vertalen van theologische lectuur en het vinden van bijbelse termen. In het Urdu is het heel makkelijk aansluiting te vinden bij de bijbelse terminologie. Dat komt omdat er in deze taal om te beginnen een goede bijbelvertaling is. Urdu is verder een mengelmoes van Perzisch, Arabisch en talen uit de streek. Het behoort tot de semitische talen, dus tot dezelfde taalgroep als het Hebreeuws. In het Urdu is het daarom niet moeilijk om woorden als gerechtigheid, rechtvaardigheid, zonde en schuld te vertalen, aldus de theologen James en Chand.

Christelijke uitgevers brengen zelden of nooit meer dan duizend boeken per oplage uit. Dat lijkt heel weinig op een christelijke kerk die, als we alle christenen bij elkaar nemen, ruim een miljoen leden telt. Om te beginnen stimuleert de Rooms-Katholieke Kerk maar mondjesmaat theologische studie van haar leden. Bij protestanten staan het lezen van de Bijbel en schriftonderzoek veel hoger genoteerd.

Lezen en schrijven

Wat een heel grote rol speelt, is dat van de meer dan een miljoen christenen er minder dan honderdduizend kunnen lezen of schrijven. Van de moslims beheersen er volgens opgaven van de overheid veertig van elke honderd de taal. Onderwijsdeskundigen schatten dat echter op 25 procent. Christenen hebben dus een geweldige achterstand op onderwijsgebied.

Met name richt de RD-actie voor Pakistan zich erop dat christenen leren lezen en schrijven. Zodoende zal men zelf de Schriften kunnen bestuderen en zich door theologisch onderzoek verdiepen in wat een christen gelooft op grond van Gods Woord. Daarbij kunnen theologische auteurs van geweldig belang zijn. Maar dan moeten de Pakistaanse christenen wél kunnen lezen en schrijven.

Omdat christenouders vaak het meest verachte en slechtst betaalde werk doen, kunnen hun kinderen vaak niet naar een school, omdat ook de openbare lagere school in Pakistan lesgeld vraagt. Een boek van 200 bladzijden kost in Pakistan bovendien altijd nog dertig roepies. Dat is uiteindelijk slechts een paar gulden, maar voor de meeste christenen nog een veel te hoge onkostenpost. Met moeite houden de meeste christenen het hoofd boven water.

Rondje

Een wandelingetje door de winkel van de christelijke uitgever in Lahore maakt veel duidelijk. Een vriendelijke boekverkoopster, gehuld in traditionele dracht, de hoofddoek om haar schouders, staat me te woord. Bij de schappen geeft ze tekst en uitleg.

Dr. Arthur James uit Gurjanwala blijkt de best verkochte auteur te zijn. Zijn boeken gaan vooral over pastorale theologie. De geschiedenis van het Oude Testament staat op nummer twee te scoren in het land waar zoveel herinnert aan de wereld van de Bijbel.

Nummer drie op de lijst van best verkochte christelijke boeken is geen theologisch werk maar blijkt daaraan sterk verwant. Mevrouw Barjis Navyer Bruce schreef "Prins van de Vrede". In verhalende vorm wordt daarin het leven de Heere Jezus van Zijn geboorte tot zijn hemelvaart beschreven.

Nummer vier op de lijst is bisschop Samuel Chand. Deze theoloog is de zwager van mevrouw Bruce. Hij scoort wat minder, maar omdat hij weer veel vertaalt, is hij degene die uiteindelijk voor de hoogste omzet zorgt in de winkel.

Nieuwsgierig

Bij het zien van al die christelijke titels komt de vraag op: wat verkoopt een 'gewone' boekhandel eigenlijk in Pakistan? Dat antwoord is snel gevonden. Vlakbij, om de hoek, is een grote, bekende boekenzaak. De behandeling is ook daar uiterst correct.

De Pakistaanse vaderlandse boekentoptien blijkt een geheel eigen lijn te volgen. Generaal Mohammed Yousaf staat absoluut nummer een. Hij schreef "De zwijgende soldaat". Het boek gaat over het militaire inzicht van generaal Akhtar Abdur Rahaman. Dat was de man die een rol speelde in de Afghaanse oorlog en de grenzen van Pakistan verdedigde.

Het derde best verkopende Pakistaanse boek heet: "Het land Bhawalpur". Dr. Ali Wasti beschreef de geschiedenis van de staat Bhawalpur, waarin de stad Rahim Yar Khan ligt. In dit gebied heerst nog steeds het oude feodale systeem waarin de herenboeren het voor het zeggen hebben. De grote hoogten van de oude Induscultuur worden erin beschreven, maar ook het verval. Het boek wordt daarom zo goed verkocht omdat veel moslimheiligen er hun wortels hebben.

Nummer twee op de lijst is Warris Shar. Zijn boek "Heer Rangha" is volgens de verkoopster een literair hoogstandje. Vol verve begint zij te vertellen. "Een zekere jongeling, zoon van een herenboer met de naam Rangha, wordt verliefd op een boerendochter. Om dicht bij haar te zijn, gaat hij vermomd als knecht werken bij haar vader. Het meisje, met de Pakistaanse naam Heer, wordt echter uitgehuwelijkt aan een ander, want een knecht komt niet in aanmerking. Het stel gaat er voor de huwelijkssluiting vandoor, naar haar vader. Ze vertelt dat Rhanga van gelijke stand is. Het van de reis en door emoties uitgeputte meisje vraagt thuis om water. Haar oom geeft haar echter dat frisse vocht met gif gemengd, want hij ziet haar daad als overspel. Ze sterft."

