Donaties
Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.
Stort uw giften op:
giro: 29.70.700
of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)
ten name van
Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.
Israël 1998
Kind in Israël
De staat Israël viert feest. Vijftig jaar staat. Vijftig jaar gespaard, maar wel in een weg van tranen en moeite. De tranen zijn nog niet opgedroogd, de moeiten niet voorbij. In een land waar 70 procent van het bruto nationaal inkomen wordt opgeslokt door defensie, vallen sommigen gemakkelijk buiten de boot. Daarom vraagt het Reformatorisch Dagblad uw hulp. Voor het kind in Israël. Dit najaar is er een actie voor de gehandicapte kinderen van Shalva in Jeruzalem.
Een kind in de straten van Jeruzalem
Op de HaZanhiem, vlak bij de Damaskuspoort, hipt hij op kreupele benen onverschrokken tussen de auto's door. Een vies blauw shirt, een kapotte blauwe broek, blote voeten. Hij lijkt slechtziend en voedt zich met de uitlaatgassen van Arabische taxi's. Een vragende jongenshand opent een stukgegane wereld van leed. Achteloos geschonken sjekels moeten zijn leed verzachten. De volgende morgen zoeken we hem tevergeefs. Hij is weg, het verhaal van zijn treurige leven meenemend in de donkere steegjes van het oude Jeruzalem.
Jeruzalem. Stad van de vrede: sjalom! Stad vol Arabieren, joden en christenen. Maar, hier zijn ook kinderen. In deze verdeelde hoofdstad, waarvan iedere zucht de wereldpers haalt, in dit religieuze wespennest, worden ze opgevoed, hier gaan ze naar school, hier zien ze uit over de heuvels van Judea. Hier worden de jongens nog besneden, hier worden ze man zodra ze op hun dertiende plechtig Bar Mitswa hebben gedaan. Dan is de jeugd voorbij.
De kinderen van Jeruzalem, allemaal sociale wezens, mensen in de kiem nog, bloemen in de knop, wier geest nog moet rijpen, wier lichaam zich nog moet ontplooien. Meestal verloopt dat proces probleemloos. Soms ook niet.
Shay in Shalva
Shay Paz (13 jaar) houdt van verhalen vertellen, van mensen, van muziek en van aandacht. Ook maakt hij, op zijn manier, graag cadeautjes voor mensen die hij kent. Veel cadeautjes heeft hij al gemaakt voor zijn ouders. Maar die zijn nu gescheiden. Dat heeft Shay zenuwachtig gemaakt.
De jongen is geboren met een hersenbeschadiging. Hij kan zich niet lang concentreren, is vaak hyperactief. Toch is hij het liefst alleen. In de groep voelt Shay zich het minst op zijn gemak. Als het druk wordt om hem heen, of als er te veel lawaai in de lucht zit, wordt hij agressief. Met andere kinderen speelt hij nauwelijks, wel met de leidsters van Shalva, het tehuis voor gehandicapte kinderen in Jeruzalem, waar hij een groot deel van zijn leven doorbrengt. Dagelijks slikt Shay kalmerende middelen. Anders doet hij zichzelf pijn.
Vastberaden
Chedva Meyers is 15 jaar oud en lijdt aan de bewegingsaandoening "Cerbal Pausy". Toen Shalva in 1991 startte, was zij een van de eersten die in dit tehuis voor gehandicapte kinderen in Jeruzalem een plaatsje kregen. En ze is er nog. Aanvankelijk hadden de artsen voorspeld dat ze nooit in staat zou zijn om iets te leren. Maar Chedva heeft toch leren lopen. Spreken kan ze niet. 's Nachts slaapt ze bij haar ouders, die dicht bij Shalva wonen.
Chedva heeft een vastberaden karakter en een vechtersmentaliteit („Daarom heeft ze het gepresteerd om te leren lopen", zegt haar begeleidster op Shalva.) Ze maakt, ook al omdat ze niet praten kan, moeilijk contact, moeilijk vrienden. Ze communiceert via de computer.
Ze is erg joviaal, schildert elke dag en helpt graag anderen. Chedva is een vrolijk kind en houdt van het leven. Ondanks alles.
