Donaties

Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.

Stort uw giften op:
giro: 29.70.700 

of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)

ten name van

Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.

Erdee Media Groep

Zoeken

Liberia 2009

Actie Liberia 2009

Een burgeroorlog teisterde van 1989 tot 2003 het Afrikaanse land Liberia. De strijd eiste circa 250.000 slachtoffers. Minstens 200.000 mensen raakten van huis en haard verdreven. Zij zijn nu binnenlandse vluchtelingen. Het is nodig het land weer op te bouwen. Veel mensen in Liberia verkeren in nood.
Het Reformatorisch Dagblad probeert de slechte leefomstandigheden van door de burgeroorlog getroffen gezinnen te verbeteren. Vaak gaat het om eenoudergezinnen. Veel vaders zijn in de burgeroorlog vermoord. Moeders -of tieners- moeten in hun gezing vaak acht monden zien te voeden. De voedselproductie in Liberia ligt op een zeer laag peil.

Het project waarvoor het RD fondsen werft ligt in district Paynesville van de hoofdstad Monrovia. Kernactiviteiten zijn: het op poten zetten van kleinschalige tuinbouw en het houden van kleinvee op braakliggend terrein in stadswijken. En een deel van de opbrengst van het project gaat naar gezondheidszorg: de strijd tegen malaria.

Bij de realisering van het project werkt het RD samen met de Stichting ZOA-Vluchtelingenzorg.

Projectomschrijving 2009

De actie Laat Liberia leven financiert een project dat gezinnen met een inkomen onder de armoedegrens leert hoe ze zelf eten kunnen verbouwen. Zij moeten ook werken aan verbetering van hun gezondheid. Het projectgebied ligt in drie wijken van het stadsdistrict Paynesville, aan de oostkant van Monrovia.
De kernactiviteiten in het project zijn kleinschalige tuinbouw en het houden van kleinvee op braakliggend terrein in stadswijken. Daarbij is sprake van training van vooral alleenstaande moeders op het gebied van voedselproductie. Dus hoe zij groenten moeten verbouwen en hoe zij kleinvee moeten verzorgen. Dat is uitermate belangrijk, want vlees, eieren en groenten vormen een essentiële aanvulling op de maaltijd in arme gezinnen.

Het is de bedoeling circa 2000 gezinnen op gang te helpen met kwalitatief sterk groentezaad voor bonen, erwten en bladgroenten. Ook kippen, konijnen en eenden komen niet zomaar uit de lucht vallen. Verder moeten de zorgvuldig geselecteerde deelnemers over het juiste gereedschap beschikken om het geleerde in praktijk te brengen. De gezinnen gaan het kleinvee delen met andere kwetsbare families.

Verder behelst het project het oprichten van honderd coöperaties van groenteverbouwende vrouwen. Die coöperaties moeten de groenten en de oogst op de markt brengen, evenals het vlees van kippen, konijnen en eenden. Het gaat erom dat groepen van ongeveer twintig vrouwen leren samen sterk te staan –dus ook goede prijzen te vragen– bij de verkoop van hun producten. Zo krijgen moeders extra tijd voor het huishouden. Dus ook voor hun kinderen.

De strijd tegen malaria is eveneens een onderdeel van het RD-project. Ongeveer 40 procent van de kinderen onder de vijf in Liberia overlijdt aan die ziekte. Wie ziek is, maakt niet veel meer klaar. Binnen het district Paynesville is echter geen sprake van bescherming tegen malaria. Het project richt zich daarom mede op voorlichting over malaria en het bevorderen van preventie door het verspreiden van geïmpregneerde muskietennetten.

Laat Liberia Leven!

liberia9.jpgEn na zo'n oorlog is het een enorme opgave om de samenleving weer op te bouwen. De RD-acties helpen niet alleen christenen. Maar het Woord van God vormt wel de motivatie.
In de hoofdstad van Liberia praat ik met de 70-jarige Nora. Als tiener kwam ze naar Monrovia. Nora en haar man kregen vijf kinderen. Een van hen stierf – nog maar twintig jaar oud. Hij vluchtte voor rondtrekkende terroristen. De rebellen sneden hem de keel door. Nora zag het voor haar ogen gebeuren.

Nora leeft in een uiterst armoedige situatie. Haar kinderen konden en vijf kleinkinderen kunnen niet naar school. Er is geen geld. Er zijn op de plek waar zij nu woont ook geen sanitaire voorzieningen en zuiver water. Om veilig water te vinden moeten ze soms kilometers lopen. En wie vies water drinkt, wordt ziek en sterft misschien wel.

Ik vroeg: „Je bent zeker boos op God, Nora? Hij kan het zeker niet baas?" Maar Nora zei iets heel herkenbaars voor een Nederlandse Bijbelgetrouwe christen. „Misschien is het wel oorlog geweest vanwege onze eigen zonden. Omdat God daar boos over is. Mogelijk was de oorlog een teken van God, dat Hij wil dat wij veranderen, ons bekeren."

„Gebeurt dat?" vroeg ik. Toen vertelde de vrouw dat er tijdens de oorlog veel mensen naar de kerk kwamen. „Maar velen blijven weer weg." Toch: „Er wordt in elk geval meer over de Bijbel gesproken. Sommige mensen denken dat de eindtijd nabij is." Nora is een uitzondering. Dat zou zij ook in Nederland zijn. Maar ze fungeert als een licht in haar omgeving.

In elk geval is het goed om mensen als Nora –en heel veel andere Liberianen met littekens en trauma's– te helpen. De RD-actie "Laat Liberia leven" probeert een druppel op de gloeiende plaat te zijn.

Over welk soort hulp gaat het? De voedselproductie in Liberia staat op een laag peil. Het geïmporteerde voedsel is erg duur. De actie financiert een project dat gezinnen met een inkomen onder de armoedegrens leert hoe ze zelf eten kunnen verbouwen. Zij moeten ook werken aan verbetering van hun gezondheid. Het projectgebied ligt in drie wijken van het stadsdistrict Paynesville, aan de oostkant van Monrovia.

De kernactiviteiten in het project zijn kleinschalige tuinbouw en het houden van kleinvee op braakliggend terrein in stadswijken. Daarbij is sprake van training van vooral alleenstaande moeders op het gebied van voedselproductie. Dus hoe zij groenten moeten verbouwen en hoe zij kleinvee moeten verzorgen. Dat is uitermate belangrijk, want vlees, eieren en groenten vormen een essentiële aanvulling op de maaltijd in arme gezinnen.

Het is de bedoeling circa 2000 gezinnen op gang te helpen met kwalitatief sterk groentezaad voor bonen, erwten en bladgroenten. Ook kippen, konijnen en eenden komen niet zomaar uit de lucht vallen. Verder moeten de zorgvuldig geselecteerde deelnemers over het juiste gereedschap beschikken om het geleerde in praktijk te brengen. De gezinnen gaan het kleinvee delen met andere kwetsbare families.

