Donaties
Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.
Stort uw giften op:
giro: 29.70.700
of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)
ten name van
Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.
Ethiopië 2001
Actie Ethiopië 2001: Aan onze abonnees
Kansarm? Tasfaye wil graag automonteur worden. Geen overbodige luxe in Gambella, want de wegen zijn er belabberd en garages uiterst schaars. Tasfayes huid steekt donker af tegen zijn khaki broek en heldere shirt, het officieuze schooluniform. Bedeesd en rillend van de malariakoorts staat het ventje naast zijn moeder. Zijn vader werd zeven jaar geleden door rebellen doodgeschoten. Tasfaye was -wat we tegenwoordig noemen- kansarm. Maar nu is de 10-jarige Ethiopische jongen door Hope Enterprises (een partner van Woord en Daad) toegelaten tot de lagere school in Gambella. Een vakopleiding zal echter onmogelijk zijn. Tenzij Hope Enterprises een beroepsopleiding kan starten in Tasfayes omgeving. En die van zijn vriendjes en vriendinnetjes.
Gambella ligt in het uiterste westpuntje van Ethiopië, tegen de grens met Sudan. De bevolking van Gambella leeft in stamverbanden en volgens eeuwenoude tradities. Het is een gebied waar de criminaliteitscijfers het hoogst zijn van geheel Ethiopië, waar de armoede groot is. Veel jongeren verdwijnen in de criminaliteit of in de prostitutie. Ongeveer de helft van de bevolking lijdt aan malaria.
Hope Enterprises stelt bijna 300 van de allerarmste kinderen in staat christelijk onderwijs te volgen en voorziet hen van medische zorg en een dagelijkse maaltijd.
Het is noodzakelijk om het onderwijsprogramma uit te breiden met een vakschool, zodat kansarme kinderen redelijke kansen krijgen op een betere toekomst. Voor velen van hen -zonder vader of moeder- betekent dit onderwijs vaak letterlijk het verschil tussen leven en dood. Onder beding van Gods zegen kunnen wij kansarme kinderen kansen bieden. Daarom durven wij vrijmoedig een beroep op u te doen. Kinderen in Ethiopië hebben uw hulp nodig, broodnodig. Met uw gift kan geweldig veel gedaan worden. Uw hulp geeft hun hoop. Als een christelijke handreiking, maar ook als een belijdend getuigenis.
Hope doet leven
Vandaag begint het Reformatorisch Dagblad een inzamelingsactie voor een schoolproject van Woord en Daad in Gambella, een van de minst ontwikkelde delen van Ethiopië. Voor tientallen leerlingen, velen van hen zonder vader of moeder, betekent dit onderwijs soms letterlijk het verschil tussen leven en dood.
Ongenadig brandt de tropische zon op de vuilwitte Toyota Landcruiser. Hotsend en piepend baant het voertuig zich een weg door het minimaanlandschap dat voor een weg door moet gaan. Een ritje door Gambella is zelfs voor de meest geharde reiziger geen pretje, maar je krijgt tegelijkertijd diep respect voor het uithoudingsvermogen van de Ethiopische auto's.
"Je kunt nog beter helemaal geen weg hebben dan iets wat ooit asfalt is geweest", zegt Solomon, projectleider van Hope Enterprises, de Ethiopische partner van Woord en Daad. Bijna zeven jaar woont Solomon in Gambella, de 'hoofdstad' van het gelijknamige district in het uiterste westpuntje van Ethiopië, tegen de Sudanese grens aan. In dit sterk achtergebleven gebied, waar de bevolking nog volledig in tribale verbanden en volgens eeuwenoude tradities leeft, stelt de hulporganisatie bijna 300 van de allerarmste kinderen in staat onderwijs te volgen en voorziet hun van medische zorg en een dagelijkse maaltijd.
Eigen schoolgebouw
Aanvankelijk waren deze leerlingen volledig aangewezen op een van de overheidsscholen in Gambella. Sinds kort beschikt Hope echter over een eigen, gloednieuw schoolgebouw, dat dit jaar met de eerste twee klassen van de kleuterschool en een crèche van start is gegaan. Uiteindelijk zullen alle door Woord en Daad gesteunde kinderen op deze school terechtkomen. Met uw hulp hoopt de organisatie het programma uit te breiden met een vakschool, waaraan leerlingen een scala aan beroepsopleidingen kunnen volgen.
De nieuwe lokalen liggen er keurig bij. De frisrode pannendaken steken fel af tegen de witgepleisterde muren en roepen een bijna Hollands gevoel op. Achter de gebouwtjes ligt een groot stuk terrein nog braak. Daar moet in de toekomst de nieuwe vakschool verrijzen, waar leerlingen zich kunnen bekwamen in techniek, verzorging en omgaan met computers.