De verkoopster stopt even met vertellen. Dan gaat ze verder: "Het meisje Heer wordt, naar onze gewoonte, gecremeerd in een open vuur. Dan springt hij bij haar in het vuur en beiden worden verteerd."

Duizelig

Terug naar de christelijke boekwinkel. Bij het bekijken van alle titels in het Urdu, een prachtig schrift dat heel mooie vormen heeft en sterk op het Arabisch lijkt, gaat het een Europeaan snel duizelen. De rest van de toptien gaat me voorbij. Jerald Mall schreef een handboek voor de Hebreeuwse taal. Dr. Maqsoos Kamil verdiepte zich in de profeet Nahum en schreef er een commentaar over. Dr. Sultan Parvez schreef een verdediging van de kinderdoop.

Een christelijk boek met een politieke insteek staat ook in de schappen. Salamat Ahktar schreef "Ons Pakistan". Het boek gaat, zo legt de verkoopster uit, "over de moeilijke positie van christenen na de bevrijding van India in 1947, waarbij Pakistan zelfstandig werd. Christenen kozen toen in meerderheid voor een eigen Pakistan."

Van de theoloog Younis Amir ligt een boek in de winkel dat "op het randje" is in een moslimland. De titel luidt: "Profeet van Israël of Redder van de wereld". Elke insider snapt dat het tegen de islam gericht is, waar men zegt dat Jezus slechts een van de profeten is. Maar nergens in het boek wordt tegen de islam geageerd. Wel wordt de uniciteit van Christus beleden, zonder echter andere godsdiensten met name te noemen. Zou dat gebeurd zijn, dan was de uitgave zonder meer verboden.

Alexander Davis schreef in het Urdu een boek over christelijke leerstellingen, Barkat Ullah legt in een publicatie de nadruk op de autoriteit van het Woord. Kortom, er is het een en ander te koop voor christenen.

De Bijbel spréékt in Cholistan

Met statige tred lopen drie jonge vrouwen van de Bheel-stam hun woestijndorp uit. Ze zijn gehuld in eenvoudige maar bijzonder kleurrijke gewaden. Bij de rand van het dorp zetten ze de grote zinken schalen op hun met doeken bedekte hoofden. Een van hen grijpt een emmer met een lang touw. De vrouwen gaan water putten, in een van de bronnen aan de rand van de woestijn van Cholistan. Ds. Samuel Chand lacht: "Je ziet het. Bijbelse beelden hoef ik niet te verduidelijken in mijn preek."
Vermoedelijk zijn deze vrouwen onbekend met de bijbelse geschiedenis van de dochters van Rehuël, de priester in Midian. Die vrouwen -zeven in getal- gaan water putten voor de kudden van hun vader. Totdat er herders komen die hen willen verjagen, zoals altijd. Mozes neemt het voor hen op, jaagt de barbaren weg en helpt de meisjes water te putten. Rehuëls dochters zijn zo verbouwereerd dat ze hun helper achterlaten en hem niet eens vragen of hij wel onderdak heeft voor de nacht. Na een vermaan van vader Rehuël haasten ze zich terug om Mozes op te halen. Een van de zeven meisjes, Zippora, wordt Mozes' vrouw.

Aan dat tafereel moet ik denken als de meisjes van de Bheel-stam gesluierd voorbijtrekken. Je ziet de geschiedenis aan je voorbijgaan, De koppels geiten vormen een aardige kudde. En in plaats van drie zie je dan zeven vrouwen. Maar elders in het dorp stappen er vast nog wel vier rond. Zo groeit de woestijn van Cholistan -op de meeste kaarten staat het als Tharwoestijn aangeduid- uit tot een decor voor het leven van Mozes in Midian.

De Bheel-stam leeft in het duister van het heidendom. Het zijn de verworpenen, die behoren tot de laagste kaste. Misbruikt worden ze door de herenboeren, mede omdat ze ongeletterd zijn. Uitgebuit worden ze door hindoepriesters, die vermogens vragen voor plechtigheden rond geboorte, huwelijk en dood. Pakistan, een land waar een handjevol christenen woont, leeft en werkt. Pakistan, waar het bijbelse land oplicht.

Vrouwen

Wie denkt bij het beeld van de waterdragende vrouwen ook niet aan het gesprek dat de Heere Jezus voert met de Samaritaanse vrouw? Johannes 4:27 is uitermate van toepassing op de situatie van de Pakistaanse christenvrouwen. "En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak." In de Pakistaanse cultuur maken christenen soms al te gretig gebruik van de traditie en oude verworvenheden om de vrouw een positie te geven die beduidend lager ligt dan die van de man.

Tot in de kerk toe werkt in Pakistan islamitisch en cultuurgebonden gedachtegoed door. Elke schriftgetrouwe theoloog -en in het bijzonder wel in Pakistan- concludeert op grond van wat in het geopenbaarde Woord staat dat het vrouwen niet geoorloofd is het ambt te bekleden. Maar waar staat in dat Woord dat, als je christenen bezoekt, je de man wel de hand mag schudden maar vrouwen slechts minzaam toe mag knikken? Mannen groeten hier op geen enkele wijze vrouwen met een handdruk. De voorganger geeft aan het eind van de eredienst de kerkgangers een hand, maar het zijn alleen de mannen die van die gelegenheid gebruikmaken.