Verder behelst het project het oprichten van honderd coöperaties van groenteverbouwende vrouwen. Die coöperaties moeten de groenten en de oogst op de markt brengen, evenals het vlees van kippen, konijnen en eenden. Het gaat erom dat groepen van ongeveer twintig vrouwen leren samen sterk te staan –dus ook goede prijzen te vragen– bij de verkoop van hun producten. Zo krijgen moeders extra tijd voor het huishouden. Dus ook voor hun kinderen.

De strijd tegen malaria is eveneens een onderdeel van het RD-project. Ongeveer 40 procent van de kinderen onder de vijf in Liberia overlijdt aan die ziekte. Wie ziek is, maakt niet veel meer klaar. Binnen het district Paynesville is echter geen sprake van bescherming tegen malaria. Het project richt zich daarom mede op voorlichting over malaria en het bevorderen van preventie door het verspreiden van geïmpregneerde muskietennetten.

Een taxichauffeur vertelde mij over de dood van de familie van zijn vrouw Ruth, lid van een baptistengemeente. Het gebeurde toen rebellen plunderend en moordend rondtrokken. Ook Ruths familieleden waren het doelwit. De rebellen stookten het lemmet van hun kapmessen in het vuur witheet en staken het in de keel van Ruths moeder, vader en zus. Vervolgens draaiden ze de messen om en om. De familieleden van Ruth vonden de dood.

Laat Liberia leven!

Hulp voor lijdend Liberia

Jo kijkt getraumatiseerd uit z'n ogen. Toch vertelt de jongen z'n verhaal. „Tot de tanden gewapende rebellen beweerden dat opa wist waar diamanten of goud waren verborgen. Zij bonden hem vast. In de felle zon. Urenlang. Hij zweeg. De terroristen dreigden: „Wij zullen je vrouw en je kinderen mishandelen." Maar opa zei: „Ik weet niet waar goud te vinden is. Mensen hebben mij vals beschuldigd.""
Toen sneden de geweldplegers grootvader de keel door. „Zij haalden hart en lever uit zijn lichaam", vertelt Jo. „Mijn jongere zus moest die koken en opeten. Daarna werd zij door tien soldaten achter elkaar verkracht. Toen was zij dood. De rebellen bonden de rest van de familie in het huis vast –oma, moeder, een klein zusje en een tante– en staken de woning in brand. Zij dwongen mij alles aan te zien."

Jo was de enige van het gezin die wist te ontsnappen. Terwijl de terroristen toezagen hoe het huis met daarin grootvader en de overige familieleden uitbrandde, vluchtte hij de bush in. Hij was toen een jaar of tien, twaalf. In de rimboe ontmoette hij door eenzelfde lot getroffen kinderen. Overdag sliepen ze. 's Nachts stalen ze hun voedsel. Nu droomt Jo ervan. Elke nacht. „Dan zie ik moeder weer." In 1995 bereikte Jo de hoofdstad Monrovia.

De geweldplegers behoorden tot de The United Liberation Movement of Liberia for Democracy (Ulimo). Die groep opereerde vanuit buurland Sierra Leone. Zij toonde zich telkens extreem wreed. In de omgeving waar Jo woonde, doodden de rebellen elke nacht acht mensen. De inheemse cultuur zegt dat het 'bezit' van iemands hart of organen –na hem of haar gedood te hebben– kracht verleent.

Wederopbouw

Het verhaal van Jo is één detail. Zo zijn er duizenden. Veel slachtoffers van de burgeroorlog vluchtten naar sloppenwijken in Monrovia. De langdurende conflicten vernietigden tevens de infrastructuur van het land. Zij werkten ook door in de gezondheidszorg en de beschikbaarheid van voedsel. Veel kinderen in Liberia overlijden aan cholera en malaria. Hun verzorgers schieten tekort in kennis en hebben gebrek aan belangrijke zaken zoals malarianetten en schoon water.

Sinds 2003 houden de Verenigde Naties intensief toezicht in Liberia. Het is een zware opgaaf voor de in 2005 verkozen president Ellen Johnson-Sirleaf om het gebied tot een stabiel land te maken. Want armoede en ellende kunnen telkens nieuwe conflicten oproepen. Nog altijd spelen er etnische problemen. Wederopbouw en groei in welvaart verkleinen echter de kans op nieuwe burgeroorlog in het formeel nog altijd christelijke land.

Eten verbouwen

De RD-actie is gekoppeld aan een programma van stichting ZOA-Vluchtelingenzorg. En de hulp komt primair ten goede aan gezinnen met alleen een moeder of zelfs geen ouders. Want veel vaders lieten in de burgeroorlog het leven. Talloze mannen nemen de verantwoordelijkheid voor hun gezin niet serieus. Moeders –of tieners– moeten vaak acht monden zien te voeden. Terwijl de werkloosheid in Liberia formeel op 85 procent ligt.

Over welk soort hulp gaat het? De voedselproductie in Liberia ligt op een laag peil. Het geïmporteerde voedsel is erg duur. De actie financiert een project dat erop gericht is gezinnen met een inkomen onder de armoedegrens te leren hoe ze zelf eten kunnen verbouwen. Zij moeten ook zelf werken aan verbetering van hun gezondheid. Het projectgebied ligt in drie wijken van het stadsdistrict Paynesville aan de oostkant van Monrovia.

Het is de bedoeling dat de lezers van het Reformatorisch Dagblad minstens 300.000 euro bijeenbrengen. Met een investering van nog geen 20 euro per persoon kunnen gezinnen hun inkomen aanzienlijk uitbreiden. En dan zal naar verwachting ook 50 procent minder kinderen ziek worden (en sterven) als gevolg van malaria-infectie. Als er meer geld binnenkomt, zullen meer mensen hulp ontvangen.

Kleinvee verzorgen

De kernactiviteiten in het project zijn kleinschalige tuinbouw en het houden van kleinvee op braakliggend terrein in stadswijken. Daarbij is sprake van training van vooral alleenstaande moeders op het gebied van voedselproductie. Dus hoe ze groenten moeten verbouwen. En hoe ze kleinvee moeten verzorgen. Dat is uitermate belangrijk. Want vlees, eieren en groenten vormen een essentiële aanvulling op het eten in arme gezinnen.

Het is de bedoeling circa 2000 gezinnen op gang te helpen met kwalitatief sterk groentezaad voor bonen, erwten en bladgroenten. Ook kippen, konijnen en eenden komen niet zomaar uit de lucht vallen. Verder moeten de zorgvuldig geselecteerde deelnemers aan het project natuurlijk geschikt gereedschap in handen hebben om het geleerde in praktijk te brengen. De gezinnen zullen het kleinvee gedeeltelijk delen met andere kwetsbare gezinnen.

