Donaties

Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.

Stort uw giften op:
giro: 29.70.700 

of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)

ten name van

Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.

Erdee Media Groep

Zoeken

Indonesië 2005

Hulp voor christenen in Indonesië

indonesie2005.jpgStelt u zich eens voor: uw kleuter van 5 jaar gaat naar school. of uw dochter van 7. Ze moet uit de koran lezen en leren, want voor christelijk onderwijs is geen plaats. Hoe zou u dat doen met uw doopbelofte? Stel je eens voor: je bent een stoere knaap van 15 en je vader neemt er een vrouw bij omdat hem dat meer aanzien verschaft. Terwijl je heel goed weet dat God wil dat één man met één vrouw trouwt.

De islam beknot in Indonesië de vrijheid van christenen – op de ene plek meer, op de andere minder. En de oude heidense gewoonten zetten hier en daar in het land nog altijd de christelijke levensstijl onder druk.

De RD-actie 2005/2006 heeft als thema "hulp voor christenen in Indonesië. Minderheid in de schaduw van de islam.". Wij gaan scholen bouwen en het vormend karakter van het jeugdwerk stimuleren. Maar het is ook nodig om op te leiden voor beroepsonderwijs, landbouw en veeteelt.

Het RD werkt voor de actie samen met de Gereformeerde Zendingsbond, de Zending van de Christelijke Gereformeerde Kerken en die van de Gereformeerde Gemeenten. Zij hebben ter plekke hun kerkelijke partners die zorgen voor de uitvoering van de projecten op Sulawesi, Midden-Java en Irian Jaya.

Actie Indonesië 2005: Aan onze abonnees

Er is hier en daar in Indonesië sprake van ernstige secularisatie. En dat terwijl de kerk nauwelijks het heidendom ontgroeid is. Op Irian Jaya nam het aantal christenen toe, maar menigeen raakt toch weer verknocht aan de wereld. Dan is het heel belangrijk jong te beginnen met goed, christelijk onderwijs en weerbaar makend jeugdwerk.
Er is in Indonesië sprake van toenemende islamisering. De meerderheid van de bevolking is moslim. Ongeveer 10 procent van de Indonesiërs is christen. De grondwet garandeert vrijheid van godsdienst, maar in de praktijk komt het regelmatig tot botsingen. Dan kan het nodig zijn de kerk en christenen ter plekke bij te staan. In het gevecht tegen werkloosheid. Of bij het opzetten van scholen.

Hoe gaan wij een bijdrage leveren aan de broodnodige maatschappelijke weerbaarheid? Onder andere via het bouwen van scholen, zowel voor basis-, als voor beroeps-, hoger en theologisch onderwijs; het produceren van studiemateriaal; het stimuleren van inkomensverwerving via beroepsonderwijs, landbouw en veeteelt; het aan jongeren en ouderen leren omgaan met problemen in de samenleving.

De Gereformeerde Zendingsbond (GZB), de Zending van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Zending van de Gereformeerde Gemeenten zijn onze Nederlandse partners. Zij hebben ter plaatse hun christelijke partners die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de projecten op Sulawesi, Midden-Java en Irian Jaya. Het streefbedrag is 358.000 euro.

Emotioneel hebben tal van mensen nog wel iets met Indonesië. Diverse kerken van gereformeerde belijdenis bedreven er zending. En rond 1950 waren er de zogenoemde politionele acties. Sommige oudere lezers van het RD waren daar zelf bij betrokken. Belangrijker dan gevoelens is toch onze christenplicht? Het steun bieden aan de naaste? Timmer ook maar een plank vast aan een van die nieuwe schoolgebouwtjes. Of zet er een bankje of een stoeltje in. Christenen mogen -dat is iets anders dan moeten- bijstand bieden.

Stort uw gift op gironummer 29.70.700 of op bankrekeningnummer 65.32.60.008 (ING Bank) van Draagt Elkanders lasten te Apeldoorn (via deze stichting wikkelt het RD zijn acties af).

Leven tussen angst en agressie

Hoe gaan we om met moslims? Als er één actuele vraag is, dan deze. Christenen in Indonesië zijn daar al veel langer mee bezig. Als kleine minderheid in het grootste moslimland ter wereld kunnen zíj het zich niet permitteren simpele antwoorden te geven. Alleen al daarom verdienen ze onze aandacht. Maar als broeders en zusters verdienen ze bovendien onze steun. Om hen te helpen in een vijandige omgeving hun angsten te overwinnen en agressie af te zweren. En in plaats daarvan vrijmoedig christen te zijn en te blijven.
Mogati leren we kennen als één en al vriendelijkheid, en: nooit te beroerd om te helpen. Vorige week was hij onze chauffeur op het Indonesische eiland Sulawesi tijdens een autorit die ons bracht van de stad Makassar, in het uiterste zuiden van het Indonesische eiland Sulawesi, naar Mamasa, zo'n 400 kilometer in noordelijke richting. Mamasa is het centrum van de Mamasa-Toraja's, een christenvolk in Zuid-Sulawesi dat nauw verwant is met de Toraja's rond het stadje Rantepao. Mamasa is vanouds het zendingsgebied van de Christelijke Gereformeerde Kerken, en uit dat zendingswerk is de Gereja Toraja Mamasa (GTM) voortgekomen. Een vleugje Nederland in de jungle dus. Maar wat een verschillen! Zo heb ík altijd gedacht dat een christenleven gekoppeld is aan een goed gevulde maag, aan een dito boekenkast, aan geasfalteerde wegen en: koffie na de kerk. Maar hier soppen christenen dagelijks door de blubber, werken ze zich krom voor een euro per dag, en hebben ze aan van alles gebrek. En toch werden ook hier 's avonds de handen gevouwen en werd de Heere God gedankt. Hoe ís het mogelijk!