Niets nieuws

Als vanzelfsprekend vraagt men in Pakistan een christen uit het Westen of hij op zondag wil preken of een stichtelijk woord wil spreken. De tekst uit Handelingen 28:15, over de ontmoeting van Paulus en de broeders uit Rome leek me, met vier punten en een toepassing, een gepaste woord. Maar je voelt je als gast na je toespraak toch wel opgelaten als de dames je op gepaste afstand voorbijlopen en hun mannen je de hand geven en soms een ernstig gesprek aanknopen. Er is niets nieuws onder de zon, bedacht ik me bij het herlezen van Johannes 4. De discipelen hielden daar ook vast aan hun traditie, hoewel de Heere Jezus haar Zelf doorbrak.

Een ander onderdeel van de zondagse eredienst roept ook beelden aan de bijbelse tijd op. Bij Pakistaanse christenen is het de gewoonte om tijdens het aangaan aan het heilig avondmaal de schoenen uit te trekken alvorens de bank te verlaten. Een oppervlakkige toeschouwer zou er, ten onrechte overigens, voorschriften van de moskee in vermoeden. De achterliggende gedachte is dat de grond waarop de bediening van het sacrament plaatsheeft, heilig is. En daarom trek je je schoenen uit.

De geschiedenis uit Exodus herleeft. "Trek uw schoenen uit van uw voeten." In de christelijke kerk is hierover altijd al verschillend gedacht. Er zijn voor- en tegenstanders van het "ontbinden van de schoenzolen." Gelukkig is die strijd nooit hoog opgelaaid.

Lessen

Rondstappend in de dorpjes, of dat nu bij de Bheel-stam in de zuidelijke Pakistaanse woestijn is, of op het vruchtbare land tegen de grens van Kasjmir, besef je dat er ook bijbelse leringen te trekken zijn uit de manier waarop de huizen zijn gebouwd. Gaat Exodus 22:2 niet leven bij het zien van de vele huisjes die opgetrokken zijn uit leem en koemest? "Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn." Het Griekse woord voor inbreker is niet voor niets muurdoorgraver! De Heere Jezus Zelf wijst erop dat we geen schatten moeten verzamelen op aarde, "waar de dieven doorgraven en stelen." En zou, naar het woord van de Heiland, de heer des huizes niet beter hebben opgelet als hij geweten zou hebben dat er doorgravers zouden komen?

Zo geeft elk Pakistaans huis een geestelijke les. Met een stokje krab ik wat aan een van die lemen muren. Snel stop ik er mee. Ik zou een uitstekende doorgravende inbreker zijn. Een fluitje van een cent.

Ook in ander opzicht doen Pakistaanse huizen in de dorpen denken aan bijbelse tijden. Slapen doen de armen op de grond en in huis staat zelden iets van waarde. Een blind paard kan er geen schade doen, zeggen wij.

Lappen

Zeker op het platteland doet de kleding van mannen en vrouwen denken aan bijbelse tijden. Het ondergoed, de bijbelse rok, was een wijd lang hemd met mouwen. Het reikte tot aan de knieën. Wie hard wilde lopen, trok dat verder omhoog. De gordel deed daarbij dienst als ophouder.

Het bovenkleed was een grote lap die men op verschillende manieren om het lichaam kon slaan. Men was dan keurig gekleed. Vrouwen waren precies eender gekleed als mannen, al was hun kleding vaak kleuriger en van meer borduursel voorzien, al naar gelang de heersende mode. De vele lappen werden om het lichaam gedrapeerd. Dat moet ook wel, als knopen ontbreken. In de oudheid kende men namelijk geen knopen.

In Pakistan kleedt men zich nagenoeg ook zo, zeker in de meer afgelegen streken. In de woestijn van Cholistan, waar de stam van de Bheels woont, kende men reeds een hoogontwikkelde cultuur in de tijd waarin vader Abraham leefde. Juist in die afgelegen gebieden heeft de traditie veel van het oude bewaard.

Een kledingstuk dat in Pakistan de bijbelse tijden heeft overleefd, is wat in de Statenvertaling omschreven staat als hoed of kroon. Het Griekse woord is diadeem, en dat betekent met zoveel woorden iets wat omgebonden is. Het gaat om een band of een doek die om het hoofd gewonden is. Vele mannen dragen in Pakistan deze witte of gekleurde hoofdband. De vrouwen doen dat ook. Zo'n hoofdband is heel gemakkelijk als je iets mee moet torsen. De wikkeldoek verbreedt het draagvlak van je hoofd.

Wassen

Langs slootjes, kanaaltjes en rivieren zitten vrouwen geduldig de was te doen. Dat gaat net zoals in bijbelse tijden. Het natte goed wordt getreden en geslagen. Over struiken en palen hangt de was te drogen. Een alledaags tafereel.

De vooral in het zuiden van Pakistan vrij veel voorkomende kamelen voeren een mens ook terug naar oude tijden. Ezeltjes en muildieren doen daar nog een schepje bovenop. Met name de ezel is een populair vervoermiddel. Onvoorstelbaar wat die beestjes mee kunnen sjouwen en achter zich aan kunnen trekken.

De angst voor de afgoden zit er bij veel Pakistani diep in. In de Oudheid was dat bij allerlei volken ook het geval. Als Paulus op de Areopagus de Atheners complimenteert met hun godsdienstigheid zit daar een dubbele bodem in. Enerzijds is er het ontzag voor de goden, anderzijds de angst voor demonen waarop Paulus doelt. Zodoende kwam de tovenarij, om onheil af te weren, tot grote bloei.