Verder behelst het project het opstarten van honderd coöperaties van groente verbouwende vrouwen. Die coöperaties moeten de groenten op de markt brengen, evenals het vlees van kippen, konijnen en eenden. Het gaat erom dat groepen van ongeveer twintig vrouwen leren samen sterk te staan –dus ook goede prijzen te vragen– bij de verkoop van hun producten. Zo krijgen moeders extra tijd voor het huishouden. Dus ook voor hun kinderen.

Ook de strijd tegen malaria maakt deel uit van het RD-project. Ongeveer 40 procent van de kinderen beneden de 5 jaar sterft in Liberia aan die ziekte. Binnen het district Paynesville is echter geen sprake van bescherming tegen malaria. Het project richt zich daarom mede op voorlichting over malaria en het bevorderen van preventie door de verspreiding van geïmpregneerde muskietennetten.

Honderd wijkbewoners ontvangen training om hun wijkgenoten voor te lichten over het voorkomen van ziekten, zoals malaria en cholera. Zij gaan ook schoonmaakacties organiseren. Concreet betekent dat: poelen dempen en rottend vuil verbranden.

Liberia wordt geregeerd door de zogeheten Americo Liberians. Daarnaast leven er nog minstens vijftien verschillende Afrikaanse stammen in het land. En vluchtelingen. Een belangrijk aspect achter de burgeroorlog was het etnisch conflict. Een belangrijk effect van het project kan zijn dat mensen uit verschillende stammen meer met elkaar te maken krijgen, of moeten samenwerken. Dat zou toenadering en een vredesproces kunnen stimuleren.

Halfverwoeste huizen

Waarom draait het project in Monrovia en niet op het platteland? De Liberiaanse overheid lijkt zich vooral op het platteland te richten. Daarmee zou zij stemmen willen winnen voor de dit jaar te houden verkiezingen. Het projectgebied Paynesville ligt min of meer aan de rand van Monrovia. Het gaat om de gemeenschap in Wijk 72, de wijk van de Tolbert Road en de wijk Elwa. Elwa staat voor: Eternal Love Winning Africa.

In de jaren 60 was er in het district Paynesville nota bene een villawijk te vinden. In de wijk van de Tolbert Road woonden mensen die aanzienlijk boven het gemiddelde niveau van armen leefden. Er huisden toen in het hele gebied Paynesville zo'n 20.000 mensen. Nu zijn het er 120.000. Want later namen binnenlandse vluchtelingen en armen de door de burgeroorlog niet zelden halfverwoeste huizen van de oorspronkelijk welgestelde bewoners van de wijk in bezit.

In de drie wijken is al sprake van gezondheids- en onderwijsprogramma's, van actie voor mensenrechten om geweld tegen vrouwen te voorkomen, van waterprogramma's en het bouwen van sanitaire voorzieningen. En van opvang van wezen en jongeren. Het RD-project zou een prachtige aanvulling kunnen betekenen. Want al die mensen moeten eten. Ze moeten zelfvoorzienend worden.

Kappersopleiding

Nic Street (65) is een Engelsman. Hij is vanaf 2006 directeur van ZOA Refugee Care in Liberia. Nic vertelt dat hij werd geboren tijdens een Duitse luchtaanval op Engeland (1944). „Maar de Duitsers misten." Projectcoördinator Drake is afkomstig uit Uganda. En de zwarte staf van ZOA Liberia bestaat uit leden van diverse stammen. Dat leidt volgens Nic niet tot spanningen. Wel is hij altijd alert op corruptie.

Nic was vanaf 1994 bezig met projecten in Kroatië, Servië en Bosnië. Vanaf 1997 werkte hij voor non-gouvernementele organisaties als Oxfam en World Vision. In 2000 ging hij voor Unicef naar Oost-Timor en in 2002, de slotfase van de burgeroorlog, naar Liberia. Vanaf 2006 werkt Nic voor ZOA.

Nic neemt mij mee naar Wijk 72. Eén vrouwengroep is daar al bezig met een project, zoals er via de RD-actie velen van de grond moeten komen. Onder de eerste 37 vrouwen zijn zowel christenen als moslims. In 50 procent van de gevallen is hun man in de burgeroorlog omgekomen. Sommigen zijn ze ongetrouwd. Soms gaat het om vrouwen die een kind hebben omdat ze verkracht zijn in de burgeroorlog.

De groep werkt als een soort coöperatie. De vrouwen zorgen voor het verbouwen van groenten. Zij zorgen ook voor de verkoop van hun producten. Er is bovendien sprake van beroepstraining: een soort kappersopleiding en een bakkerij. De vrouwen zijn bereid initiatief te nemen. Dat is belangrijk in een land dat geteisterd is door burgeroorlog. Zij weten dat het leven goed kan zijn in hun land. Want zo was het in Liberia vóór 1980. In landen die nooit een redelijk welvarend bestaan kenden, ligt dat anders.

Kapmessen

Als ik in Monrovia een taxi induik, raak ik in gesprek met de chauffeur. Hij vertelt over z'n vrouw Ruth. Ze is lid van een baptistengemeente. Rond 2002 trokken plunderende, moordende rebellen met kapmenssen door haar woonplaats. De chauffeur vertelt hoe de rebellen het lemmet van de kapmessen in het vuur witheet stookten en het in de keel staken van de moeder, de vader en de zus van Ruth, om het daar vervolgens rond te draaien. Zij vonden de dood.

Ruth overleefde. Bijna iedereen die nog leeft, kan dergelijke verhalen vertellen. De RD-actie 2009-2010 is broodnodig.

Zorgen voor mensen met trauma

Zijn jeugd was niet gemakkelijk, vertelt ds. Taloo. „Ik was jong wees. Moeder stierf in het kraambed. En mijn stiefmoeder verwaarloosde mij. Zendelingen in de eerste drie jaar van mijn leven voor mij gezorgd. Daarna kwam ik terug bij vader. De zending zorgde ervoor dat ik onderwijs kon volgen."
Hij wilde predikant worden, maar ook eigenlijk wel sociaal werker. Nu begeert ds. Taloo mensen te helpen die zich in dezelfde moeilijke situatie bevinden als waarin hij ooit verkeerde. „Vóór de burgeroorlog woonden er in Elwa zo'n 6000 mensen, nu meer dan 20.000. In de oorlog woonden er wel 40.000 mensen. Toen was dit van oorsprong immers al heel arme gebied relatief veilig. Mensen van het platteland en uit het centrum trokken naar de wijk Elwa. Dit gebied was toen overbevolkt." Ds. Taloo probeerde voor gastheer te spelen. Hij trachtte mensen te bemoedigen en zag voor hen uit naar huisvesting.