"Die beroepsopleiding is ook heel hard nodig", zegt ds. Peter Agwa, die als coördinator en sociaal werker voor Hope Enterprises fungeert en de kin deren het Evangelie brengt. Krampachtig klemt hij zich aan de achterdeur van de slingerende Landcruiser vast. De voorganger is lid van de Anuak-stam, die samen met de Nuer-stam het grootste deel van de bevolking in Gambella uitmaakt. "Als ze een vak leren, hebben de jongeren tenminste een redelijke kans op werk en een betere toekomst. Juist op die leeftijd lopen ze bovendien een groot risico dat ze in de prostitutie of de criminaliteit belanden."
Schrikbarend hoog
Nuchtere statistieken onderstrepen het betoog van de predikant. Criminaliteitscijfers in Gambella behoren tot de hoogste in Ethiopië. Het HIV-virus grijpt razendsnel om zich heen. Veel jongeren verdoen hun tijd met roken en drinken of voorzien met prostitutie in hun levensonderhoud. Het aantal wezen en halfwezen is schrikbarend hoog. De gemiddelde levensverwachting ligt net boven de veertig. De meeste inwoners moeten van twee kwartjes per dag zien rond te komen.
Een eindje buiten het 'centrum' van Gambella houdt zelfs de stoere Toyota het voor gezien. Een bezoek aan de lokale bevolking moet te voet, of je wilt of niet. Een smal, overwoekerd paadje leidt langs tientallen ronde grashutjes, de traditionele woningen van de Anuak en Nuer. Poedelnaakte kinderen spelen in de modder. Magere kippen scharrelen bedrijvig tussen de huisjes. Een enkele geit steekt haar kop nieuwsgierig om de hoek van de deur.
Mannen zijn er nauwelijks te bekennen. Ze hangen in het plaatselijke café rond of nemen een bad in de rivier. Het zijn de vrouwen die de zorg voor de kinderen op zich nemen en elke dag opnieuw een strijd om het bestaan voeren. Voedsel en brandhout verzamelen, het vee verzorgen, het land bewerken.
Maskerm Muleta komt net terug van de markt. De 35-jarige Anuak-moeder heeft een stapel brandhout en een paar bossen gras verkocht, zodat ze haar vier kinderen weer even te eten kan geven. Haar man is zeven jaar geleden door rebellen doodgeschoten. "Vroeger brouwde ik de lokale alcoholische drank", vertelt ze. "Dat verdiende goed. Maar sinds ik christen ben, kan ik dat niet meer. Gelukkig steunt Hope mijn gezin met voedsel en onderwijs."
Haar zoontje Tasfaye is een van de kinderen die door Woord en Daad worden gesponsord. Zijn zwarte huid steekt af tegen zijn khaki broek en helderwitte T-shirt, het officieuze Hope-schooluniform. Rillend van de koorts staat het ventje bedeesd naast zijn moeder. Hij heeft malaria, de beruchte tropische ziekte waaraan gemiddeld de helft van de bevolking van Gambella lijdt. Een jaar geleden is Tasfaye door medewerkers van de hulporganisatie geselecteerd voor deelname aan het onderwijsprogramma.
Megafoon
Die selectie verloopt volgens een unieke procedure. Ds. Agwa: "We hebben speciale comités gevormd die bestaan uit iemand van de gemeente, een vertegenwoordiger van het departement voor Sociale Zaken, tien dorpshoofden uit de "kebele" (bestuurlijke eenheid, red.) waar de kinderen vandaan komen en twee medewerkers van Hope Enterprises. Via huisbezoeken verzamelen de leden van deze commissie informatie over leerlingen en gezinnen."
Vervolgens bekijkt het comité welke kinderen de meeste behoefte aan hulp hebben. Criteria als armoede en de afwezigheid van een of beide ouders zijn bepalend voor de selectie. Op vijf plaatsen in ieder dorp hangen de commissieleden lijsten op met namen van leerlingen die volgens hen voor steun in aanmerking komen. Voor diegenen die niet kunnen lezen, gaan medewerkers van Hope met een megafoon langs de huizen om de namen bekend te maken.
"Mensen kunnen daarna bezwaar maken als zij vinden dat iemand geen hulp nodig heeft", legt de predikant uit. "Dan bekijken we de situatie van het kind opnieuw en zo nodig passen we de lijst aan. Dat is echter nog maar een paar keer gebeurd. Op deze manier proberen we de lokale gemeenschappen zo veel mogelijk bij onze acties te betrekken en creëren we ook voldoende draagvlak voor onze selectie."