Wie nu langs huizen van moslims loopt, ziet vaak kleine attributen om onheil af te weren. Bij de Bheels in het zuiden staat de "mallan" voor de deur te waken. Dat is een in lappen gehulde pop, vaak voorzien van een drietand. De hindoepriester laat zich dik betalen voor zijn hulp.

Planten

Behalve dat het klimaat aan de Bijbel doet denken, verwijzen ook bomen, planten en struiken naar wat we in de Bijbel tegenkomen. Tot in onze taal toe zijn de namen van planten en bomen via het Arabisch bewaard. De hoofdtaal in Pakistan is het Urdu, een aan het Arabisch verwante taal.

In Pakistan tref je acacia's (sittimhout) en tamarisken aan. De olijfboom levert zijn vruchten en de vijgenboom laat bij het uitspruiten nieuwe bladeren zien: "Zo weet gij dan dat de zomer nabij is (onder meer Matthéüs 24:32). Amandelbomen (van dit hout was de bloeiende staf van Aäron) zijn er nog steeds. De laurier, de wilg en de oleander staan bij het wuivende riet langs de rivier.

De woestijn van Cholistan staat vol met "ada's". De vrouw van Lamech heette Ada en dat betekent zoutmelde. Dat is een plant die op onze brem lijkt en veel voorkomt in zandwoestijnen. Lamech had het kennelijk niet getroffen met zijn vrouwen; een andere vrouw van hem heette Zilla. Dat is de naam voor een bijzonder stekelige plant, waarvan varianten in Pakistan voorkomen.

Bijbelse tijdens herleven. Ook wat het misbruik van de armen betreft. Maar in het vrijwel geheel islamitische Pakistan staan nog geen profeten op die waarschuwen tegen kinderarbeid of nagenoeg heuse slavernij. Een christen is hier een zoveelsterangs burger, goed genoeg om vuil te ruimen en de straat te vegen.

Slaven met een groots verleden

Een bijna tandeloze bewoner van de woestijn van Cholistan, in het zuidwesten van Pakistan, haast zich naar de ruim 4000 jaar oude restanten van een oud paleis. De 'gids', lid van de Bheel-stam, weet van geschiedenis niet veel. Knappe bouwers waren het vroeger wel, weet hij te melden. "Kijk maar, ze gebruikten geen cement. Ze vermaalden een bepaald soort bonen, vermengden die met water en lijmden de gladde stenen vrijwel naadloos." Een triest verhaal over hoe beschaafde lieden met een grootse culturele achtergrond, schuwe slaven werden.
Toen de aartsvader Abraham uit Ur wegtrok, ruim 2000 jaar voor Christus, vlak bij de Eufraat, hadden de Bheels rond de Indus al lang en breed prachtige gebouwen opgetrokken en gebruikten ze met verve het pottenbakkerswiel. De Chinezen goten in de toenmalige Erh-li-kang-periode prachtige bronzen voorwerpen en bewerkten kunstig jade. Op Kreta bloeide de Minoïsche cultuur, de Egyptenaren keken toen al eeuwen op naar hun piramiden en sfinxen. Eén ding hadden al die culturen met elkaar gemeen: ze wedijverden in het maken van afgodsbeeldjes. Centraal daarbij stond de wulpse en vaak weinig verhullende godin van de vruchtbaarheid. Godsdienst en seksualiteit hebben altijd en overal een nauwe relatie.

Hoe zag ons land er rond die tijd uit? Daar zwierven nog niet eens dobbelende Batavieren rond en was de godin Freia nog onbekend. Van vrijwel al de grote culturen zijn wij op de hoogte, maar met de kennis van de Indus-cultuur is het droevig gesteld.

In de woestijn in Pakistan komt die vergeten cultuur tot leven. Al is het overblijfsel nietig. Het beperkt zich tot een aantal ruïnes van grote, oude forten, een enkel restant van een paleis. Midden in de woestijn doemt een immense ruïne op. Het blijkt te gaan om het paleis van de Somro-familie en het telde ooit vier verdiepingen. De grote hal moet 25 bij 40 meter groot geweest zijn, schat ik.

Indus-cultuur

Archeologen zijn na opgravingen in onder andere de steden Moenjodaro en Harappa tot de conclusie gekomen dat het geheel deel uitmaakte van de Indus-beschaving. Sterker nog, de leden van de Bheel-stam waren de eersten die in deze Indus-beschaving tot verstedelijking en bijzondere culturele hoogten kwamen. Ongeveer 400 jaar na Christus is het paleis van de Somro's grotendeels verwoest. Maar dankzij een beperkte restauratie zijn de ruïnes voor verder instorten behoed. De perfecte rondingen en de grote overspanningen verraden een kundig architect, de 'lijmtechniek' geeft aan dat de bouwvakkers hun handwerk uitstekend beheersten.

Tientallen kilometers verderop in de woestijn liggen de naar alle waarschijnlijkheid nog oudere kleiforten. Deze versterkte woonplaatsen van 100 bij 150 meter gaven de grenzen van de Indus-culuur aan. De grote wereldculturen verdwenen, ze leven nog bij de gratie van hun oude gebouwen of kunstschatten in musea. De teloorgang van de 5000 jaar oude Bheel-cultuur laat een heel wrange smaak achter. De eens zo knappe bouwers en handwerkslieden, mensen die een grote culturele hoogte bereikten, zijn nu Pakistans paria's, de verschoppelingen, de verworpenen die vaak lezen noch schrijven kunnen.