Ds. Taloo diende diverse gemeenten als voorganger. Later studeerde hij aan een Bijbelschool in Ghana.

In 2002 keerde hij terug naar Liberia. Eerst verleende hij pastoraat in een hospitaal. Nu dient hij in Elwa een eigen kerk van circa 400 zielen. Een derde bestaat uit weduwen en meisjes van wie de man en vader in de oorlog is gedood. Die dramatische situatie blijft niet beperkt tot ds. Taloo's gemeente. De predikant beperkt zijn dienstwerk dan ook niet tot die kerk.

Kortgeleden preekte ds. Taloo in Monrovia over Mattheüs 5:16: „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien." Pas op hoor, zei hij: „Er bestaat ook kunstlicht. Dat schijnt even heel fel. En daarna is er weer sprake van dikke duisternis. Bedrieg uzelf niet! En denk erom", zei hij ook, „dat je door die goede werken de zaligheid niet verdient!" Een indrukwekkende Afrikaanse preek.

Trauma's

Kinderen van tien jaar herinneren zich heel goed dat hun vader, moeder, of broers werden meegenomen of in hun tegenwoordigheid werden gedood, vertelt de predikant. „De mensen zien vanbinnen nog telkens die beelden. Sommige vrouwen zijn zo vaak geconfronteerd met verkrachting dat ze het haten om nog mannen te zien. Ze vertrouwen niemand meer. Ze geloven niemand meer. En het is ook moeilijk voor hen geworden om nog overheidsregels te volgen."

Ds. Taloo probeert mensen op te voeden, hun de werkelijkheid van het leven te leren, zoals de Bijbel daarover spreekt. „De waarheid is dat wij zondaars zijn. God gaf Zijn Zoon Jezus om voor onze zonden te sterven. Hij neemt de last van de schouders van degenen die in Hem geloven. Dan geeft Hij vrede. Ik help hun te begrijpen dat de moordenaar verkeerd was, maar dat je moet vergeven. In je hart. Ook gebrek aan vergevensgezindheid is zonde."

De predikant vertelt dat zelfs aan moslims. „In onze sociale bijeenkomsten en jeugdkampen komen ook mensen van de islam. Wij proberen hen te bevrijden van hun traumatische last." In en rond Monrovia wonen trouwens nog tal van voormalige rebellen, moordenaars. „Soms is er sprake van confrontatie met binnenlandse vluchtelingen. Dan blijkt dat de haat nog altijd leeft." Ds. Taloo's gemeente probeert de situatie te verbeteren en organiseert bijeenkomsten. „Wij proberen getraumatiseerden te helpen."

De dominee wordt er niet rijk van. Hij krijgt 25 Amerikaanse dollar per maand van de kerk. „Veel te weinig om van te leven."

Het echtpaar Taloo kreeg vier kinderen. Maar er leven ook nog tieners in huis, die hulp nodig hebben. Zo leeft het gezin van de hand in de tand. Er is ook nog een school met 150 wezen of halfwezen aan de kerk verbonden. Pia Taloo fungeert als hoofd en verdient 50 Amerikaanse dollar per maand. Om meer geld binnen te krijgen, werkt ds. Taloo 's morgens als taxichauffeur.

Project

De RD-actie "Laat Liberia leven" is bedoeld voor mensen zoals in de gemeente van ds. Taloo. Binnenlandse vluchtelingen moeten leren groenten te verbouwen. En hoe zij kleinvee moeten verzorgen. Het is de bedoeling gezinnen op gang te helpen met goed groentezaad: voor bonen, erwten en bladgroenten. Zij gaan kippen, konijnen en eenden verzorgen om aan vlees te komen. En voor dat alles dienen ze natuurlijk over gereedschap te beschikken.

Via op te starten coöperaties brengen vrouwen die groente verbouwen hun producten op de markt. En het vlees van het kleinvee. Maar daarnaast maakt de strijd tegen malaria deel uit van het RD-project. Ongeveer 40 procent van de kinderen beneden de 5 jaar in Liberia overlijdt aan die ziekte. Het project richt zich daarom mede op voorlichting over malaria en het bevorderen van preventie door muskietennetten en voorlichting.

Christelijk

Liberia is grondwettelijk bekeken een christelijke staat met godsdienstvrijheid. De kerk van ds. Taloo is dus de enige niet. Het aandeel christenen ligt op 40 procent. De meesten zijn protestant. Veel mensen zijn –al of niet tegelijk– animist; zij geloven in geesten. Circa 20 procent van de bevolking behoort tot de islam. Maar er is sprake van schattingen, omdat er geen goede statistieken beschikbaar zijn.

Hoe christelijk is Liberia echt? Verlenen kerken hulp aan slachtoffers van de burgeroorlog? Zo'n 50 procent van de christenen zou op zondag ook daadwerkelijk naar de kerk gaan. Zij proberen zich dan netjes te kleden. Dat is voor een deel een kwestie van status. In de diensten is sprake van zingen en religieuze dans, dicht bij het originele bestaan van de mensen.

De kerken doen weinig voor armen. Ze focussen zich liever op een mooi kerkgebouw. Heel wat protestanten behoren tot pinkstergemeenten. Er zijn enkele gemeenten die wel duizend leden tellen.

Ergens in Liberia zie ik een bordje dat naar een pinksterkerk verwijst als „the chosen people", de uitverkoren mensen. Zij ontvangen steun uit de Verenigde Staten. Een kleiner aantal van de protestanten rekent zich tot de methodisten en tot de baptisten.

Relatief weinig Liberianen zijn rooms-katholiek. Al staat er in Monrovia wel een kathedraal.

Liberia telt heel wat bordjes die naar een kerk verwijzen. Hier is de Watchtower –dan gaat het over Jehova's getuigen– en een eind verder zijn The latter day Saints te vinden: mormonen. Ergens anders bevindt zich de Church of God in Christ. En ga zo maar door: de Faith Cafeteria, een drogisterij met de naam God's Grace, zelfs een Praise God Filling Station en een Temple of the Lord Farm.

Lokale kerken zijn vaak geregistreerd als bedrijven, als business dus. Sommige staan geregistreerd als niet-gouvernementele organisatie (ngo).

De uitstraling van het land is nogal christelijk. Maar de Liberiaanse praktijk bewijst dat dit vernis niet voldoende is om burgeroorlog te voorkomen. Ook al doen de kerken ook goede dingen. Ze runnen bij voorbeeld scholen. En de Rooms-Katholieke Kerk exploiteert een groot ziekenhuis in Monrovia.