Tasfaye wil later graag automonteur worden. Geen overbodige luxe in Gambella, want momenteel moeten bestuurders met panne nog tientallen kilometers verderop om een garage te vinden. Over een paar jaar hoopt de 10-jarige Ethiopische jongen als een van de eersten de nieuw te bouwen Woord en Daad-vakschool in Gambella te bezoeken.
Als een zonnetje
In Addis Abeba heeft Hope Enterprises al een ruime ervaring met beroepsopleidingen voor kansarme jongeren. Op een uitgestrekt terrein buiten het centrum van de hoofdstad worden uiteenlopende vakgerichte trainingen gegeven: lassen, autotechniek, hout- en metaalbewerking, serveren.
Shewit Gedey sleutelt ijverig aan een oude DAF-truck, die zijn betere dagen in Nederland heeft doorgebracht. Het plaatwerk roest aan alle kanten, alle lampen zijn gesneuveld en het rechterportier mist een deurkruk. "Maar de motor loopt nog als een zonnetje", vertelt de 15-jarige student trots. "Weggooien is er in Ethiopië niet bij. Laatst kregen we hier een vrachtwagen uit 1940. Het ding reed nog steeds en we hebben hem weer helemaal opgelapt."
In een gebouwtje verderop krijgt een groep meisjes typeles. Het doordringende geratel van de zwarte ouderwetse schrijfmachines vult de ruimte. Als de leerlingen het typen onder de knie hebben, mogen ze een lokaal opschuiven en hun vaardigheden beproeven op een tiental computers, voor het grootste deel uit Nederland afkomstig.
"Ik kon thuis eigenlijk helemaal niet worden gemist", zegt de 17-jarige Mekdes Getachew, terwijl ze een stapel papier in een printer stopt. "Mijn vader is in de oorlog tegen Eritrea gesneuveld en nu moet mijn moeder alleen voor het gezin zorgen. Voor ik hier terechtkwam, liep ik elke dag op straat sigaretten en snoep te verkopen. Gelukkig betaalt Hope voor deze opleiding en verstrekt ons dagelijks een maaltijd. Nu kan ik aan mijn toekomst werken."
Geen flauw idee
In een van de panden is een complete woning nagebouwd, inclusief salon, volledig ingerichte keuken en een luxe badkamer. Meisjes leren hier de huishouding doen en de kunst van het serveren, zodat ze later bij gegoede burgers in de huishouding of in restaurants en hotels kunnen werken. "De meeste meisjes wonen in hutjes en hebben geen flauw idee hoe een moderne woning er vanbinnen uitziet of wat een wasmachine is", legt Zenebe Ayele, projectmanager van Hope Enterprises, uit. "Daarom hebben we dit interieur nagemaakt zodat ze daarmee vertrouwd kunnen raken."
Ook Abaynesh Asheber is in deze kamer begonnen. In 1997 volgde ze de beroepsopleiding op de Hope-vakschool in Addis Abeba en specialiseerde zich in internationale hotel- en restaurantservice. Vervolgens werkte ze als stagiaire in het Blue Tops-restaurant, een gelegenheid waar veel westerse gasten komen. Inmiddels is ze al drie jaar werkzaam in het Italiaanse restaurant van het imposante Sheraton-hotel, dat tot een van de meest luxueuze hotels in Afrika wordt gerekend.
"Ik kom uit een heel arme familie", vertelt de 25-jarige Ethiopische in haar lunchpauze. "Mijn vader is overleden, dus mijn moeder staat overal alleen voor. Na de dood van mijn vader konden we niet eens de huur van ons huis betalen. Het is vaak genoeg gebeurd dat we op straat moesten slapen. Als we één keer in de twee dagen aten, mochten we blij zijn. Na mijn training bij Hope is alles veranderd."
"Drie jaar geleden hoorde ik van een vacature bij het Sheraton", vervolgt Abaynesh. De mensen van Hope Enterprises hebben me aangemoedigd te solliciteren. Samen met 130 andere kandidaten moest ik een theoretisch en praktisch examen afleggen. Tot mijn stomme verbazing werd ik aangenomen. Ik verdien nu een heel goed salaris, zodat mijn moeder geen brandhout meer hoeft te hakken en verkopen. Ik dank God nog steeds voor Zijn leiding. Van de straat naar het Sheraton: is dat geen wonder?"
Hope doet leven. Soms letterlijk. Dat bewijst het verhaal van Shewit Gedey, Mekdes Getachew en Abaynesh Asheber. Hoewel niet alle leerlingen in het Sheraton-hotel terechtkomen, zorgt hun beroepsopleiding er toch voor dat ze niet in de goot belanden, maar op een eerlijke manier in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Zo moet het straks ook in Gambella gaan!