Het pijnlijke verhaal van Beit Nachson
We staan op de Olijfberg, uit te kijken over Jeruzalem. De schemer valt, heel snel, zoals dat alleen in Israël gebeurt. De muren van de stad gloeien nog na van de hitte. Lichtjes floepen aan, één voor één. Jeruzalem, de stad van het lijden. Maar de kinderen van Jeruzalem hebben gebeden om de vrede!
Duizenden kinderen uit alle lagen van de Israische samenleving kwamen onlangs bij de Klaagmuur bijeen voor gebed. Ze hoopten al biddend de interne verdeeldheid in hun land te overbruggen en een eerste stap te zetten richting echte vrede. Het idee kwam uit de wereld van het onderwijs, zowel uit religieuze als uit seculiere hoek. Men had voor kinderen gekozen omdat die „nog onbeschreven bladen zijn, ongevoelig voor alles wat volwassenen verdeelt, zoals religie, politiek en etnische achtergrond".
Dat is toch mooi, al die kinderen, in gebed, bij de restanten van de tweede tempel, de hemel vragend om vrede voor land en volk. Toch mooi. En het was ook mooi dat in de Oslo-akkoorden Israëliërs en Palestijnen afspraken dat ze hun kinderen niet langer zouden leren elkaar te haten. Joodse kinderen en Palestijnse kinderen zouden voortaan te horen krijgen dat er vrede moest komen tussen beide volkeren. Maar de eerder in deze reeks verhalen geponeerde stelling van Doron Even-Ari, algemeen secretaris van het Israëlische Bijbelgenootschap –„Er komt alleen echte vrede als God het hart vernieuwt"– gaat toch een spa of wat dieper.
Anders
Toch blijft het haken, dat kindergebed bij de Klaagmuur om rust en vrede. Er is veel onrust en veel onvrede, er is zo veel dat anders zou moeten zijn. Israël telt naar schatting 500 tieners die dakloos zijn, berekende recent de directie van het Beit Shanti-opvanghuis in Jeruzalem. „Ik heb nu 24 van zulke tieners in huis, maar geen geld om hun eten te geven", zo klonk de emotionele oproep richting Knesseth.
Jaarlijks worden in Joodse ziekenhuizen en abortusklinieken in Israël 50.000 Joodse kindertjes door abortus gedood, zegt Ted Walker van de Messiaanse pro-life-organisatie Be'ad Chaim in Jeruzalem. „Abortus is volgens de Joods-orthodoxe traditie, de Halacha, in Israël toegestaan tot de 40e(!) week. En elk meisje in het leger heeft recht op twee gratis(!) abortussen. Hoe kan er ooit vrede zijn als er zo veel onschuldig bloed vloeit!"
Er is veel dat anders zou moeten zijn. In 1991 schrok Israël op van nieuwe cijfers van het aantal Joodse jongeren die zelfmoord plegen. Sedertdien wijst een geldverslindende campagne de kinderen van Israël op het waardevolle van het leven. Maar er is zo véél dat anders zou moeten zijn.
Velen zijn gevangen in occultisme of in New Age. Een op de zes Israëliërs leeft onder de armoedegrens. Het grootste deel van hen is jong en woont ergens in Jeruzalem. Met als gevolg dat Jeruzalem nu ook een eigen drugskliniek heeft. Veel van deze jongeren zijn thuisloos, leven in een rebels en crimineel klimaat, lijden soms aan aids. Het komt ons, Nederlanders, allemaal schrikwekkend bekend voor. Maar ook „beminden om der vaderen wil" blijken niet altijd van die lieverdjes te zijn. En voor sommigen onder ons is dat misschien best een schok.
Beschadigd leven
Een lief kind. Netanel Gordon. Vijf jaar oud. Het Down-syndroom heeft zijn leventje aangeraakt en het voorgoed beschadigd. Maar Netanel geeft de moed niet op. Hij wil meedoen, hij wil van alles en nog wat weten, en lijkt best veel te begrijpen. Netanel wil vooral leren praten. Het lukt al een héél klein beetje. En dat is voor een knaapje als Netanel een prestatie van de bovenste plank.