Rituelen

Het christelijk vernis is tamelijk dun. Nog steeds bestaat ook het oude stammengeloof. Zo begraven mensen hun doden uit de familie dicht bij hun huis, vlak bij de achterdeur. Dat heeft te maken met voorouderverering. En een begrafenis is een belangrijke sociale gebeurtenis. Toen de schoonvader van ZOA-medewerker Nick Street overleed –die woonde in Sierra Leone– bezochten 2000 mensen de begrafenis.

Liberia kent ook geheime genootschappen. Zo is er een vrouwengemeenschap met de naam Sande. Dat wijdt meisjes in in de volwassenheid. Het heeft impact op hun seksuele gedrag. De band blijft het hele leven bestaan.

Zo is er ook een geheim genootschap voor mannen: Poro. Ook daarbij is sprake van rituelen bij het volwassen worden. En van later bestaande sociale controle. Wie er zich verstoont zonder bij het genootschap te behoren, wordt gedood.

Een jongen moest man worden. De chief en zijn helpers zouden hem inwijden met geheime ceremonieën. De leider nam hem mee naar een geheime plaats. Daar verkeerde hij in afzondering. Na twee weken keurden de mannen hem af. De chief vulde een deel van een colanoot –normaal gesproken is dat een teken van vriendschap– met vergif van kikkers. De jongen raakte in coma en stierf. Christelijk geloof is vaak slechts vernis.

De islam is niet heel nadrukkelijk aanwezig in Liberia. In elk geval schalt vanaf de minaret van een moskee in Liberia niet altijd de gebedsoproep. Liberia is immers een christelijk land.

In 2004 staken moslims kerken in brand. Christenen deden toen hetzelfde bij moskeeën. Er is sprake van animositeit. Mogelijk voelen moslims zich ietwat onderdrukt. Maar ze manifesteren zich doorgaans niet extreem in Liberia.

Etnisch

Etnische tegenstellingen leidden in Liberia tot burgeroorlog. Pia (41), de vrouw van ds. Taloo, is afkomstig uit het district Bong. In 1980 verhuisde ze met haar ouders naar Monrovia. Ze hadden een auto, een huis, een televisie. Alles was prima in orde. „Tot 1990 hadden we een goed leven", zegt Pia.

Toen kwam de oorlog. „We moesten ons huis verlaten. De buren zeiden dat mijn moeder een Nimba was." Dus van een andere stam.

Eerst kwam het gezin in een vluchtelingenkamp. Toen liep het naar de stad Kakata. Rebellen van Taylor wilden soldaten ronselen. Zij wisten dat de vader van Pia informant van de politie was. Vader ontkwam. Maar de terroristen pakten Pia en haar tweelingzus. Ze zetten hen letterlijk het mes op de keel. De soldaten doodden de meisjes niet. Zij kleedden alle meisjes uit. En ze wilden dat ook Pia en haar tweelingzus met hen zouden 'slapen'. Als door een wonder ging dat niet door, omdat de commandant het verbood. „Dat was Gods werk", zegt Pia.

Nu is zij predikantsvrouw. En zij begrijpt mensen met angst als geen ander. Zij helpt haar man in de zorg voor resocialisatie van mensen met trauma's. Hun huwelijk is gezegend met vier kinderen. Maar ze heeft zestien kinderen in huis: om voor te zorgen, om ze eten en kleding te geven. Want die kinderen hebben niemand meer.

Kruisjes

Liberia loopt vol met gewezen kindsoldaten. Ik ontmoet zo'n groepje. Zij willen van het geweld afkomen.

Ze hebben werk. Nou ja..., onder leiding van de idealist James Vallai maken ze kruisjes van voormalige patroonhulzen. Die kruisjes worden soms verkocht. „Wij willen proberen vrede te maken. Conflicten zijn negatief als ze leiden tot geweld. Maar ze vormen ook een positieve kans. Als je ze in goede banen leidt."

Dit is het tweede artikel in een serie van vier over de RD-actie "Laat Liberia leven". Het volgende artikel verschijnt op 11 december.

Laat Liberia Leven - 1

Benita leefde, als gevolg van de burgeroorlog die tussen 1989 en 2003 in het land woedde, zeven jaar in de rimboe. Ze trok van plaats naar plaats om mogelijke vijanden te misleiden. In 1996 belandde Benita in Monrovia. Voor zulke vrouwen in het bijzonder gold: wie niet werkt, krijgt ook geen eten. Zij begon vrachtwagens die met zand geladen moesten worden met de hand te vullen. Nu vergruist zij rotsen tot puin. Net als Martha. Die heeft een paar kinderen. Maar ze weigert iets te vertellen over haar man. Moordende en plunderen rebellen onder commando van leiders als Charles Taylor en Prince Johnston hebben haar ettelijke malen verkracht. Is dat de achtergrond van Martha's zwijgen?

Dergelijke verhalen vallen eveneens te vertellen over Mammy en Howa. Maar de vier vrouwen zullen straks –evenals tientallen anderen– in staat zijn in tuinen hun eigen voedsel te verbouwen. Om kippen en kleinvee te houden. Want alle vier participeren zij in het RD-project dat gestalte krijgt via samenwerking met ZOA-Vluchtelingenzorg.

Laat Liberia Leven - 2

liberia9.jpgTijdens de burgeroorlog kwamen zeker 250.000 mensen in Liberia om het leven. Ook gebouwen raakten buiten gebruik. Van Hotel Africa –het telde vier of vijf sterren– is niet veel anders over dan een doorzichtig geraamte. Rond 1990 nam rebellenleider Prince Johnson het gebouw in beslag. Hij doodde er veel binnenlandse vluchtelingen. En in 1999 zorgde oorlogsgeweld ervoor dat het hotel helemaal werd verwoest.

 

 

Laat Liberia Leven - 3

liberia4.jpg„Het moet een keer afgelopen zijn met die oorlog", dachten Liberiaanse moeders. Onder leiding van mevrouw Cerue (foto 3) verzamelden zich op de vismarkt elke dag duizend vrouwen. Zo trokken zij in 2003 de aandacht van de toenmalige president Charles Taylor. Hij zwichtte uiteindelijk en beloofde de vredesbesprekingen in Accra bij te wonen. Dat gebeurde. Ook zeven Liberiaanse vrouwen vertrokken –onder leiding van Cerue– naar die stad. Zij mobiliseerden Ghanese dames en vormden samen een kordon om het gebouw waar de partijen bijeenkwamen. Een ultimatum vertelde: „Jullie komen er niet uit voordat er vrede is." De vrouwen zorgden dat er niemand door een raam ontsnappen kon. Hun pogingen hadden succes.