Reeds 3000 jaar voor Christus ontstond de Indus-beschaving. Dat was ongeveer in de tijd dat het -ons oudst bekende- schrift in Mesopotamië zich ontwikkelde en de Sumerische cultuur ging bloeien.

Wedijver

Aan de Indus en in wat nu de woestijn van Cholistan is, verfijnde zich de cultuur. Het aardewerk kon wedijveren met dat van Egypte en China, kleding van met name vrouwen liet gevoel voor stijl en waardigheid zien, juwelen van zilver en goud bleken stukjes vakwerk van de bovenste plank. De mensen dansten vol gratie, hun huizen beschikten reeds toen over badkamers en waterclosets in een tijd dat elders zelfs de Chinese vorsten hun behoefte nog deden in de hoek van een kamer en hygiëne wereldwijd ver te zoeken was.

Door toedoen van zowel mensen als het natuurgeweld kwam er een einde aan deze beschaving, al is het precieze einde van de Indus-cultuur in nevelen gehuld. Hevige overstromingen van de Indus moeten vrijwel onherstelbare schade hebben aangericht aan gebouwen en landbouwgronden. De nomadische Ariërs kwamen vanuit Centraal-Azië en overweldigden rond 1600 voor Christus het hele gebied van de Indus-cultuur. Deze Ariërs waren groot, hadden een betrekkelijk lichte huidskleur en keken neer op de veel donkerder gekleurde Bheels uit het Indo-Pakistaanse gebied.

Kasten

De Ariërs kenden het zogenaamde kastensysteem. Daarmee duidden zij het verschil in sociaal en intellectueel niveau tussen de mensen aan. In het heilige boek van de hindoes, de "Rig veda", staan de wetten van Manu. Daarin wordt uitgelegd dat er vier standen zijn in het menselijk geslacht. Dat kastensysteem heeft ervoor gezorgd dat de eens zo verheven Bheels nu tot de laagste kaste behoren.

De eerste kaste kwam voort uit de mond van de eerste mens, zo staat er. Die kaste wordt gevormd door de brahmanen, de priesters en de leraars. De Ksatrija's kwamen voort uit de armen van die eerste mens en zij vormen de stand van de krijgers en de heersers. Uit de dijbenen kwam de derde kaste te voorschijn. Dat zijn de Vaisha's, de boeren en de handelslui. Maar uit de voeten werden de Sjoedra's voortgebracht en zij moesten al de anderen dienen. De oorspronkelijke bewoners van Indo-Pakistan, de Bheels, de Kol en de Drawars, kregen hun plekje in die laagste kaste.

Werken op het land, vuil ruimen was hun lot. Tot op de huidige dag werkt dat door. De tegenwoordige moslims houden al dan niet onderbewust vast aan het systeem, maar zij plaatsen daarbij vooral niet-moslims in de onderste kaste. In de hoofdstad Islamabad bijvoorbeeld hebben de straatvegers een soort sticker op hun kleding met de letters CDA. Dat blijkt de aanduiding voor gemeentewerken (City Development Authorities; de spreektaal is Urdu en de ambtelijke taal is Engels).

Juist christenen

Bij navraag blijkt dat het grootste deel van de straatvegers christen is. Velen van hen blijken ook ongeletterd omdat op de islamitische staatsscholen lesgeld gevraagd wordt en christenouders dat vaak niet kunnen opbrengen.

De Sjoedra's worden door iedereen veracht. Het betekent in de praktijk dat men landarbeider kan worden en werk mag doen waarvoor hindoes en moslims zich te goed achten. Een paar voorbeelden? Het verwijderen van dode beesten die in de straten of op de velden liggen. De huiden ervan afstropen. Overleden mensen die geen familie hebben, moeten ook weggebracht worden. Het executeren van door de overheid ter dood veroordeelden is een werkje waarvoor een moslim of hindoe zich evenmin leent. Het schoonmaken van al dan niet openbare toiletten is ook voorbehouden aan de laagste kaste en het reinigen van de straat al evenzeer.

Verachtelijk

In de praktijk van alledag betekent het dat de Sjoedra's, onder wie veel christenen, zich mede voeden met vlees van beesten die een natuurlijke dood stierven. Ook eten ze heel vaak de restjes van de rijken. Op het platteland worden de arbeiders, zoals de Bheels bijvoorbeeld, pas betaald na de oogst. Vaak krijgen ze wat toegeworpen na de oogst van de tarwe of de rijst. Als de boer het geld van de katoenoogst binnen heeft, betaalt hij ook een gering bedrag aan de arbeiders. We moeten hierbij bedenken dat in de ogen van een hindoe niets verachtelijker is dan het eten van de resten van een ander.

Vanouds leefden de Sjoedra's buiten de dorpen of steden. Tromgeroffel gaf aan dat een dier dood was en geruimd moest worden. Vaak stormden de hongerigen naar het dode beest om zich te voeden. Als er hindoes begraven werden, aten zij van de resten van de overvloedige begrafenismaaltijden. Bepaalde straten waren verboden voor de laagste kasten. Leden van hogere kasten liepen zelfs om de schaduw van een Sjoedra heen. Huwelijken hadden uiteraard alleen binnen de eigen kaste plaats.

Hindoeïsme

De Ariërs werden vele eeuwen voor Christus de overheersers die de Indus-cultuur vernietigden en naar hun hand zetten. Hun godsdienst vermengde zich met plaatselijke godsdiensten, waaruit het hindoeïsme ontstond. Deze godsdienst komt de twijfelachtige eer toe dat ze het kastensysteem tot een religieus dogma verhief. De Veda's worden nog steeds als openbaring erkend.