In het spoor van de ark
Voerden de Chaldeeën haar mee naar Babel, werd ze door de Romeinen verbrand, of bracht koning Salomo haar met zijn vooruitziende blik in veiligheid? Volgens de Ethiopische overlevering bevindt de ark des verbonds -hét symbool van Gods aanwezigheid bij het volk Israël- zich in de kerk van de Heilige Maria van Sion in Axum, vlak bij de grens met Eritrea.
Zachtjes deint het stalen bootje op het Tanameer. De buitenboordmotor bromt regelmatig en geruststellend. Een groot zeil beschermt de inzittenden tegen de brandende Ethiopische zon. Behendig loodst de stuurman -"ik heb het vak van een groep Urker vissers geleerd"- zijn vaartuig door de brede golfdalen. Een groepje pelikanen cirkelt nieuwsgierig rond het scheepje. Vissers in wankele papyrusbootjes peddelen schijnbaar onvermoeid over de immense watervlakte. Spoedig is de oever niet meer dan een vage streep aan de heiige horizon.
Met een oppervlakte van bijna 3700 vierkante kilometer is het Tanameer groter dan de provincie Overijssel. Berucht zijn de plotseling opstekende stormen die het meer binnen enkele ogenblikken tot een kolkende binnenzee opzwepen. In dit enorme waterreservoir ontspringt de Blauwe Nijl, die zich diep in Sudan met de Witte Nijl verenigt en uiteindelijk in de Middellandse Zee uitmondt.
Aantrekkingskracht
Het zijn echter niet de uitgestrektheid van het meer, de uitbundige tropische begroeiing of de nijlpaarden en krokodillen in de rivier die bezoekers inspireren. Nee, het zijn de beboste stukjes land die als een lappendeken over het blauwe water verspreid liggen die het gebied zijn aantrekkingskracht geven. Aan het oog onttrokken en afgesneden van de buitenwereld, bevinden zich op een twintigtal eilandjes eeuwenoude Ethiopisch-orthodoxe kloosters. Op een van die plaatsen -Tana Cherkos- kwam volgens een Ethiopische legende ver voor het begin van onze jaartelling de ark des verbonds uit Israël aan en bleef zij daar 800 jaar verborgen.
De plaats was ongetwijfeld goed gekozen. Tana Cherkos ligt zo'n drie uur varen uit de kust, midden in het woelige Tanameer. Metershoge rotsen rijzen loodrecht uit het water op en geven het eilandje een ongenaakbaar uiterlijk. Alleen de pelikanen hebben vrije toegang.
Voorzichtig laveert de stuurman tussen de scherpe kliffen door en maakt zijn boot aan een uitstekende rotspunt vast. Een steile klim over losse stenen en door dicht tropisch regenwoud voert naar het plateau boven op het eiland. Met elke stap treed je tientallen jaren terug in de tijd. Zodra het Tanameer uit het gezicht is verdwenen, lijken de Middeleeuwen te zijn teruggekeerd.
Schril contrast
Goed verscholen tussen de dichte begroeiing staat een tiental hutjes. Monniken, blootsvoets en slechts gekleed in een eenvoudige omslagdoek en dito hoofdbedekking, staren zwijgend naar de bezoekers. Op een schaal ligt een portie injera -het traditionele Ethiopische voedsel- te drogen in de hete zon. De rook van een vuurtje stijgt op in de trillende lucht. Het enige geluid komt van de ontelbare muggen die rond de kleurige bloemenpracht op het eiland zoemen.
Zwaar leunend op zijn stok schrijdt hogepriester Abba Woldehanna dichterbij. De stuurman valt op zijn knieën en kust het houten kruis dat de orthodoxe geestelijke bij zich draagt. Ook de andere monniken nemen devoot de zegening van hun leider in ontvangst. Nog altijd zwijgend loopt de hogepriester met statige tred via een smal paadje naar de andere kant van het eiland. Een overwoekerd poortje verschaft toegang tot het eigenlijke kloostercomplex: een donker negentiende-eeuws bouwsel, opgetrokken uit hout en leem.
Abba Woldegiorgis, een van de monniken, opent de zware deur van het gebedshuis en onthult een schaars verlichte ruimte. De vloer is met stro bedekt, de wanden bestaan uit kale stammetjes met hier en daar een stukje golfplaat. De voorkant van de kerk vormt echter een schril contrast met de eenvoud van de rest van het gebouw. Achter prachtig bewerkte tapijten prijken kunstige muurschilderingen die uiteenlopende bijbelse verhalen uitbeelden.