Laat Liberia Leven - 4

liberia3.jpgDe burgeroorlog was behalve dodelijk ook geldverslindend. Tientallen jaren was er daarom geen duit beschikbaar om bruggen en wegen te onderhouden. Toen stortte in een nacht in 2007 –bij het krieken van de dageraad– de Old Bridge zomaar in elkaar. Die brug verbindt het centrum van Monrovia met Bushrod Island. Gelukkig stak op dat ogenblik geen verkeer of voetganger de Mesuradorivier over. De ingestorte brug was –om zo te zeggen– een laat gepresenteerde rekening.

 

 

Laat Liberia Leven - 5

liberia2.jpgIn de wijk Jacobstown van Monrovia staat een kerk. En vlak daarachter een moskee. Tussen christenen en moslims waren voorheen nooit veel conflicten in Liberia. Ze leefden vreedzaam samen. Maar toen de vrede eenmaal was getekend in 2003 probeerden voormalige rebellen die in de overgangsregering mede aan de touwtjes trokken de beide religieuze groepen te manipuleren. Onrust zou hun immers de kans geven de verkiezingen uit te stellen. Zodat ze langer aan de macht konden blijven.

 

 

Laat Liberia Leven - 6

liberia1.jpgMaar de Liberiaanse vrouw Eireen (l) –dat betekent: vrede– zet zich als christen in voor haar in beroerde omstandigheden levende medeburgers. Zoals Annie en Harding, die het in de burgeroorlog heel moeilijk hadden.

 

 

 

 

RD-actie helpt kindsoldaten nieuw bestaan opbouwen

liberia7.jpgIn een pick-up truck brachten soldaten van Taylor kindsoldaat James naar het front. Zij vroegen: „Wil je vechten?" Hij vertelt mij nu, zo veel jaar later: „Als ik nee gezegd had, zouden ze mij direct hebben gedood. Dus ik vocht. En ik schoot."
Zelf kreeg James een schot in zijn bovenbeen. Zijn medische behandeling kostte een maand. Hij loopt nog steeds ietwat vreemd. Na die maand moest hij opnieuw vechten. De jongen heeft mensen gedood. In 2003 kwam hij al vechtend in Monrovia. Tien jaar was hij toen.

Een familielid van James zag hem en vertelde hem waar zijn vader was. Maar zijn vader bleek hem niet te kennen. Of wilde hij hem niet kennen? James liep over. Van de Liberian United for Reconciliation and Democracy (LURD) naar het leger van Taylor. De chief security van die soldaten knipte hem het lange haar af. Toen herkende James' vader hem weer.

Twee weken schoot James nog voor Taylor op z'n vroegere makkers. Toen was Taylor verslagen. En vastbesloten heeft James op dat ogenblik gezegd: „Ik zal nooit meer vechten."

Burgeroorlog

De grondstof van de burgeroorlog, die van 1989 tot 2003 duurde, begon zich al lang geleden te vormen. In 1821 kocht een genootschap van voormalige slaven in de VS het domein rond Kaap Mesurado. Dat moest kolonisatiegebied worden voor vrijgelaten negerslaven. De eerste vrijgelaten slaven kwamen in 1822 aan land. Een blanke Amerikaan, Jehudi Ashmun, ontpopte zich als leider en wordt beschouwd als de stichter van het land Liberia. Maar vanaf 1841 fungeerde Joseph Jenkins Roberts –een zoon van de vrije zwarten uit Amerika– als gouverneur.

Liberia was dus nooit een blanke kolonie. Roberts breidde het gebied sterk uit. Dat leidde soms al tot strijd met de oorspronkelijke, inheemse bevolking. Zo ontstond er een nieuw dilemma: de tegenstelling tussen zwarten onderling. Er groeide –en dat was begrijpelijk– onenigheid tussen de leidende groep van de uit Amerika afkomstige negers en hun afstammelingen enerzijds en de autochtone bevolking anderzijds.

De blanke Amerikanen trokken zich geleidelijk terug. De zwarte emigranten die afkomstig waren uit de Verenigde Staten kregen de naam Americo-Liberians. Golden zij in de VS als tweederangsburgers, in Liberia gaven zij leiding. Nog altijd woonden er echter minstens vijftien oorspronkelijke etnische groepen in het land. Deze werden als relatief onbeschaafd beschouwd. De Americo-Liberians communiceerden totaal niet met hen. En de vrijgekomen Amerikaanse slaven kregen de naam "black colonists".

Firestone

Gouverneur Roberts riep op 26 juli 1847 de onafhankelijkheid van Liberia uit. Hij werd president. Zijn Americo-Liberians trokken aan de touwtjes, ook al vormden ze nooit meer dan 5 procent van de totale bevolking. Zij noemden de vijftien in het gebied van het huidige Liberia levende stammen "Congo people". Die originele etnische groepen voelden zich onderdrukt. In de praktijk waren zij tweederangsburgers.

Roberts en de zijnen zorgden niet voor onderwijs en ontwikkeling van de andere stammen en voor infrastructuur. De stammen vochten ondertussen onderling hun twisten uit. Daarbij merkt Nic Street, de ZOA-landdirecteur voor Liberia, op: „Ik ben er zeker van dat de Americo-Liberians die stammenoorlogen manipuleerden." De Verenigde Staten beschermden de heersende klasse en niet de oorspronkelijke bewoners. Er was sprake van een onevenwichtige machtsverhouding tussen allochtonen en autochtonen.

In 1926 wist de Amerikaanse rubberfabrikant Firestone een soort leasecontract voor 4000 vierkante kilometer Liberiaans grondgebied te sluiten, dat voor 99 jaar van kracht zou zijn. Firestone vestigde een plantage. De Americo-Liberiaanse regering zegde 25.000 autochtone arbeiders toe. In 1930 bleek uit een rapport van de Volkenbond dat er praktisch gezien sprake was van slavernij. Americo-Liberians zouden zelfs slaven hebben geëxporteerd naar Equatoriaal Guinee. Het kostte president King zijn ambt.

De situatie in Liberia bevatte dus voldoende bestanddelen voor een burgeroorlog. Nog altijd werken er trouwens zo'n 14.000 rubbertappers voor Firestone. Zij verlaten de plantage niet. Formeel zijn ze vrij. In de praktijk betekent vertrek hongerlijden en meer armoe. Nu al beschikken deze mensen nauwelijks over goed water of sanitaire voorzieningen.

Voorspel

William Richard Tolbert trad in 1971 aan als president van Liberia. Hij voerde hervormingen in. Toch ontstond er oppositie. Tolbert deed ook goede dingen, maar was min of meer verantwoordelijk voor een verslechterde relatie met de VS. Het leidde ertoe dat de Amerikanen uit Liberia vertrokken. In 1980 pleegde de voormalige sergeant Samuel Doe een staatsgreep. Tolbert zou toen zijn gedood. Zijn vrouw vertelde dat de CIA opdracht gaf hem te vergiftigen.