Achter het kastenstelsel zit dat de goden je bestemming op aarde voorbestemd hebben, een soort nooit meer te veranderen uitverkiezing, bestemming van sociale status dus. Het gaat niet te ver te stellen dat het hindoeïsme ongelijkwaardigheid en haat in de maatschappij religieus onderbouwde.

Uiteraard kwam er reactie op de inval van de Ariërs en hun kastenstelsel. Het eerste religieuze antwoord kwam vijf eeuwen voor Christus van Boeddha, een Indiase hindoeprins. Hij was zo ontroerd door al het menselijk leed van de armen dat hij zijn paleis vaarwel zegde en alle mensen benaderde met de meditatieve boodschap dat elk mens gelijkwaardig is. De brahmanen en de Ksatrija's bestreden deze leer van gelijkheid bitter en fel. In India ging de meerderheid van de derde kaste, de boeren en de handelslui, over naar het boeddhisme.

Islam

Ruim duizend jaar later komt er in Indo-Pakistan een reactie van de kant van Mohammed en de islam. Ook Mohammed leerde gelijkheid. Na de invasie in 712 van de islamitische Mohammed Bin Qasim was de islam gevestigd en zou jaren lang sterk missionair zijn. Vooral de derde kaste ging overstag.

Het christendom kreeg onder het bewind van de Britse Oost-Indische Compagnie in de achttiende eeuw geen kans: zending streed met handelsbelangen. Pas toen de Britse regering de compagnie overnam mochten er zendelingen het land in. Een zendeling als Alexander Duff wilde in 1830 met zijn zendingsdrang de twee hogere kasten benaderen. Het resultaat was miniem.

De Amerikaanse zendeling Andrew Gordon wilde het heil juist onder de Sjoedra's bekendmaken. In de periode van 1855 tot 1930 gingen duizenden armen in met name het noorden van de provincie Punjab over tot het christendom. Daar bevindt zich de kern van de christelijke kerk. Waar noch het boeddhisme, noch de islam in slaagde was het bereiken van de allerlaagste kaste. Het betekende enige scholing en medische zorg. Maar nog steeds is de situatie voor christenen nijpend, zijn ze de verworpenen en de achtergestelden.

De Bheels zijn in godsdienstig opzicht blijven steken in de oudheid. Ze dienen hun goden, de "mallan" en laten zich religieus begeleiden door hindoepriesters, die hen ongelooflijk uitbuiten bij rituelen rond geboorte, trouwen en begraven. Die priesters eisen hoge bedragen. Zodoende moeten de Bheels weer geld lenen van de landeigenaar, die hen daardoor dubbel in de tang heeft.

De Bheels, de oude heersers, in het zuiden van Pakistan zijn ook nauwelijks in aanraking geweest met het christendom. Ds. Samuel Chand trekt zich hun lot aan en wil scholing en medische verzorging opzetten. Hij wil hen graag met Gods Woord op de hoogte brengen, zodat ze niet alleen in geestelijk opzicht maar ook wat betreft hun leven hier en nu weerbaarder worden.

Actie Pakistan levert 715.000 gulden op

De actie voor Pakistan van het Reformatorisch Dagblad heeft 715.000 gulden opgebracht. De president van de raad van bestuur van de Erdee-holding, J. L. van den Heuvel, maakte dat vorige week bekend in Gujranwala tijdens een bijeenkomst met leden van de lokale partnerorganisaties. Zij gebruiken het geld vooral om jongere en oudere mensen leesonderwijs te geven.
Circa 75 procent van de Pakistani is analfabeet. In het bijzonder onder christenen is het percentage hoog. Als mensen de kunst van het lezen machtig zijn, kunnen zij zelfstandig gebruikmaken van de Bijbel. Ook in het maatschappelijk leven hebben zij dan kans op een betere positie. Over het algemeen is de christelijke minderheid niet in tel.

De symbolische onthulling van het bedrag had plaats in het guesthouse van de Adult Basic Education Society (ABES), een organisatie die zich richt op onderwijs in achterstandsgebieden. Van den Heuvel vertelde aan ABES-directeur Vincent David, tevens ouderling in de Presbyteriaanse Kerk van Pakistan, dat hij op 33.119 Amerikaanse dollars mag rekenen. Ds. Arthur James ontving voor zijn kerken de toezegging van 187.000 dollar. Hij maakt deel uit van het moderamen van de Presbyteriaanse Kerk, die 200.000 zielen telt, en doceert Nieuwe Testament aan het theologisch seminarie in Gujranwala. Het comité dat zich liet vertegenwoordigen door ds. Samuel Chand kan schooltjes bouwen, zondagsschoolwerk opstarten en vrouwen huishoudelijke vaardigheden bijbrengen voor 61.273 dollar. Chand houdt zich bezig met ontwikkelingswerk en evangelisatie onder een nog in stammenverband levende groep in het gebied Holistan. Gezien de lage levensstandaard kan er met het in Nederland bijeengebrachte bedrag veel werk gebeuren.