Heilige der heiligen
"Hierachter bevindt zich het heilige der heiligen", zegt Woldegiorgis terwijl hij op een dik rood gordijn wijst. "Daar staat de tabot, de replica van de ark des verbonds. Alle 30.000 kerken en kloosters in Ethiopië hebben zo'n model. Alleen de hogepriester mag in het heilige der heiligen komen, net als in het Oude Testament."
Zo'n 2500 jaar geleden bevond de échte ark des verbonds zich op Tana Cherkos, althans volgens de overlevering en de stellige overtuiging van de priesters. Abba Woldehanna wijst op een groot stenen altaar, net buiten de kerk. "Hier is de ark voor het eerst aan land gekomen in Ethiopië", vertelt hij. "En vervolgens heeft ze hier 800 jaar gestaan, voordat ze naar Axum is vervoerd."
De Bijbel spreekt voor het laatst in fysieke zin over de ark in 2 Kronieken 35:3 waar koning Josia de Levieten de opdracht geeft de heilige ark in de tempel te plaatsen om het pascha te kunnen vieren. Daarvoor wordt de ark voor het laatst genoemd in de tijd van koning Salomo, in 2 Kronieken 8. Gezien de lange periode dat er over de ark wordt gezwegen, is Abba Woldehanna er dan ook van overtuigd dat de ark tussen de regeerperiodes van die twee vorsten is verdwenen en dat de ark tijdens het bewind van Josia een replica moet zijn geweest.
Koningin van Scheba
In korte trekken schetst de hogepriester de omzwervingen van de Ark. Toen de Ethiopische koningin van Scheba naar Israël was gereisd om de wijsheid en de schatten van Salomo te zien, raakte zij volgens de overlevering in verwachting van de Israëlitische koning en schonk hem een zoon, Menelik. Toen de vorstin naar haar vaderland terugkeerde, zond Salomo de ark des verbonds en een groot aantal Joden met haar en haar zoon mee.
"De wijze Salomo zag een prachtige mogelijkheid om zijn rijk naar Ethiopië uit te breiden", legt de geestelijke uit. "Via zijn zoon Menelik, die later inderdaad koning van Ethiopië is geworden, had hij een directe afstammeling op de troon. Door de ark en een groot aantal priesters mee te sturen, kon hij bovendien de Joodse godsdienst makkelijk verbreiden en het teken van het verbond voor vijandelijke invallen veiligstellen."
Over de Joodse invloed in Ethiopië, bestaat geen twijfel. Honderden jaren lang maakten de Ethiopische Joden -de falasha's- een substantieel deel van de bevolking uit. Maar ook in de Ethiopisch-orthodoxe liturgie is een groot aantal Joodse tradities herkenbaar: de replica van de ark, het heilige der heiligen, de priesterhiërarchie.
Buitenboordmotor
Uit een voorraadkamer van het klooster haalt Abba Woldehanna een aantal wierookvaten en offerschalen tevoorschijn. De eeuwenoude voorwerpen liggen keurig op de vloer gerangschikt, naast een moderne Yamaha-buitenboordmotor "voor de visboot." "Deze voorwerpen zijn hier tot 331 na Christus in de offerdienst gebruikt", wijst de geestelijke. "In dat jaar is Ethiopië officieel tot het christendom overgegaan, dus toen werden alle Joodse gebruiken afgeschaft."
Overigens is het verhaal van de Ethiopische hogepriester niet de enige legende die rond de ark in omloop is. Volgens andere overleveringen stal prins Menelik de ark en smokkelde hij haar mee naar zijn vaderland. Weer anderen beweren dat Azarius, een zoon van de hogepriester Zadok die in het gevolg van Menelik meereisde, de ark ontvreemdde.
De Britse journalist en socioloog Graham Hancock deed uitgebreid historisch onderzoek naar de ark des verbonds. In zijn boek "Het teken en zegel" geeft hij een heel andere lezing over de gebeurtenissen rond de ark. Volgens Hancock haalden Israëlitische priesters de ark uit de tempel ten tijde van de goddeloze regering van koning Manasse en smokkelden haar het land uit. Twee eeuwen lang bleef de ark verborgen in een Joods heiligdom op een Egyptisch eiland in de Nijl, alvorens naar Ethiopië te worden gebracht.
In één ding stemmen het onderzoek van Hancock en de legendes overeen: zij gaan er allemaal van uit dat de ark des verbonds ongeveer 800 jaar in Tana Cherkos is geweest en daarna door de heersers van het inmiddels christelijk geworden axumitische koninkrijk naar de kerk van de Heilige Maria van Sion in Axum is vervoerd.