Doe was de eerste autochtone president. Hij behoorde tot de Krahnstam en had weinig scholing. Alle stammen in Liberia hebben hun eigen district. Doe leefde in de provincie Grand Yedda. De nieuwe machthebber verhief altijd z'n eigen stamgenoten. Dus feitelijk speelde het Grand Yeddadistrict en een daar levende clan de baas. Doe joeg bijna alle vroegere bondgenoten en hoge ambtenaren weg. Zo nam de intolerantie toe.

De Americo-Liberian Charles Taylor participeerde aanvankelijk in de regering van Doe. Hij zou een bedrag van 900.000 Amerikaanse dollar hebben ontvreemd, vluchtte naar de VS, kwam in de gevangenis en ontsnapte. Hij sloot een deal met de Libische leider Khadaffi. Met diens geld trainde hij in Benin een paar honderd huurlingen. Ondertussen bleek Doe steeds wreder.

In 1985 trachtte Thomas Quiponka de macht over te nemen. Dat lukte niet. De VS pompten zelfs geld in het regime van Doe, omdat ze in hem een bondgenoot zagen.

Burgeroorlog

In december 1989 begon Taylor als leider van het Front National Patriotique du Liberia (FNPL) samen met Prince Johnson vanuit Ivoorkust een opstand tegen het bewind van Doe in het noordoosten van het land.

Waarom gaf Ivoorkust Taylor permissie om vanuit dat land Liberia binnen te vallen? Insiders zeggen: Doe doodde een zoon van z'n voorganger president Tolbert. Die zoon was getrouwd met een dochter van de president van Ivoorkust. Daardoor zou Ivoorkust hebben toegestaan dat Taylor vanuit dat land Liberia binnenviel.

Volgens insiders kreeg Taylor permissie van de Ivoriaanse regering om Liberia vanuit Ivoorkust binnen te vallen omdat Taylor een zoon van

De Giostam uit de provincie Nimba –door Doe geminacht– sloot zich goeddeels aan bij Taylor. Samen met hem keerde zij zich tegen het leger van president Doe en zijn bevoorrechte Grand Yedda. „Dit is jullie kans om revanche te nemen", zei de charismatische Taylor tot de Gio. Hij koos zijn hoofdkwartier in Gbarnga in de provincie Bong. Zo betrok hij nog een extra etnische groep bij de strijd. En buitte hij, de Americo-Liberian, de spanning tussen de inheemse stammen uit ten gunste van eigen gewin.

Taylors FNPL bestond voor een deel uit drugsgebruikende kindsoldaten. De rebellen trokken moordend, verkrachtend en plunderend door het land. Hele dorpen gaven de opstandelingen prijs aan het vuur.

Sedert 1990 was er in het land alleen nog elektriciteit beschikbaar die was opgewekt door generators. Er was geen centrale meer. Niemand pleegde nog enige onderhoud aan wegen. Ook andere partijen zetten kindsoldaten in.

Niemand deed zijn best het land te bewerken. Het stond toch vast dat rebellen alles zouden verwoesten of stelen. Transport was niet mogelijk, want rebellen controleerden de wegen. Zo ontstond er hongersnood.

Onder druk van de VS en de Economische Samenwerking van West-Afrikaanse Staten (Ecowas) gingen Doe en de inmiddels van Taylors rebellenleger afgescheiden Johnson met elkaar in overleg. Doe vond de dood tijdens een in dit gesprek ontstaan vuurgevecht.

De ook onderling verdeelde rebellen –er was uiteindelijk sprake van negen vechtende partijen– kregen bijna het land onder hun verdeelde controle. Nigeriaanse troepen kwamen tussenbeide, maar verdedigden praktisch de macht van Taylor. Zo vervielen Liberia en Monrovia bijkans tot complete anarchie door met elkaar ruziënde rebellen.

Taylor kwam medio 1997 met 70 procent van de stemmen als overwinnaar uit de presidentsverkiezingen. De mening van veel mensen was: „Hij doodde mijn vader, hij doodde mijn moeder, maar toch kies ik hem. Anders ga ik ook dood." En de verkiezingen gingen gepaard gingen met dreiging van geweld en geweren. Maatschappelijke herintegratie van tienduizenden kindsoldaten vormden slechts een van de vele problemen.

President Lansana Conté van Guinee stond in 1999 toe dat een groep van de Liberian United for Reconciliation and Democracy (LURD) vanuit zijn land Liberia binnenviel. En vanuit Ivoorkust drong de Movement for Democracy in Liberia (Model) ook het land binnen. Begin 2003 vielen LURD en Model Monrovia aan. Toen werd Taylor de grond te heet onder de voeten. Hij kreeg asiel in Nigeria.

Project

De Amerikanen voelden zich niet geroepen tot ingrijpen. In Liberia levende buitenlanders zeggen wrang: „Er was hier geen olie." In oktober 2003 trokken de VN Liberia binnen. Een internationale troepenmacht bewaart nu de vrede. Onder supervisie van de VN trad in 2005 een nieuwe regering aan met de eerste werkelijk democratisch gekozen president van Liberia. Dit is Ellen Johnson-Sirleaf, een Americo-Liberian...

Ondertussen verliet de middenklasse van de bevolking het land. Veel mensen trokken naar de Verenigde Staten. De vroegere Americo-Liberians maken nog ongeveer 2 procent van de bevolking uit.

De burgeroorlog heeft voor een demografische aardverschuiving gezorgd. Monrovia telde in 1980 ongeveer 400.000 inwoners. Nu wonen er circa 1,1 miljoen mensen. De binnenlandse vluchtelingen vestigden zich om hun eigen veiligheid te waarborgen in het moerasgebied. Zo ontstonden slums.

Daar komt veel malaria en cholera voor. Het water in dit gebied is slecht, wat zorgt voor acute diarree. Ook de vele wezen vormen een probleem. Soms verkopen arme ouders hun kinderen ter adoptie. Hoge politici en soldaten werken daaraan mee.

Liberia zou er bovenop kunnen komen. Tot 1980 was er in dit land geen extreme armoede. Het land zou naar die situatie kunnen terugkeren. Het regent er genoeg. De grond is vruchtbaar. Er zijn bodemschatten. Als mensen voor hun eigen voedsel willen zorgen kan dat. Maar de landbouw is onontwikkeld. Daarom besloot het Reformatorisch Dagblad in samenwerking met ZOA Vluchtelingenzorg de Liberianen te helpen.

Slavernij achtervolgt Liberia

De wreedheid van de Liberianen onderling deed niet onder voor de hardvochtigheid van de blanke slavenhandelaren die eerder het land teisterden.
Liberia moet nu weer worden opgebouwd. De financiële actie van het Reformatorisch Dagblad stimuleert die wederopbouw van het Liberia van na de burgeroorlog (1989-2003). Tal van getraumatiseerde mannen -slachtoffers van het geweld- tonen nauwelijks interesse in een baan. Toch moeten ze eten hebben voor hun gezinnen. De christelijke predikant Morris helpt mannen in Monrovia aan zinvolle bezigheid. "Nu zwerven ze maar rond. Dat leidt tot verveling, irritatie en vaak tot geweld. Dat is een verkeerde trend."