Om er te komen is een autotocht van twaalf uur nodig, waarvan de helft gaat over allerbelabberdste stukken weg, over krakkemikkige bruggetjes en via tal van haarspeldbochten die je bij iedere zwaai de bloedstollende diepte van het ernaast gelegen ravijn laten peilen. Na zonsondergang verandert de omringende jungle in een dreigend gitzwart decor. Maar honderden vuurvliegjes vegen de vloer aan met die grimmige sprake van de nacht. De dansende knipperlampjes zorgen zelfs voor afleiding op het moment dat Mogati bijna op de tast een lekke band moet vervangen. Maar hem breng je zomaar niet van zijn stuk. Zelfs toen hij 's nachts van pure vermoeidheid zijn hoofd op het stuur liet rusten, bleef het gaspedaal ingedrukt en de teller op 60 à 70 kilometer per uur...

Maar het is vooral Mogati's ontwapende glimlach die me lang bij zal blijven. Alleen was die er niet toen we bij zijn huisje in het dorp Mambi arriveerden. Drie jaar geleden waren hij en zijn vrouw daaruit gejaagd, waarna de boel er kort en klein werd geslagen. Als straathonden zijn de twee vervolgens het dorp uit gedreven, net als tientallen andere christenfamilies uit Mambi.

Vele jaren lang was het nooit een probleem geweest dat christenen te midden van moslims woonden, maar bijna drie jaar geleden werd dat ineens allemaal anders en sloeg die tolerante sfeer om in een klimaat van zinderende haat. In korte tijd werd het dorp ontdaan van alle christenen, werden huizen in brand gestoken en zijn zelfs diverse mensen vermoord.

Scholieres onthoofd

Mogati heeft met zijn vrouw onderdak gevonden bij geloofsgenoten in het dorp Mamasa - op enkele uren rijden van Mambi. Nu keert hij voor het eerst terug naar zijn oude woonplek. We gaan met hem mee op het moment dat via de radio de naam "Poso" is gevallen. Deze stad in Centraal-Sulawesi -gelegen ten noordoosten van Mamasa- is al jarenlang het grote schrikbeeld voor gematigde christenen en moslims, omdat daar het religieus geweld volledig is geëscaleerd tot verschrikkelijke moordpartijen.

Zaterdagochtend 29 oktober was het opnieuw raak: drie christenmeisjes die op weg naar school waren, werden er onthoofd door radicale moslims. De hoofden werden later in plastic zakken teruggevonden, met daarbij een briefje dat "nog zeker honderd andere christentieners" hetzelfde lot zouden ondergaan.

Even buiten het dorp houden we halt bij een wachtpost van de Brimob, de beruchte mobiele brigade van de politie. Alleen al vanwege hun uitstraling -geheel in het zwart gekleed, zwaarbewapend en rijdend op zwarte motoren- zijn ze alom gevreesd. Op enkele kaarten aan de wand van hun kantoor wordt precies bijgehouden waar en wanneer de gewelddadigheden plaatsvonden, wie de daders waren, en wie de slachtoffers. Onder het kopje "gezocht" volgt bij ieder dorp waar het mis ging een rij namen van verdachten. Wat opvalt is dat het lang niet allemaal typisch islamitische namen zijn, maar ook echte christelijke namen: Petrus, Johannes. Ook christenen hebben zich kennelijk zwaar misdragen. En wat eigenlijk even onbestaanbaar zou moeten zijn als bijvoorbeeld je afdrogen met water bleek wel degelijk te bestaan: dat moslims bang zijn geworden voor christenen!

Mambi staat in de overzichten van de Brimob-jongens diverse keren vermeld als conflicthaard, tot en met eind vorig jaar. Bij slachtoffers staat een rij van tientallen doden en gewonden. Bloedig geweld in het naburige Rano is gedateerd op april 2005. Onder de doden die er vielen wordt zelfs een baby van een jaar oud genoemd.

Lange messen

Beladen met díé voorkennis rijden we Mambi binnen. Dat gaat trouwens niet zomaar, want vanwege de aanhoudende spanningen is toestemming van de plaatselijke politie nodig. Daarna rijden we behoedzaam door de straten van het dorp. De rit voelt alsof we door sluipschutters beschoten kunnen worden of alsof een horde militante moslims klaar staat ons te bestormen. "Poso is daar dichterbij dan je denkt", is de overtuiging van christenen die uit Mambi zijn gevlucht. In het verderop gelegen Rantepalado zitten ze in een lokaal van de plaatselijke school bij elkaar: zo'n tachtig families -in totaal een kleine 300 mensen- die niet meer naar hun huizen in Mambi terug durven te gaan. Een van hen, een man van halverwege de zestig, vertelt hoe hij om vijf uur 's middags door vijf mannen met lange messen zijn huis uit werd gejaagd. "Waarom bén je hier nog?" riepen ze. "Maak dat je weg komt."

Een vrouwelijke leeftijdgenoot -ze was onderwijzeres in Mambi- weet zeker dat al-Qaida-strijders betrokken zijn bij de jacht op christenen. "Voordat het hier tot een uitbarsting kwam vertelden mijn moslimburen dat ze radicale moslims hadden gesignaleerd in de plaatselijke moskee." Voor haar staat het daarom vast dat islamitische strijders uit Poso proberen de zaak hier te laten escaleren. Ze vertelt dat in het verderop gelegen dorp Rano, waar dit voorjaar nog bloedige confrontaties waren, de politie zelf heeft bevestigd dat er radicale moslims uit Poso bij betrokken waren. Ook deze vrouw werd gesommeerd het dorp te verlaten, met achterlating van haar spullen. "Enkele uren eerder waren er overal flyers rondgestrooid waarop dat bevel was geschreven." Ze vertelt dat een gemeentelid de flyers kennelijk niet heeft gelezen omdat hij zich in zijn huis had opgesloten. "We hebben geen idee waar hij is, maar we vrezen het ergste."

Verzoening

Aan teruggaan denkt niemand nog. "Ze dulden daar geen christenen meer", zegt de onderwijzeres. "Mijn moslimburen hebben me gevraagd terug te keren, maar zolang niet iedereen terugkeert, ga ik niet." Een ander wijst erop dat "de daders" niet zijn gepakt en daarom voelen ze zich daar nog "absoluut niet" veilig. "Eerst moet het recht zijn loop hebben", vindt hij.