Hier bleef de ark tot halverwege de zestiende eeuw. Uit vrees voor oprukkende moslimlegers brachten de Ethiopiërs het oude teken van het verbond naar een geheime plaats. De islamitische veroveraars verwoestten de kerk van de Heilige Maria van Sion. Zo'n honderd jaar later, toen de oorlog voorbij was, herbouwde koning Fasilidas het gebedshuis in Axum en liet de ark opnieuw in het gebouw plaatsen. In 1965 liet keizer Haile Selassie de ark naar een beter beveiligde kapel overbrengen, zo'n 10 meter naast de kerk.
Bijzondere voorrecht
"Eén keer per jaar brengen we de ark naar buiten, tijdens het orthodoxe Timkat-feest in januari", vertelt de hogepriester in Axum. De geestelijke zit achter een traliehek, naast de kapel waarin de ark wordt bewaard. Dag en nacht verblijft hij op het terrein van de kerk om de schatten te bewaken. "Tijdens de Timkat-viering voeren we een groot aantal arken door de stad die allemaal met een kleed zijn bedekt. Zo weet niemand wat de échte ark is. De afgelopen drie jaar is de ark echter achter slot en grendel gebleven vanwege de oorlog met Eritrea."
Wie denkt in Axum een glimp van de ark op te kunnen vangen, komt bedrogen uit. Alleen de hogepriester heeft dit bijzondere voorrecht. Bovendien zal iedereen die het waagt het heiligdom te schenden door vuur worden verteerd, aldus de legende. "Niemand mag de ark zien. Zelfs de president van Ethiopië niet."
Dagelijks danken voor het leven
Haar man is werkloos, zelf is ze net van tbc hersteld en ze moet ook nog eens een broer, een zus en drie eigen kinderen verzorgen. Het valt voor de achttienjarige Kuchaman Okonj bepaald niet mee het hoofd boven water te houden. "Ik dank God elke dag dat ik nog in leven ben."
Heftig schuddend scheert de Fokker 50 over het dramatische landschap van de Ethiopische Rift Valley. Opstijgende luchtstromen uit de ruige canyons maken het toestel tot een nietige speelbal in het Afrikaanse luchtruim. Zelfs Hollandse degelijkheid houdt het niet lang uit in deze contreien.
Langzaam maar zeker maken de woeste kloven en afgesleten rotspunten plaats voor de eindeloze vlakten in het uiterste westen van Ethiopië, die zich tot ver in het buurland Sudan uitstrekken. De natuur houdt geen rekening met landsgrenzen. Het vliegtuig richt zijn neus naar de grond. Snel komt de landingsbaan van Gambella dichterbij - een dunne potloodstreep in een reusachtige groene bomenzee. Even later maken de wielen contact met het harde beton. Ethiopian Airlines heeft weer zijn best gedaan.
Enthousiaste activiteit
"Benauwd, moerasachtig en zweterig", meldt de reisgids over Gambella - en dat is niets te veel gezegd. Zodra de deuren van de witte Fokker opengaan, komt de vochtige hitte je tegemoet. Temperaturen boven de 40 graden zijn hier geen uitzondering. Alleen de vliegen lijken het in dit klimaat uitstekend naar hun zin te hebben, getuige hun aantallen en hun enthousiaste activiteit.
Het einde van de wereld, zo omschrijven Ethiopiërs Gambella. Drie dagen rijden met de bus vanuit Addis Abeba - als je niets tegen hebt. Bovendien heeft het 'stadje' ook niet zo veel met Ethiopië te maken, maar veel meer met de grote buurman, Sudan. Gelegen aan de oevers van de Barorivier is Gambella slechts enkele kilometers van de Sudanese grens verwijderd en daardoor heeft het sinds het einde van de negentiende eeuw als doorvoerhaven en contactplaats voor de Sudanezen gediend.
Het waren de Britten die de toenmalige Ethiopische koning Menelik II overtuigden van het belang van een directe scheepvaartroute tussen Ethiopië en Sudan. Londen wreef zich in de handen bij het idee dat het toegang kreeg tot de natuurlijke rijkdommen van West-Ethiopië; Menelik was blij dat hij voor een snelle verbinding met het buitenland niet alleen meer afhankelijk zou zijn van de spoorlijn tussen Addis Abeba en het door de Fransen bestuurde Djibouti.
Menselijke vracht
In 1902 verleende de Ethiopische vorst de Britten toestemming om een nederzetting aan de Baro te stichten. Vijf jaar later had de officiële opening plaats van de haven en het douanekantoor in de nieuwe stad Gambella. Spoedig voeren tientallen stoomboten de rivier op en af - beladen met koffie, zout, katoen en sterke drank. Niet zelden vervoerden de schepen ook menselijke vracht: duizenden slaven kwamen via de Baro op een van de vele handelsposten terecht. Elf dagen stroomopwaarts van Gambella naar Khartoem; zeven dagen om de tocht de andere kant op te maken.