Al voor de burgeroorlog was Morris predikant. "Christenen hier leefden niet naar de regels zoals God die stelt. Ik voelde me geroepen ook de kerk zelf tot de orde te roepen. En de kerk accepteerde dat."

Veel vrouwen in district Paynesville van de hoofdstad Monrovia zijn alleenstaand. Zo ook Oretha. Op haar huisje ligt een dak van golfplaten. Wie een blik naar binnen werpt, ontwaart slechts armoe. De man van Oretha kwam in de oorlog om het leven. Oretha bleef achter met vijf kinderen in de leeftijd van 7 tot 18 jaar. Geld om te studeren is er niet. Nu is Oretha met nog twintig andere vrouwen actief in een landbouwproject. Daarmee kan zij wat inkomen verwerven.

Liberia telt talloze wezen zoals Ruth. Doorgaans besteden de kerken weinig aandacht aan die groep. Kinderen worden soms door arme gezinnen verkocht; het zijn dus geen échte wezen. Zelfs hoge politici en soldaten schijnen daaraan mee te werken. Dankzij hulp van ZOA en ds. Morris kan een aantal van deze wezen een toekomst worden geboden.

De burgeroorlog in Liberia hangt samen met de trans-Atlantische slavenhandel. Tussen 1650 en 1850 zijn niet minder dan 15 miljoen mensen uit Afrika, waar zij geboren waren, weggevoerd. Ruim 1 miljoen van hen kwamen terecht in de Verenigde Staten (VS). Daar dwongen hun bezitters hen tot landarbeid.

Engelsen hadden een groot aandeel in de slavenhandel, maar hoorden bij de eersten die slavernij in 1834 verboden. Verkoop van binnen de VS geboren slaven duurde nog ruim dertig jaar voort. Ook bleef de trans-Atlantische slavenhandel tientallen jaren voortduren als smokkelactiviteit. De Engelse marine begon die sluikhandel in het midden van de negentiende eeuw scherp te bestrijden, maar kon niet voorkomen dat de invoer van Afrikaanse slaven in de Arabische wereld nog tot het eind van de negentiende eeuw op grote schaal doorging.

Het verhaal gaat dat in de jaren twintig van de negentiende eeuw het aantal zwarte slaven in het oosten van de Verenigde Staten het aantal blanken dreigde te overtreffen. Mede daarom richtte de Amerikaanse predikant Robert Finlay in 1816 de American Colonization Society (ACS) op. Die probeerde voormalige slaven, die hun vrijheid hadden herkregen, naar Afrika te laten terugkeren.

De ACS wist vanaf het jaar 1822 een permanente nederzetting te realiseren aan de Afrikaanse kust. De blanke Amerikaan Jehudi Ashmun trad op als lokaal leider. De vrije, teruggekeerde slaven, riepen er in 1847 de onafhankelijkheid uit. De naam van het idealistisch gestichte land werd Liberia: vrijheid! Monrovia en het omliggende land kwamen onder bescherming van de Verenigde Staten.

In Liberia deed zich echter een nieuw probleem voor. De zwarte emigranten kregen de naam Americo-Liberians. Daarnaast leefden nog ten minste vijftien oorspronkelijke etnische groepen in hetzelfde gebied. Die mensen konden niet lezen of schrijven en hadden een geheel andere ontwikkeling doorgemaakt dan de Americo-Liberians. Die laatsten traden ten slotte op zoals eerder de blanke kolonisten. Ze beschouwden de oorspronkelijke bewoners van Liberia als tweederangsburgers.

De originele etnische groepen voelden zich onderdrukt. De "black colonists" hadden geen belangstelling voor de ontwikkeling van de andere stammen. Zij zorgden niet voor infrastructuur, niet voor onderwijs. Intussen bevochten de stammen onderling hun vetes. De ingrediënten voor de latere burgeroorlog lagen klaar.

De burgeroorlog heet nu verleden tijd. Maar corruptie is nog aan de orde van de dag in Liberia. Een senator bijvoorbeeld claimt het eigendom van een stuk land, terwijl een politieke tegenstander zegt al eigenaar te zijn van het gebied. Het resultaat bedraagt negentien doden. Sommigen werden gevonden in de rivier. Enkele anderen bleven zoek. Het is een publiek geheim dat de senator heeft aangezet tot de moordpartij, maar het gerechtshof sprak hem vrij.

Naast de vijftien etnische groeperingen is er de zogenoemde de "zestiende stam", de Mandingo's. Het zijn handelaren die feitelijk afkomstig zij uit Guinee en andere omliggende landen (Mali, Burkina Faso, Ivoorkust en andere). Deze groep mag volgens Liberianen geen burgerschap krijgen, maar bezit inmiddels toch ook land. Opnieuw een bron voor conflicten. En elk conflict brengt een nieuwe vluchtelingenstroom op gang.

De kampen voor binnenlandse vluchtelingen zijn in 2006 door de overheid gesloten. De mensen waren verplicht te vertrekken, maar zij wisten niet waarheen. Anno 2010 wonen zij, met hun verschillende etnische afstamming, meer door elkaar dan voorheen. Terwijl het tribalisme, de stammenstrijd, onverminderd voortgaat.

Vroeger waren de blanke slavenhandelaren wreed. Nu doden zwarten elkaar. De overlevenden in Liberia hebben allemaal hun eigen verhaal, hun eigen ervaringen rond moord en doodslag.

Gelukkig zijn er ook hoopvolle signalen. Zoals het verhaal van Lucy. Zij heeft vier kinderen. Haar man liet haar in de steek. Oorspronkelijk woonde zij in de wijk Tolbert Road. Rebellen jaagden haar op de vlucht. Na veel omzwerven kwam zij in 2007 terug. Wat zij aantrof was chaos. Oude structuren in de wijk vol binnenlandse vluchtelingen waren weg. Er waren geen leiders meer.

Mannen hielden zich onledig met drinken. Geen werk, geen hoop. Bovendien greep de cholera om zich heen. Maar Lucy stak de handen uit de mouwen. Zonder middelen, zonder salaris. Inmiddels zit Lucy in de ZOA-staf, met een bescheiden vergoeding.

"Initiatieven zullen nooit slagen als je een project opstart binnen een gemeenschap zonder structuur", zegt Lucy. Samen met ds. Morris werkt deze christin aan de opbouw van haar wijk. "Want zo alleen ontstaat er nieuwe hoop voor ons land."