Maar Mogati, die daarnet nog heeft staan treuren bij de resten van zijn huis, ging wel terug, al is het maar voor even. En wat zien we hem genieten! Zodra we oude bekenden passeren veert hij op en groet hij hen uitbundig en met een brede glimlach. Stoppen en uitstappen is er niet bij, had hij ons duidelijk gemaakt, maar op het moment dat hijzelf enkele vrienden in het vizier krijgt, is die regel kennelijk even vergeten. Pardoes stapt hij uit om handen te schudden om vervolgens weer snel in te stappen en gas te geven. Welke rol hebben ze gespeeld op het moment dat Mogati's huis werd gesloopt? denk ik terwijl we verder rijden. "Het recht moet eerst zijn loop hebben", zei de man in Rantepalado. En Mogati zal het vast met hen eens zijn. Maar hij heeft zelf alvast een grote stap vooruit genomen. Hij was die middag bezig met een stukje verzoening.

Een mooier getuigenis van een christen is ondenkbaar. Een wezenlijker bijdrage aan een verscheurde samenleving evenmin.

Verstrikt in de vrijheid

Een kind van 13 in zijn eentje naar Amsterdam sturen om er naar school te gaan en te wonen. Een onverantwoord idee en te zot voor woorden. In West-Papoea wonen echter honderden scholieren zonder hun ouders in de stad. Geestelijk is dat voor deze christenjongeren een ramp, want velen raken verstrikt in de lonkende vrijheid van de wereld.
Als een gier die rondjes draait boven een karkas, zo moet ons vliegtuigje er die ochtend vanaf de grond hebben uitgezien. Piloot Mike Brown tuurde vier cirkels lang naar beneden, met zijn neus tegen het glas, speurend naar een gat in het wolkendek, maar uiteindelijk was de conclusie onvermijdelijk: we gaan terug want er is geen doorkomen aan.

We waren ervoor gewaarschuwd: uitzonderlijk zwaar weer teisterde 's ochtends het centrale bergland van West-Papoea, juist op het moment dat wij naar Bari wilden. Maar fikse regenbuien en laaghangende bewolking vormen niet het type weer om in een MAF-toestelletje tussen bergwanden te hangen. En al helemaal niet om aan te vliegen op de landingsstrip bij het dorpje Bari. Daarom: terug naar de strip bij de zendingspost van Nipsan. Die ligt een stuk hoger, en dat scheelt een paar wolkenmassa's.

De volgende dag proberen we opnieuw in Bari te komen, dit keer met succes. Dat dit dorp lager ligt dan Nipsan is aan de tropische hitte goed te merken. En aan de groene weelde rondom. Vanuit het regenwoud klinkt af en toe het onbehouwen gekrijs van papegaaien en we zien zelfs witte kaketoes rondvliegen. Maar wat een verlatenheid. Net als in Nipsan verloopt ook hier het enige contact met de buitenwereld via de landingsstrip. Wie Bari over land wil bereiken, zal zich door honderden kilometers oerwoud moeten worstelen.

Het grote isolement waarin de Papoea's van Bari leven vertaalt zich in een primitief bestaan. Het licht gaat er uit zodra de zon achter de bomen zakt; alleen een houtvuurtje kan dat moment wat uitstellen. Schoon water -die andere toetssteen der beschaving- wordt exclusief geleverd door verzadigde wolkenmassa's. Ze komen gelukkig met grote regelmaat voorbijdrijven. Leven betekent hier voor jong en oud balanceren op het smalle pad dat de natuur hun gunt. Het is een bestaan waarin aan iedere zekerheid altijd de onzekerheid knaagt.

Angsten

Misschien is de grootste bedreiging er een van onzichtbare, geestelijke aard. Want de kerk mag er dan een fraai gebouwtje hebben staan, de oude adat, met zijn primitieve voorstellingen en angsten, geeft zich niet zomaar gewonnen. Dat er in dit gebied vrouwen rondlopen die van een afstand je aderen leeg kunnen zuigen of van ver je hart eruit kunnen snijden, wordt hier ook door menig christen nog heel serieus genomen.

Intussen is er voor de zeventig zielen van het huttendorp Bari geen ontkomen aan. Hun leven is er een dat gaat van hand naar mond, en concreet betekent dat een dagelijkse tocht naar de groentetuinen, enkele kilometers verderop in het bos. 's Ochtends ernaartoe en aan het eind van de middag terug in omgekeerde richting, de draagnetten gevuld met brandhout en de hap voor die dag: zoete aardappel, kool, sago (waarvan een soort eetbaar behangplaksel wordt gemaakt) en, wie weet, een varken.

Wat een contrast met andere delen van West-Papoea, de kustgebieden bijvoorbeeld. Wanneer in Bari om zeven uur de sterren en miljoenen tsjirpende krekels de nachtelijke regie overnemen en de mensen zich terugtrekken in hun hutten, komt in de kuststad Jayapura het uitgaansleven op gang en draait de McDonald's er op volle toeren. In Wamena, in de Baliemvallei, verrijst een imposant winkelcomplex en worden islamitische immigranten rijk in de bouw of de commercie. Zullen christen-Papoea's uit het binnenland ooit een kans krijgen om als volwaardige burgers in die welvaart te delen? Worden de christelijke gemeenten in het binnenland straks als primitieve clubjes opzijgeschoven door gehaaide zakenlieden en bestuurders? Lieden die ook nog eens vrij spel hebben om de ene na de andere moskee te financieren?

Gelukkig maar dat ook de gemeente van de Gereja Jemaat Protestan di Indonesia (GJPI) in dit gebied niet stilzit. De kerk, die in de jaren zestig is voortgekomen uit het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeente, organiseert alfabetiseringscursussen voor gemeenteleden in het binnenland. Coördinatrice is Alinda Paul, die vanaf haar standplaats Nipsan de GJPI bijstaat. Ze vertelt dat 24 dorpen in de omgeving van Nipsan meedoen, en daarvan is Bari er één. Sinds 2000 bestaan er ook in dit dorp schrijf- en leesklasjes voor kinderen en volwassenen.