De Italianen bezetten Gambella in 1936, maar in 1941 heroverden de Engelsen hun enclave. Begin jaren '50 ging de minikolonie in Sudanese handen over. Toen Sudan onafhankelijk werd, namen de Ethiopiërs Gambella echter opnieuw in bezit. In 1955 stopten de scheepvaartdiensten op Khartoem. Langzaam maar zeker verpauperde de regio en verloor Addis Abeba zijn interesse in het gebied. Hoewel er plannen zijn om de economische activiteiten in de haven van Gambella nieuw leven in te blazen, verkeert het stadje voorlopig in een soort sluimertoestand.
Een stokoud stoomschip en een paar stenen huizen in koloniale stijl vormen de enige tastbare herinneringen aan de glorie van weleer. Aan de bevolking van Gambella lijken alle historische ontwikkelingen compleet te zijn voorbijgegaan. Langs de oevers van de traag voortkabbelende Baro leiden de inwoners hun leven zoals ze dat al eeuwenlang hebben gedaan. Vrouwen dragen waterkruiken op hun hoofd, kinderen spelen in de zwarte modder van de rivierbedding en mannen roken en drinken in het lokale café. Niemand maakt zich druk.
Illustratief
Kuchaman Okonj komt net terug van de markt in het centrum van Gambella. Met geroutineerde bewegingen hakt ze verse groente fijn op de grond voor haar hutje. De achttienjarige vrouw behoort tot de Anuak-stam, die samen met de Nuer-stam het grootste deel van de oorspronkelijke bevolking van Gambella uitmaakt. De Anuak leven vooral van de visvangst, hoewel sommigen van hen ook op kleine schaal gewassen verbouwen. De stam hecht sterk aan de eigen familie, reden waarom ze meestal niet in dorpen wonen maar op afgescheiden stukjes land waar de huisjes van alle verwanten bij elkaar staan.
Het levensverhaal van Kuchaman is illustratief voor veel meisjes van haar etnische groep. Haar ouders zijn aan aids overleden, haar man heeft geen werk en daarbij heeft ze ook nog de zorg voor haar broer en zus en drie eigen kinderen. Daarnaast moet ze ook nog zien dat er dagelijks brood op de plank komt.
"Als klein kind moest ik al met mijn moeder mee naar de markt om brandhout en vis te verkopen", vertelt de Ethiopische. "De eerste zes schoolklassen heb ik nog gevolgd, maar toen stierf mijn vader en moest iedereen zijn steentje bijdragen om aan voedsel te komen. Als we geluk hadden, verdienden we net genoeg om het hele gezin één keer per dag van een maaltijd te voorzien. Maar het is ook vaak gebeurd dat we helemaal geen eten kregen."
Arbeidskrachten
Na de dood van haar vader belandde haar moeder in de prostitutie. Ze verkocht zich veelal aan de 'hooglanders', Ethiopiërs uit het bergland of inwoners van de hoofdstad Addis Abeba die voor zaken of overheidsdienst in Gambella wonen. Kuchaman: "Spoedig werd mijn moeder ziek. Eerst dachten we aan malaria: bijna iedereen heeft die ziekte hier en het vormt de belangrijkste doodsoorzaak in Gambella. Maar al snel zei de arts in de kliniek dat het iets anders was: aids. Binnen twee jaar was ook mijn moeder gestorven."
Op haar veertiende kreeg Kuchaman haar eerste kind. Het dochtertje werd niet door haar echtgenoot verwekt, maar door een oudere man uit het dorp. "Dat is de normale praktijk onder de Anuak", vertelt Zenebe Ayele, een stafmedewerker van Hope Enterprises, de Ethiopische partnerorganisatie van Woord en Daad. "Voordat een Anuak-meisje trouwt, stelt men eerst vast of ze wel vruchtbaar is. Dat is heel belangrijk, omdat onvruchtbaarheid een grote schande is en kinderen hard nodig zijn om als arbeidskrachten in het gezin te dienen."
"Daarom hebben deze jonge vrouwen eerst geslachtsgemeenschap met een andere man", vervolgt de hulpverlener. "Zodra ze zwanger raken, kunnen ze in het huwelijk treden. Het kind dat uit dit buitenechtelijk contact wordt geboren, draagt overigens wel een naam die het onderscheidt van de kinderen uit het échte huwelijk."