Dit Joodse jongetje is het vierde kind in het gezin Gordon. Het tweede en het derde kind kwamen gezond ter wereld. Maar Netanels oudste broer leeft „als een plant". Tussen Netanel en die zwakke, oudste broer boterde het niet. Ze hadden veel ruzie, bedreigden elkaar, stonden elkaar bijna naar het leven. Daarom leeft Netanel vijf dagen per week op Shalva, het tehuis voor gehandicapte kinderen in Jeruzalem. Netanel bedankt u alvast hartelijk voor uw hulp. U deed de knip immers al open?
Een gehandicapt kind in Jeruzalem
Ze zitten buiten op een draaimolen of op een wip, liggen binnen op een tweezitsbank of rollen over op het tapijt. Ze vrijen met een knuffel of werpen iets denkbeeldig tegen de muur. De een heeft echt schik. Een ander is in zichzelf gekeerd. Een derde tuurt over de bergen rond Jeruzalem, op het gelaat een ernstige uitdrukking, een grotere zaak waardig. Het zijn de gehandicapte kinderen van Shalva.
Een gezette, altijd actieve Jood, verzot op z'n mobiele telefoon. In de oude behuizing van Shalva in de zwaar orthodoxe wijk Har Nof, in de luwte van Jeruzalem, haast hij zich van kamer tot kamer. Voor elk kind is er een arm, een paar zinnen, een knuffel. Hij kalmeert, bemoedigt een meisje met vlechten, sust een opgewonden jongetje in een korte broek. Ondertussen runt hij per mobiele telefoon de andere helft van zijn bestaan: de financiële directie van een automatiseringsbedrijf met banden tussen Israël en de Verenigde Staten.
Kalman Samuels (47) is samen met zijn vrouw Malky de stuwende kracht van Shalva, het tehuis voor de gehandicapte kinderen van Jeruzalem. Hij is een orthodoxe Jood, compleet met zwarte hoed boven op een even zwarte keppel, een wilde baard, een zwart pak. Zij, even fors van postuur, ook orthodox in het zwart, is meer bescheiden, verlegen bijna. Ze is afkomstig uit Joegoslavië; haar moeder overleefde de holocaust.
Het echtpaar Samuels heeft iets „van de wonderen van de Allerhoogste ervaren". Dat heeft geleid tot Shalva, voor de gehandicapte kinderen van Jeruzalem vrijwel het enige tehuis.
Berg van de dood
Het zijn er negentien. Negentien afgeknotte, betonnen palen. Ze staan in een groepje bij elkaar, boven op de Herzlberg, op het buitenterrein van Yad Vashem. Negentien afgebroken zuilen, als symbool en gedenkteken voor één miljoen achthonderdduizend kinderen beneden de veertien jaar, omgekomen in getto's, gevangenissen en arbeidskampen, om het leven gebracht in concentratiekampen, gaskamers en beestenwagons.
Yad Vashem schokt. Iedere keer weer. Al dat onbeschrijfelijke leed, dat onvoorstelbare, die onuitwisbare nachtmerrie. Dichtgesoldeerde treinwagons, afgeladen met angstige mensen en bange kindertjes. Een kamp. Prikkeldraad. Een hemel in vlammen. Een onbevattelijk drama. In vijf jaar tijd werden zes miljoen Joden uitgeroeid. Onder hen bevonden zich één miljoen achthonderdduizend kinderen. Wat is een mens, die aan zichzelf wordt overgelaten? Een wild beest gelijk. Nee, nog veel erger.
Aanklacht
Achter de heuvels van Guivat Ram en de fleurige campus van de Hebreeuwse Universiteit ligt Yad Vashem, met de rug tegen de bebouwing van Jeruzalem en met het uitzicht op de bergen van Judea. Yad Vashem, de schreeuw tegen onrecht, de wereldwijde aanklacht tegen datgene wat nooit had mogen gebeuren, liggend op de Berg van de Herinnering (Har HaZikkaron). Yad Vashem, het treurige herinneringsmonument van het Joodse verleden, het monumentale gedenkteken voor de zes miljoen slachtoffers van het nationaal-socialisme, een museum waar een vreselijke droom oplost in een onuitwisbaar getuigenis. Zes miljoen joden, waarvan 1,8 miljoen kinderen onder de veertien jaar, slachtoffers van de "Endlösung der Judenfrage" (vernietiging van het jodenvraagstuk), uitgebroed door een volstrekt verziekte geest.