Van de ongeveer zeventig zielen die het dorpje telt, zijn er maar liefst twintig die de dagelijkse lessen hebben gevolgd, of die dat nog doen. Het is echter behoorlijk improviseren want voor een eigen schoolgebouwtje is geen geld, en voor een heuse leerkracht evenmin. Yonam Kosai, die in Bari als evangelist is gestationeerd, heeft daarom de taak van onderwijzer op zich genomen. Iedere ochtend wanneer er 'school' is, fungeren de kerkzaal en het consistoriezaaltje noodgedwongen als lokalen.

Hoe belangrijk dit onderwijs is, daarover kan Silas meepraten. In de ouderlijke hut, waar hij de vaderrol vervult na het overlijden van hun vader, vertelt Silas over zijn broer Amsal (18). Die zit samen met zijn dorps- en leeftijdgenoot Samuel op de mavo in Wamena, een stadje dat op een paar dagen lopen van Bari ligt. Zonder het reken- en schrijfklasje in zijn dorp waren de twee jongens nooit zover gekomen; dan hadden ze nu nog verveeld rondgedoold door de bossen.

Internaat

Enkele dagen later arriveren we in dat wonderlijke stadje in de Baliemvallei, Wamena. Dankzij de luchthaven kan deze 'kolonie' in de jungle bestaan. Zijn er enkele dagen geen inkomende vliegtuigen, dan staan de brommers er al snel stil en is er geen rijstkorrel meer te koop.

Samuel en Amsal (een onmiskenbaar Bijbelse naam, het is Papoea voor "Spreuken") komen we tegen in het internaat ("asrama") van de kerk van Wamena, waar zo'n honderd jongens uit de dorpen worden opgevangen als ze niet op school zitten (er is in de stad ook een meisjesinternaat).

Terwijl buiten de regen plenst en een cicade (een reusachtige boskever) aan zijn avondlied is begonnen -het luide snerpende geluid heeft veel weg van een printer uit de jaren '70- vertellen de jongens over hun nieuwe leven in Wamena. Doordat de elektriciteit in de stad is uitgevallen, lossen de twee aan de andere kant van de tafel mét het verstrijken van de tijd in het donker op. Halverwege de avond verraadt enkel nog stemgeluid hun aanwezigheid. Samuel wil verpleegkundige worden, vertelt hij, Amsal predikant. Allebei zijn ze vast van plan na hun studie terug te gaan naar hun geboortedorp. "Daar kunnen ze ons straks goed gebruiken."

De jongens hebben hun ouders voor het laatst vorig jaar december gezien. Er vloog daarna wel eens een brief richting Bari (die Samuels moeder dankzij de leesles kon ontcijferen), maar daarin ging het vooral over geld dat ze voor school en voor hun levensonderhoud nodig hadden. Meestal kregen ze minder dan ze vroegen, en kwamen er uit de buik van het vliegtuigje geen varkens maar een kip, wat sago, pinda's of bananen. Natuurlijk kunnen ze die in Wamena verkopen om aan geld te komen, maar genoeg was het nooit. Een baantje na schooltijd of domweg geld lenen was veelal onvermijdelijk.

Onmogelijke opgave

Intussen mogen Amsal en Samuel blij zijn dat ze in de asrama zitten, want enige zorg en toezicht is zeker geen overbodige luxe. Vanwege de ontoegankelijke rimboe ertussen lijkt de afstand tussen Bari en Wamena als die tussen Amerika en Europa. En qua ontwikkeling en cultuur zijn de twee al helemáál niet te vergelijken. Wamena, dat is Amsterdam, Bari een gehucht op de Veluwe. Je zult na dertien jaar 'eenzame opsluiting' in Bari als scholier in Wamena terechtkomen, en vervolgens ook je ouders maandenlang niet zien!

Voor honderden jongens uit het bergland is de toestand nog belabberder. Ze wonen in zelfgemaakte hutten, geheel buiten de zorg en toezicht van het internaat. Ver weg van hun ouders zijn deze kerkelijke jongeren compleet op zichzelf aangewezen. Vanuit geestelijk oogpunt bezien een onmogelijke opgave. Want wat komt er van je geloof terecht wanneer je als 13- jarige in het Amsterdam van Papoea bent beland?

Zwijgend geloven

Is in Nederland "kerkverlating" aan de orde van de dag, op West- en Midden-Java was dat het afgelopen jaar "kerkverbranding". Tientallen keren jutten radicale moslims onwetende massa's op om kerkgebouwen af te breken of te verbranden. Maar erger nog zijn de minder zichtbare uitingen van vijandschap. "Wil je weten of een dorp tolerant is, kijk dan of er een begraafplaats voor christenen is."
Je zult het als kerkmens op zondagochtend meemaken. Dat een menigte zich rond het kerkgebouw heeft verzameld en met gebalde vuisten roept om de afbraak ervan. Dat vervolgens deuren worden geforceerd en een groep mannen begint het interieur stukje bij beetje te ontmantelen. Jongens dragen kerkbanken naar buiten, raamkozijnen worden losgewrikt, deurposten en ander hout meegenomen. Aan het eind van de operatie is zelfs het dak van zijn pannen ontdaan en is van het godshuis slechts een karkas over. Een boze droom? Nee, realiteit! En te zien op een video die de afgelopen zomer is gemaakt door een gemeentelid die met lede ogen de afbraak van zijn kerkgebouw moest aanzien.

Ds. Gunarto is degene van wie ik de video krijg. Hij is predikant in een pinkstergemeente in Salatiga, een stadje op Midden-Java, even ten zuiden van Semarang. Ds. Gunarto heeft zo zijn eigen methode om moslimgeweld aan de kaak te stellen. Zodra ergens een kerk is afgebroken of verbrand of christenen zijn gemolesteerd, stapt hij op de plaatselijke islamitische leidslieden af om ze ter verantwoording te roepen: "Jullie zeggen dat de islam vreedzaam is en goed, maar hoe kan dit dan?" Voor ontkenning van de feiten geeft de predikant geen millimeter ruimte, want ieder opstootje rond een kerk wordt zorgvuldig gedocumenteerd.