Motivatie

Van den Heuvel wees in een toespraak op Galaten 6:2 en 10, om duidelijk te maken waarom de bewoners van een zo vergelegen land zich inspannen voor Pakistani. Hij vertelde tevens een en ander over het in Pakistan volstrekt onbekende fenomeen van een christelijk dagblad. "De krant brengt natuurlijk het algemene nieuws, maar bovendien valt ook de bijbelse boodschap van zonde en genade daarin te vinden. Deze boodschap is van levensbelang voor de wereld, maar ook voor Nederland. Wij wonen in een zogenoemd rijk land. Maar wat is rijk? Rijk aan geld zonder God is feitelijk diepe armoede. Alleen een leven met God is een gezegend leven."

Dr. Arthur James die de leiding van de bijeenkomst had, bedankte mede namens de beide andere lokale organisaties de lezers van het Reformatorisch Dagblad en degenen die zich hebben ingezet om het bedrag bijeen te brengen.

Pakistani eten 't ei, niet de kip

"Wij eten het ei, maar niet de kip", zegt dr. Arthur James. Met die woorden verdedigt de dominee uit Gujranwala dat de Presbyteriaanse Kerk van Pakistan alleen de rente gebruikt voor het lees- en schrijfonderwijs aan de kinderen. En niet het via de RD-actie van 2000-2001 bijeengebrachte kapitaal van 715.000 gulden. Overtuigender nog dan het onderricht via de PCP draait het tweede projectonderdeel: de vijf via de actie gebouwde schooltjes voor onderwijs aan de Bheels. Het onderwijs loopt als een trein.
Het analfabetisme is groot onder de ongeveer 150.000 als Bheels bekendstaande, nog altijd in stamverband levende mensen. Zij wonen in woestijnachtige gebieden in de wijde omtrek van de stad Rahimyar Khan. Doorgaans in armzalige lemen huizen. En ze houden wat buffels en geiten. Twintig of dertig jaar geleden sliepen ze op de grond. Dat leerde hun de hindoegoeroe. Nu hebben de meesten een verplaatsbaar bed met een bodem van touw, dat gelijk dient als tafel en stoel. De vrouwen onderscheiden zich door een kleurige dracht. Er is een gemeenschappelijke keuken in ieder dorpje. In de openlucht. Elke nederzetting bestaat uit zo'n 75 tot 150 gezinnen. De daken van de behuizing zijn van riet en stro. De vloer is van leem. Het enige vertrek in het huis is zit-, eet- en slaapkamer tegelijk. Soms is er sprake van een wat beter onderdak, met een deur en een binnenp laats met muren. Niet zozeer wegens gevaar, maar in verband met privacy. Bheels hebben tot op heden eigenlijk nauwelijks een concept van dagen. Als ik vraag: "Wanneer ben jij geboren?" luidt het antwoord: "Het regende heel erg." Of: "Het was een hete dag." Van huwelijks- of geboorteregistratie is geen sprake.

Lezen en schrijven via leitjes

De schooltjes hebben allemaal een rieten dak. Dit in verband met de warmte. Zij worden bezocht door Bheels: hindoes en moslims. De kinderen leren Engels en Urdu lezen en schrijven. Jongens en meisjes zitten in gescheiden klassen, anders ontstaan er problemen met de traditioneel denkende ouders. Ze schrijven op leitjes. Soms stuurt een moeder een nog kleiner kind mee naar school. Dan is zij er even af. Hoe dan ook, ze leren het woord clock, dog, elephant and so on.

De kinderen komen niet allemaal even trouw, maar de bovenmeester houdt dat nauwkeurig bij op zijn lijsten. Na het volgen van dit drie jaar durende onderwijs kunnen de kinderen instromen in de secundaire school, grade 6, 7 of 8. Daarna is het theoretisch mogelijk via een examen toegang te krijgen tot de highschool. Theoretisch! Want alles kost geld. En dat is onder de Bheels een zeer zeldzaam iets.

Alle onderwijzers op de vijf scholen zijn christen, maar geen van hen hoort tot de Bheels. Christenen zijn meer betrokken op hun werk, vanuit hun geloofsovertuiging, zo vertelt de coördinator van het project, Samuel Chand. De onderwijzers hebben minimaal het niveau van highschool, dus voortgezet onderwijs. Zij zijn reeds geschoold vanuit het ministerie en worden bijgeschoold via de christelijke organisatie Adult Basic Education Society (ABES). Voor dat laatste gaan ze enige tijd naar de vergelegen stad Gujranwala. Ze slapen en eten dan in het guesthouse ter plekke.

Het is beslist niet zo dat er slechts voor de gelegenheid van het buitenlands bezoek meesters, jufs en kinderen zijn opgetrommeld. Want die laatste categorie geeft er blijk van hier dingen te hebben geleerd. Bovend ien vertelt Chand allerlei details over het leven van de onderwijzers. Hij kent ze dus van nabij. Zij leven in de week zelf in de dorpen. Er is voor hen een uiterst simpel onderkomen vastgebouwd aan de scholen.

De onderwijzers krijgen in dit door moslims gedomineerde land problemen als ze elke ochtend bijbelverhalen vertellen. Het devies van Chand luidt: "Leef ze Christus voor." In Nederland lijkt zoiets een loze kreet. Maar in Pakistan betekent het een zeer bewuste keuze. Het houdt in dat iemand heel nadrukkelijk het verschil zichtbaar maakt tussen christenen, moslims en hindoes.

Blij met onderwijs

De scholen staan in Chah 15, Chah 48, Chah 56, Chah 91 en Chah 115. De dorpen hebben hier een nummer. Op de tochten naar de gebouwtjes passeer ik nogal wat irrigatiekanalen. Kinderen zwemmen. Althans: jongens. Want voor meisjes is dat in een moslimland streng verboden. Het is eigenlijk vies water. Ook de buffels baden erin. En de moeders doen op dezelfde plek de was. Geef mij maar een Siemens. Of desnoods Bendix.