Bang geworden voor de mensen
Dit is Avi Adaya. Avi is 8 jaar oud en is sinds zijn zesde jaar 's middags te vinden in Shalva, het centrum voor gehandicapte kinderen te Jeruzalem. Deze Joodse jongen is sinds zijn geboorte gehandicapt en groeide op in een moeilijke gezinssituatie waarin hij veel aandacht tekort kwam.
Avi is bang voor de mensen geworden, is erg verlegen en heeft veel tijd nodig om zich te hechten, om vriendjes te maken. In het begin hield hij zich steeds afzijdig van de groep, bang om innerlijk weer bezeerd te worden. Maar beetje bij beetje overwon hij zijn angst, stapje voor stapje won hij ieders vertrouwen.
Nu speelt hij. En dat is voor Avi al een wereld op zich. Hij is het rustigst als hij speelt. Het liefst met zijn vrachtauto.
Gekooid op het niveau van een baby
Zes maanden was hij, Jonathan Lemberger, toen de tijd stil bleef staan. Meningitus stopte wreed de wereld van zijn gedachten. Hij is nu 10 jaar, maar is gekooid op het niveau van een baby van zes maanden. Meestal dwaalt zijn blik weg naar peilloos diepe verten. In de weinige ogenblikken waarin Jonathan zich écht in zijn donkere ogen laat kijken, zie je hoe hij zich voelt: soms gelukkig in zijn kleine bestaan, soms ongelukkig met alles van zichzelf.
Jonathan bijt zichzelf. In Shalva "het tehuis voor gehandicapte kinderen aan de rand van Jeruzalem" zijn ze intensief met de jongen bezig, om te voorkomen dat hij zichzelf pijn doet, om hem te stimuleren, om contact met hem te krijgen. Jonathan duimt veel, speelt graag, zoekt op zijn eigen manier naar warmte, contact en liefde. "Nog steeds is Jonathan een mooie jongen", zegt zijn moeder.
Hoe ziet voor Jonathan de toekomst eruit? Zijn moeder, na heel diepe gedachten: "Dat zou ik niet weten".
In de winkel van Doron Even-Ari
De eerste bijbels in Israël werden verspreid per kameel. Nu zijn de kamelen gemotoriseerd. En dus heeft ook het Israëlisch Bijbelgenootschap te Jeruzalem een vervoermiddel nodig. Om het Woord bij het kind in Israël te brengen. „Om te bereiken het onbereikbare", zegt mr. Doron Even-Ari, algemeen secretaris van het bijbelgenootschap. „We mogen geen tijd verspillen, want de zaak van het Koninkrijk heeft haast".
Jaffa Road nummer 19. Buiten is het 42 graden. Binnen liggen ongeveer 40.000 Bijbels, klaar voor distributie. De kamelen zijn nog slechts te bezichtigen in de dierentuin. En een auto om het kostbare materiaal verantwoord te vervoeren is er niet. Daarom heeft de secretaris van het Israëlisch Bijbelgenootschap aan de bel getrokken.
Mr. Doron Even-Ari werd geboren vlak voordat in 1948 de staat Israël werd uitgeroepen. Hij groeide op in een seculier gezin in de havenstad Haifa. Zijn ouders waren in de jaren dertig vanuit Duitsland naar Israël geëmigreerd. Na militaire dienst werd Even-Ari door het ministerie van defensie benoemd tot adviseur staatsveiligheid in derdewereldlanden.
„Vrij laat kwam ik tot het geloof in Jezus Christus", zegt Even-Ari. „Voorheen was ik nooit in God geïnteresseerd geweest. Ik vertrouwde op eigen kracht en had daar verder geen hogere macht bij nodig. Dat ik een zondaar was, daarvan had ik nog nooit gehoord. Ik was nog nooit met de politie in aanraking geweest, had geen strafblad en was dus ook geen zondaar. Zo zag ik dat. Tijdens een verblijf in Zuid-Afrika werd alles anders. Ik was toen 40 jaar, al wat ouder dus. Maar, beter laat geloven dan nooit geloven. Om nooit te komen tot het geloof in de Messias, in Jezus Christus als je persoonlijke Zaligmaker, dat zou toch het allerergste zijn".