Nu kwamen berichten over aanvallen op kerken in Indonesië de afgelopen zomer vooral uit het westen van Java en niet uit Midden-Java. Zijn Indonesische moslims daar ook intoleranter en agressiever geworden? De videobeelden uit Semarang geven aan van wel, en ze zouden met beelden uit andere dorpen en steden zijn uit te breiden.

Maar zelfs al blijft hun kerkgebouw overeind, christenen op Midden-Java ervaren op tal van andere manieren de hete adem van radicale moslims in hun nek. Pendetta (dominee) Petrus Sugito hoeft niet lang na te denken over de hindernissen die christenen in zijn omgeving dagelijks hebben te nemen. Hij is synodevoorzitter van de Christelijke Kerk van Noordelijk Midden-Java (Gereja Kristen di Java Tengah Utarah, de GKJTU). Samen met ds. Kees van Ekris heeft hij me zojuist op het vliegveld van Jogjakarta opgepikt. Ds. Van Ekris -"mister Kris" voor Javanen die hem kennen- assisteert de kerk namens de GZB bij de opbouw van plaatselijke gemeenten en geeft les aan een theologische school.

"Het is sowieso lastiger geworden om als christen werk te krijgen", zegt ds. Sugito. Hij noemt diverse voorvallen waarbij een sollicitatie bij een overheidsinstelling door een gemeentelid op niets uitliep omdat een moslim voorrang kreeg. Ds. Gunarto bevestigt de bevindingen van de synodevoorzitter. "Op alle bestuurlijke niveaus, landelijk tot lokaal, zie je de namen van medewerkers veranderen: eerst zaten er de Jakobussen en Matthéüssen, nu heten ze Mohammad of Yusuf."

Bouw van een kerk

Het grootste onrecht jegens christenen, vervolgt ds. Sugito, speelt bij het toekennen van een vergunning voor de bouw van een kerk. Fundamentalistische groepen hitsen volgens hem de omwonenden van zo'n uitgekozen locatie op om tegen de bouw te protesteren. Dat loont, want bij wet is vastgelegd dat omwonenden toestemming moeten geven voor de bouw van een kerk of moskee. Zo'n moskee komt er meestal wel - er wordt volgens ds. Sugito vaak niet eens om toestemming gevraagd. Maar een kerkgebouw? "Het is soms gemakkelijker een bordeel te beginnen dan een kerk."

Ds. Sugito kent een gemeente die al vijftien jaar bezig is om een vergunning te krijgen - telkens weer wordt die geweigerd. "Er staat op die plek inmiddels wel een gloednieuwe moskee. Het komt in feite neer op een soort stratego: Waar wij staan kunnen jullie niet meer terecht." Intussen zitten de gemeenteleden met een dilemma, want thuis een godsdienstoefening houden is wettelijk verboden. Zoiets mag enkel in een publiek gebouw, maar daar is dan weer een vergunning voor nodig.

Vaak is het ook lastig om een overledene te begraven, aldus ds. Sugito. "Wat zeggen moslims? Dat een christen hun grond verontreinigt! Wil je in één oogopslag weten of een dorp tolerant is of niet: check dan of er een christelijke begraafplaats is. Vaak blijkt dat christenen een begraafplek elders hebben moeten aanleggen."

Al dat intolerante gedrag staat intussen op gespannen voet met de gematigde islam die al sinds mensenheugenis op Java wordt aangehangen, de "abangan-islam", een potpourri van Mohammed-, Boeddha- en Jomanda-achtige opvattingen (lees: animisme). Boosdoeners achter het molesteren van christenen en het afbreken van kerken zijn dan ook veelal fundamentalistische moslimpartijen die zich baseren op de veel intolerantere Arabische islam. Een politieke partij als de PKS en bewegingen als de FPI en de Alliantie tegen de Afvalligen (!) hebben er belang bij de bevolking op te jutten tegen een minderheid als die van de christenen. Dat versterkt immers hun imago, en dat is weer goed voor het aantal aanhangers. Daarom verspreidde de PKS een tijdje terug het gerucht dat christenen baby's zouden weghalen bij moslimgezinnen om hen te bekeren. Nu is "kristianisasi" al iets verschrikkelijks in het islamitische denken, maar als dat op deze manier gebeurt, is dat natuurlijk helemaal een schande.

K-woord

Vergeleken met steden als Semarang, Jogja en Solo is Salatiga een positieve uitzondering. In het stadje, waar de synode van de GKJTU is gevestigd, wonen anderhalf keer zo veel christenen als moslims.

Wie er 's zondags ter kerke wil, kan kiezen uit maar liefst 50 verschillende richtingen, verdeeld over 110 kerkgebouwen. Er is zelfs een christelijke universiteit in de stad. Alleen al vanwege het straatbeeld is Salatiga een weldadige ervaring voor een westerse christen, want bij al die moskeeën en minaretten komt een pittoresk kerkje hier en daar, of een verenigingsgebouw met de naam Elim, heerlijk vertrouwd over. Maar voor nostalgische dromerij is ook in Salatiga en directe omgeving geen plek. "Kristianisasi" is ook hier het "K-woord", waarop een taboe rust. Christenen zitten hier volledig klem, zegt ds. Van Ekris. Zelfs het delen van je persoonlijk geloof met anderen word je al kwalijk genomen; dat pikken moslims -ook als die je vrienden zijn- niet. En wie er wel over begint, wordt er direct van verdacht zieltjes te willen winnen. "In Nederland kun je zelfs met atheïstische vrienden nog praten over je geloof, hier dus ab-so-luut niet."

Op het geloof in het algemeen blijkt in de publieke sfeer van Midden-Java een taboe te rusten. Zo werd ik meermalen met een nadrukkelijk "sssst!" tot de orde geroepen op het moment dat ik in een restaurant het woord "islam" weer eens te luidruchtig in de mond nam.

Ds. Gunarto is minder preuts als het om communicatie met moslims gaat. Zijn 'dialoog' met militante moslims zou hij graag overgenomen zien door meer christenen. "Ze zouden meer lef moeten hebben om naar moslims toe te stappen om verantwoording te eisen voor dingen die nu gebeuren: intimidatie van christenen, afbreken van kerkgebouwen."