Ook om een andere reden ben ik blij in Nederland te wonen. De cultuur in Pakistan wijkt sterk af van de West-Europese. Ook onder christenen is de praktijk van het uithuwelijken nog algemeen. En wat te denken van het feit dat kinderen als vader sterft, met de rest van het bezit ook moeder kunnen verkopen? Een zoon kan vervolgens zelfs besluiten om "nu maar een motorbike te kopen."

Om een voorbeeld te noemen: in het dorp Chah 56 functioneren twee onderwijzers. Dit dorp ligt ongeveer 15 kilometer van de grens met India. De bosschages in de buurt wemelen van de soldaten. De school telt circa tachtig kinderen. Zijn poseren graag. Bij bezoek aan de school in Chah 115 spreek ik ook ouders, Bheels, die zich erg blij tonen met het onderwijs. In dit gebied is immers zo'n 5000 jaar geleden sprake geweest van een goede beschaving.

In de school in Chah 56 is tevens sprake van onderwijs aan volwassenen. Voor ik daar kennis mee maak, krijgt ik eerst een kop thee met water dat buiten op een vrij vuurtje wordt gekookt.

Daarnaast is er sprake van beroepstraining van vrouwen met naaimachines en dergelijke in de schoolgebouwtjes. Naaimachines en ander gereedschap blijken aangekocht. Naar westerse maatstaven uiterst ouderwets. Voor een land echter waar elektriciteit een fel begeerde maar veelal onbereikbare rijkdom is, precies geschikt. De schuchtere vrouwen durven de van ver gekomene nauwelijks aan te zien. Maar ze maken mooie dingen.

Zondagsschoolwerk

Een dochter van Chand, een afgestudeerd theologe, Nina, houdt zich vooral bezig met zondagsschoolwerk. Op een donkere avond trekt het gezelschap naar een van de dorpen. Koeien, geiten, ezels: alles loopt door elkaar. Van radio, televisie, telefoon en zelfs van elektriciteit is hier geen sprake. Daarom zijn de mensen allemaal gewoon thuis. Twee auto's verschaffen met voortdurend draaiende motoren via hun felle koplichten enige uitkomst. Overigens stijgt de temperatuur van het koelwater bij zoie ts ontoelaatbaar.

Ik kom tot gesprek met een grote groep mannen. Uiteraard via tussenkomst van een vertaler. Ik vertel iets over het land waar ik vandaan kwam. Over sneeuw. De Bheels raken geïnteresseerd. Ze zeggen ervan te dromen om ooit sneeuw te zien. De overstap naar het "I have a dream" van Martin Luther King is niet moeilijk. En over het op goede wijze samenleven van in allerlei opzicht verschillende mensen. "Hoe is dat mogelijk?" vragen de Bheel, die van nabij weten wat discriminatie is. "Omdat de almachtige Schepper van de hemel en de aarde door de Bijbel, het Woord van de allerhoogste Gebieder, mensen laat zien dat liefde veel beter is dan haat."

Evangeliseren in dit gebied valt niet mee. In de Bheeldorpen verschijnen af en toe ook welopgevoede moslims. Soms drinken de onderwijzers, zoals Nina, thee met de Bheels. De moslims stuiven op: "Drinken jullie thee met Bheels?" Antwoord: "Ja, Jezus heeft ons geleerd dat we allen menselijke wezens zijn. Hij leerde ons liefhebben." Dan is er een opening voor verder gesprek.

Het project loopt als een trein. Coördinator Chand voelt zich enigermate voldaan in dit werk. Tijdens een meeting met moslims gebruikten dezen ooit tegen Chand woorden van Mohammed: "Om te leven ga je desnoods naar China." Chand: "Ik breng China in de dorpen in de woestijn."

Drie deelprojecten

De in 2001 afgeronde RD-actie voor Pakistan bestond uit drie deelprojecten. Een van de drie betreft de organisatie ABES. Een deel van de opbrengst van de actie is voor deze 'pabo', met het doel -kort gezegd- mensen te trainen om volwassenen en kinderen te leren schrijven, lezen en rekenen, zodat zij in maatschappelijk opzicht op een hoger niveau zouden komen en zodat zij de Bijbel zouden kunnen leren lezen. Ook dit werk draait volop. In de stad Rawalpindi en in Gujranwala. Telkens melden zich groepen toekomstige onderwijzers. Bij een van die groepen reikte ik diploma's uit.

Via de PCP -de aanhef van dit artikel vestigt reeds de aandacht op dat dee lproject- zullen mensen uitgaan over diverse delen van het land om de via de training bij ABES verworven kennis te 'distribueren'. De rente is evenwel beperkt -de Pakistani eten het ei op, maar niet de kip- en daarom is een start gemaakt met het vervaardigen van onderwijsmateriaal.

Het derde deelproject betreft de Bheels. Eigenlijk is het een wonder dat er zo veel kan gebeuren. Pakistan is een buurland van Afghanistan. En het bleek zeer nauw betrokken bij de gebeurtenissen van 11 september 2001. De guerrilla's hebben in Pakistan vergaderd. Ook recent nog was er sprake van diverse aanslagen door moslimextremisten in Karachi en andere steden. Door deze betrokkenheid van Pakistan zijn eigenlijk alle op gang zijnde processen van christenen in het land vertraagd. Alleen al wegens toegenomen onveiligheid.