Volgens hem bestaat er vanuit de islam zelf geen enkele behoefte om een echte dialoog aan te gaan met andere religies. "Als men die al wil, gaat het erom uit te leggen hoe goed deze godsdienst is voor heel de samenleving. Zij hebben het recht om dit land te leiden, vinden ze, want zij zijn in de meerderheid. Iedere dialoog is daarom overbodig. Voor christenen, "orang kristen", moet je beducht zijn, want die hebben een heel ander doel: "kristianisasi": moslims overhalen tot hún geloof."

Sola Grasia

"Sola grasia." Met een brede grijns laat Sutarto de woorden uit zijn mond rollen. Ik had hem gevraagd wat nu het verschil is tussen het islamitisch en het christelijk geloof. En ziedaar: zijn antwoord. En heel even buitelen de namen van Rome en Mekka, van Wittenberg en Salatiga over elkaar heen. Als het om de kern van religies gaat, maakt het kennelijk niet uit of je Mohammed of Leo X heet. Het godsbeeld dat zij ventileerden was in ieder geval even grimmig.
Sutarto kan het weten. De 37-jarige muziekleraar was ooit een devote moslim. Nu werkt hij op de Taruna Tama Vocational Senior High School, een school voor beroepsonderwijs die gerund wordt door de GKJTU, een van de protestantse kerken van Salatiga. De school staat niet in het stadje zelf, maar op het platteland (wat heet platteland in een bergachtige streek als Midden-Java?), in Getesan om precies te zijn. Er wonen zo'n 45.000 mensen verspreid over 12 dorpen. Driekwart van de bevolking is moslim, en te midden van deze mensen weet de kerk zich geroepen om te dienen. Met een beroepsopleiding bijvoorbeeld. De school telt momenteel 53 leerlingen, die een opleiding kunnen volgen voor onder andere boekhouder, bedrijfsmanage r of secretaresse. Er is ook een meubelwerkplaats, waar meer praktisch ingestelde jongens een stoomcursus houtbewerking kunnen volgen.

Leerlingen zijn zonder uitzondering kinderen uit boerengezinnen uit de omgeving. Dat betekent dat ze weten wat armoe lijden is. De kleine boeren van Midden-Java hebben het namelijk zwaar. Vanwege overbevolking zijn hun stukken land te klein en door dalende prijzen zijn hun opbrengsten niet rendabel. Boer-zijn is zo langzamerhand synoniem voor aanmodderen, schulden maken, armoede lijden. En als ouders hoop je maar dat je kinderen het beter zullen krijgen, bijvoorbeeld door een ander beroep te kiezen. De kansen daarop zijn aanwezig nu diverse bedrijven -zoals een banden- en een textielfabriek- zich in de regio hebben gevestigd. Voor de noodzakelijke opleiding zorgt sinds twee jaar de kerk.

Zegen

Christenjongeren uit de omgeving maken daar dankbaar gebruik van, en dat is een zegen voor de christelijke gemeenten, want niets is fnuikender voor de kerk dan materiële armoede en verval. Maar ook islamitische leeftijdsgenoten bezoeken de school. Zeker de helft van de leerlingen is zelfs moslim. Dat biedt kansen voor christenen om missionair bezig te zijn. Niet opdringerig, maar relaxed, getuigend met een eerlijke en positieve levensstijl, vanuit het besef dat God Zelf mensen overtuigt. Vrijwel alle docenten zijn net als Sutarto christen. En ook hij probeert als muziekdocent zijn steentje bij te dragen aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk. Hoe kan dat beter dan door het zelf componeren en aanleren van christelijke liederen?

Zo af en toe krijgt Sutarto sms-berichtjes van zijn broer in Jakarta. Hij is een radicale moslim en weet van geen ophouden in zijn pogingen zijn broer op andere gedachten te brengen. Maar Sutarto weet als christen evenmin van ophouden. Sola grasia!

Minder afstandelijk, blijvend eerbiedig

indonesie2005c.jpgJeugdcultuur in de kerkelijke gemeente. Volwassenen zijn er vaak huiverig voor. En: het leidt nogal eens tot onderlinge vervreemding, omdat jong en oud verschillend gaan spreken, beleven en -wie weet- geloven. Maar het kan ook andersom. Dat een ouderencultuur de jeugd in de problemen brengt.
In de GKJTU, de protestantse kerk van Centraal-Java (21.000 leden), heeft de traditioneel Javaanse liturgie dat effect, zeggen jongeren. Voor velen van hen zijn de charismatische groepen daarom een alternatief. Maar dat Javaans heeft ook aantrekkingskracht. "Weet je wat ze zeiden toen ze onze liturgie hoorden? "Dit is pas een waardige manier om God te eren." Dat luidruchtige, dat pinksterachtige, daar konden ze niets mee."

Het voelde een beetje als gestook, het gesprek met Nuryanto, Noviati, Elisabet, Yudha, Yohanes, Setya, Dewati en Yunia. Acht jongeren uit de GKJTU-kerk van Centraal-Java. Want publiekelijk praten over je zorgen en wensen ten aanzien van het gemeente-zijn, dat doe je niet als Javaan. En als jongere al helemaal niet. Toch kwamen ze die middag stukje bij beetje los. Het gesprek kreeg uiteindelijk zelfs een wat openhartig karakter.

Centraal stond de vraag wat het voor jongeren betekent om lid te zijn van een kerk die is ingebed in de Javaanse cultuur. Die vraag klinkt tamelijk onnozel, en het antwoord vanzelfsprekend, maar dat is het niet.

Om een voorbeeld te geven: In de kerken in en rond Salatiga wordt om de twee weken, tijdens christelijke feestdagen en in avondmaalsdiensten de preek en de liturgie in de Javaanse taal gehouden. Dat is heel wat anders dan het platte Bahasa Indonesia, en voor jongeren zo goed als onverstaanbaar. Een soort Kerklatijn dus, dat met grote regelmaat in de diensten wordt gebezigd. Je zult er als eigentijdse jongere in de kerkbanken zitten!

"Die taal is zeker niet het enige probleem waardoor wij de gewone kerkdiensten zo ontzettend saai vinden", laat Noviati weten. "Maar lastig is het wél. Vooral die hoogste vorm van het Javaans (de taal kent tal van variaties), die in de diensten wordt gebezigd, is voor ons moeilijk te volgen, omdat wij als moderne jongeren steeds minder geneigd zijn die taal te leren. Het gevolg is dat je nauwelijks nog wat van de preek begrijpt."

Theologiestudent Yohanes noemt nog een ander aspect dat hem dwarszit. "In een gewone dienst wordt er over jongeren altijd in de derde persoon gepraat. We zijn een groep aan de zijlijn, volledig passief. We doen wat er gevraagd wordt en volgen intuïtief de ouderen, maar erg bevredigend is dat niet.

"Het gaat er ons ook om dat we begrijpen wat bijvoorbeeld de liturgie inhoudt", vult Elisabet aan. "We staan altijd gedwee op wanneer de geloofsbelijdenis wordt uitgesproken en gaan op bevel van de voorganger ook weer zitten, vervolgens weer staan, zitten enzovoorts. Maar ik heb geen idee wat dat allemaal betekent. Als we nu eerst eens uitgelegd kregen wat de inhoud is van al die liturgische onderdelen, dan zou mij dat al helpen."

Gehoorzaamheid

"Een van de hoogste waarden van de Javaanse cultuur", legt theologiestudent Nuryanto uit, "is dat je zonder te vragen gehoorzaam bent aan je ouders. Als je gaat studeren, jezelf verder ontwikkelt, dan krijg je een bredere visie en kun je die onvoorwaardelijke volgzaamheid niet meer opbrengen."

Er volgt van achter de tafel enig protest. In Salatiga zou het er toch niet meer zo gedwee aan toegaan! Nuryanto geeft toe dat het klimaat in Salatiga ietsje opener is, maar blijft bij zijn standpunt. "Over het algemeen kun je zeggen dat in Indonesië dat oude ideaal van kinderen die ab-so-luut gehoorzaam moeten zijn aan hun ouders en hun mond moeten houden, nog erg dominant is."

Het is volgens hem tegelijk een van de redenen waarom veel jongeren zich niet meer thuis voelen in de kerk. De dingen waar zij mee zitten, komen immers zelden of nooit aan de orde. "Door dat strenge eenrichtingsverkeer van ouderen naar jongeren is er eigenlijk geen andere mogelijkheid dan dat jongeren kritisch worden, zelfs opstandig. Dan prijs ik me gelukkig dat we hier in Salatiga nog een jeugdvereniging hebben en een jongerendienst. Veel van onze leeftijdsgenoten zitten niet in zo'n omgeving en vervreemden daardoor van de kerk."

Ook in de gemeente van Dewati -zij woont in een dorp even buiten Salatiga- wordt het een en ander voor de jeugd gedaan. Ze wil best uitleggen hoe dat in zijn werk gaat. Iedere zaterdagavond is er een soort Bijbelkring voor jongeren, en af en toe trekken ze erop uit, in een soort retraite. In de gemeente van Salatiga is er om de twee weken op zaterdagmiddag een jeugddienst, de andere zaterdag houden ze een Bijbelkring.

Dewati vertelt dat er op hun zaterdagavondkring wordt gezongen en muziek gemaakt "op een manier die jongeren aanspreekt, dus niet volgens een strakke liturgie." Vaak zijn er twee theologiestudenten om leiding te geven bij de Bijbelstudie. Verder is er een soort vragenuurtje. Waar ze het dan zoal over hebben? "Over problemen waarmee wij als jongeren te maken krijgen: als het op je werk niet zo goed gaat, of als je overhoop ligt met je vriend of met je vriendin."

Dewati zegt zich te schamen voor zulke kwesties zodra ouderen erbij zijn - die komen wel eens luisteren. "Dan klap ik dicht."

"In onze cultuur is het erg onbeleefd om wanneer je ouders praten ook deel te nemen aan het gesprek, of je daarin te mengen", zegt Nuryanto. "En daarom is het een uitkomst dat we zo'n Bijbelkring voor jongeren hebben. Daar leeft dat Javaanse cultuurtje niet zo."

Op die manier lopen oud en jong niet het risico langs elkaar heen te praten. "Onze ouders zeggen wel tegen ons: "Kijk uit met drugs", en "Pas op met seks", maar ze kennen de verleidingen op die terreinen niet zelf. Wij zitten dagelijks op de campus van de universiteit, of waar dan ook, waar je concreet wordt uitgenodigd om een jointje te roken, of naar een feestje te gaan waar vrije seks wordt bedreven. Ouderen hebben vaak niet door hoe intens zulke verleidingen zijn."

Charismatische kerken

Intussen zijn ook in Salatiga en omgeving de charismatische kerken aan een sterke opmars bezig. De Gereja Bethel bijvoorbeeld, een pinksterkerk, is zoals in heel Indonesië, een sterke groeier. Wordt dat mede veroorzaakt door de terugloop van de traditionele Javaanse kerken?

Yohanes weet zeker van wel. "Dat is de prijs die je betaalt wanneer je niets met jongeren doet en hun vragen niet beantwoordt. Dan stappen ze naar charismatische groepen, waar je je emoties veel beter kwijt kunt, waar je vragen wél beantwoord worden."

"De pinksterbeweging is hier meer situationeel dan contextueel", weet Nuryanto. "Pinksterkerken begrijpen de situatie van jongeren beter, maar hebben niets met de Javaanse cultuur."

Toch kunnen ze veel van hen leren, vindt ook hij. "Zo zul je hier zelden een behoudende protestantse theoloog tegenkomen die nieuwe liederen componeert of die bezig is met taal en poëzie. Bij hen vind je die wél. Daartegenover staat dat zij niets begrijpen van onze Javaanse context. Dat is weer een groot manco, want die moeten we als jongeren toch proberen vast te houden. Zoals jongeren in Nederland van de Nederlandse cultuur houden, zo houden wij van onze Javaanse cultuur, ondanks alles."

Wat dan de waarde is van die Javaanse cultuur? "Wat voor mij typisch Javaans is", reageert Yudha, "is het respect hebben voor je ouders. Respect ook voor degene die boven je staat. En ten diepste is dat diep respect hebben voor God. Dat is de kern. In onze beleving van zondaar-zijn tegenover God speelt dat respect, die vrees, een wezenlijke rol.

Ik zal dat ook in mijn taalgebruik laten blijken. Dat kan dankzij de verschillende lagen in het Javaans: tegenover mijn vriendin gebruik ik de open, lage variant, omdat ze dicht bij me staat; tegenover God zal ik de hoogste vorm gebruiken."

Medestudent Nuryanto heeft ooit een kerkdienst meegemaakt waaraan christenen uit zowel de GKJTU als uit de pinksterkerken deelnamen. Daarom was de liturgie afwisselend traditioneel Javaans en charismatisch. Er waren zelfs enkele moslims. "Weet je wat die zeiden toen ze de Javaanse liturgie hoorden? "Dit is pas een waardige manier om God te eren." Dat luidruchtige, dat pinksterachtige, daar konden ze niets mee. Zo'n Javaanse liturgie stoot dus niet alléén mensen af, ze heeft ook aantrekkingskracht."

Als het maar niet opzichtig, beledigend of radicaal is

Hij is predikant, docent, jongerenwerker, dorpshoofd en directeur van een islamitische (!) school. Alleen al vanwege die professionele veelzijdigheid dwingt "pendetta" (dominee) Heru Purwanta respect af. Maar vooral zijn persoonlijke betrokkenheid oogst lof. Onder de kerkelijke jeugd van Salatiga, maar ook onder islamitische leiders.

Binnen de GKJTU -de protestantse kerk van Centraal-Java, die haar centrum heeft in het stadje Salatiga- heeft ds. Heru een brugfunctie. Hij bemiddelt tussen de jeugd en de oudere generatie, die gepokt en gemazeld is in de traditionele Javaanse cultuur. "Belangrijk is dat die in gesprek blijft met jongeren, zich openstelt voor hun inbreng." Ds. Heru vertelt over een ontmoeting tussen jongeren uit een plaatselijke gemeente en hun jeugdouderling, waarbij hij aanwezig was. "Ik heb die ouderling toen gezegd: We gaan nu alleen luisteren, ons niet verdedigen en geen antwoorde n geven. Enkel noteren wat de jeugd te zeggen heeft. We hebben hen toen twee uur laten praten en daarna alles op een rijtje gezet. En wat was de essentie van hun boodschap? Dat er áándacht aan hen wordt gegeven. Dat ze het gevoel krijgen mee te tellen!"

Ds. Heru hamert er om die reden op dat er iemand in de gemeente is die werkelijk hart heeft voor jongeren. "Dus niet om de twee maanden een ander daarvoor aanwijzen, maar een vast iemand. Jongeren zijn immers labiel, ze hebben een persoon nodig die ze kunnen vertrouwen, met wie ze iets kunnen opbouwen." De predikant ontkent dat het de Javaanse cultuur is die de problemen met de jeugd veroorzaakt. "Die cultuur is niet tegen expressie van jezelf, tegen inspraak of tegenspraak. Ze stelt wel bepaalde voorwaarden aan hoe je dat alles doet. Als het op een grove manier gebeurt, de ander schoffeert, of als je radicaal en opzichtig te werk gaat, dan wekt dat weerzin."

Overigens geeft hij toe dat er sprake is van een crisis binnen die Javaanse cultuur: een voortgaande aftakeling. Daar zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen. "In de eerste plaats is het de erfenis van het cultuurbeleid onder president Suharto (die tot 1998 in Indonesië aan het roer stond, AJ). Dertig jaar lang heeft hij een nationale Indonesische cultuur aan de bevolking opgelegd, die ten koste ging van lokale en regionale culturen zoals de Javaanse." Maar de teloorgang wordt ook veroorzaakt door de islam. "Veel Javanen werken als gastarbeiders in het Midden-Oosten. Daar maken ze kennis met een veel intolerantere vorm van islam, de Arabische variant, en die proberen ze, zodra ze terug zijn, hier in praktijk te brengen. Deze Arabische variant wordt ook verspreid vanuit sommige "pesantrens", islamitische scholen, op Java. De werkwijze is simpel: afgestudeerde studenten gaan als moslimgeestelijken aan de slag in de dorpen, en daar ventileren ze hun radicale opvattingen."

Arabische islam

Die afbraak leidt tot een gevaarlijke ontwikkeling. Want juist de Javaanse cultuur was altijd een gemeenschappelijke grond waarop christenen en moslims elkaar respecteerden. De Javaanse variant van de islam, de "abangan-islam", is ook gematigder en veel toleranter dan de Arabische versie. In het dorp waar ds. Heru woont wordt de abangan nog volop aangehangen. "Fanatieke praat van moslimgeestelijken tolereren de dorpelingen niet."

Nu heeft agressie jegens christenen -zich uitend in bijvoorbeeld de verwoesting van kerkgebouwen- niet altijd een strikt religieuze reden. Er kan ook jaloezie achter zitten, weet ds. Heru, bijvoorbeeld omdat christenen welvarender zijn dan moslims. Verder valt de kerk soms ook veel te verwijten. "Veel kerken wortelen amper in de omgeving waar ze hun godshuis hebben staan. Gemeenteleden zijn dan van geen enkele betekenis voor de mensen om hen heen. Dan hoeft er maar iets te gebeuren of je bent doelwit van een wraakactie."

Voor ds. Heru zelf ligt hier juist de sleutel voor zijn 'succes'. "Als christen werk en woon ik in een islamitische omgeving. Maar ik probeer van betekenis te zijn voor de ander. Ik geef hun vertrouwen, laat zien dat ik in hen als medemens geloof. Ik probeer ook zo veel mogelijk familiair met hen om te gaan."

Dat zo'n omgang er niet eenvoudiger op wordt, ervaart hij aan den lijve. "Steeds vaker kom ik moslims tegen die het als zondig beschouwen als ze hun geloof laten integreren in de Javaanse cultuur. Het zijn aanhangers van de terug-naar-de-islambeweging, die een zuivere vorm van islam voorstaan die is losgemaakt van de Javaanse context."