Zodra haar dochter was geboren, trouwde Kuchaman met haar huidige echtgenoot, bij wie ze inmiddels twee zoontjes heeft gekregen. Vijftienhon derd birr (een kleine 500 gulden) moest hij voor haar neertellen als bruidsschat. Officieel mogen de Anuak-mannen meer dan één vrouw hebben, maar velen van hen kunnen dat niet eens betalen.
Drinken
Inmiddels is het halve dorp uitgelopen om naar de blanke bezoekers te kijken. Nieuwsgierig verdringen de vrouwen en kinderen zich tussen de grashutjes. Mannen zijn in geen velden of wegen te bekennen. "Mijn echtgenoot neemt een bad in de rivier", vertelt Kuchaman, terwijl ze verlegen naar de grond staart. "Meestal zit hij met familieleden langs de weg in het centrum te praten. Als we wat geld hebben, zet hij het op een drinken in het dorpshuis. Hij ziet niet anders bij de andere mannen."
Een jaar geleden was het Ethiopische meisje de wanhoop nabij. "We hadden hier met grote droogte te kampen. Er groeide bijna niets op het land en de rivier stond vrijwel droog, zodat we ook geen vis konden vangen. Soms moesten we dagenlang stroomafwaarts lopen om aan voedsel te komen. Gemiddeld aten we maar drie keer in de week."
"Een aantal van mijn nichten en vriendinnen besloot in de prostitutie te gaan", vervolgt de Anuak-vrouw. "Het verdiende best goed en ze probeerden mij ertoe over te halen hun voorbeeld te volgen. Maar ik had het schrikbeeld van mijn moeder voor ogen. Bovendien kwam ik in contact met mensen van Hope Enterprises die me over de Bijbel vertelden en me voorhielden dat God prostitutie verbiedt en dat het uiteindelijk een heilloze weg is die je waardigheid en je lichaam vernietigt."
Hope Enterprises ontfermde zich vervolgens over de broer en zus van Kuchaman. De hulpverleners zorgen voor schoolgeld, kleding en eten voor het tweetal. Binnenkort start de organisatie ook maaltijdendistributie aan hulpbehoevende gezinnen.
Schepper danken
Niet dat Kuchaman Okonj het nu gemakkelijk heeft. Nog steeds moet ze dagelijks een harde strijd om het bestaan voeren. Enkele maanden geleden werd bij haar de ziekte tbc ontdekt. "Toen was er niemand die voor eten kon zorgen. Mijn man dreigde me zelfs te verlaten omdat ik mijn gezin niet meer kon onderhouden. Inmiddels ben ik bijna helemaal hersteld. Ik dank God elke dag dat ik nog in leven ben."
De laatste stralen van de tropische zon verlichten het gezicht van Kuchaman en zetten de eenvoudige grashutjes in een gouden gloed. De eerste muskieten maken zich op voor hun dagelijkse jacht op vers mensenbloed. De schemering valt over Gambella - een van de armste gebieden van Ethiopië, waar de criminaliteit hoogtij viert, het aids-virus zijn duizenden verslaat en de prostitutie welig tiert. Maar waar ook nog eenvoudige mensen wonen die hun Schepper dagelijks danken voor het leven dat Hij hun schenkt.
Nieuw leven in een spookstad
Drie jaar na het bloedige conflict tussen Ethiopië en Eritrea keren inwoners van het omstreden grensgebied mondjesmaat naar hun woonplaatsen terug. Wat ze daar aantreffen, stemt niet bepaald tot vrolijkheid. Maandenlange bombardementen en zware beschietingen hebben complete dorpen verwoest. En wat daarna nog overeind stond, is door terugtrekkende militairen met de grond gelijkgemaakt. Ondanks het trauma van de oorlog proberen de Ethiopiërs toch weer een nieuw bestaan op te bouwen.
Langzaam verheft de enorme helikopter zich van het hete asfalt. De klapperende rotor hijst het zware toestel met enige moeite de azuurblauwe lucht in. Fel schittert de Ethiopische zon op de hagelwitte romp. Een kort afscheidsrondje boven de VN-basis in de Noord-Ethiopische stad Adigrat en dan wendt de machine zijn neus naar het noorden, richting Eritrea.
De VN-helikopter is een van de weinige toestellen die nog tussen Ethiopië en Eritrea heen en weer mogen vliegen. Commerciële luchtvaart is sinds lange tijd niet meer mogelijk tussen de twee Oost-Afrikaanse landen. En de vliegtuigen die zich de afgelopen jaren boven het grensgebied vertoonden, hadden meestal heel andere bedoelingen dan passagiers vervoeren. Hun lading bestond uit bommen en raketten die niet alleen dood en verderf zaaiden onder de duizenden militairen die zich in eindeloze loopgraven hadden verschanst, maar ook onder honderden onschuldige burgers die niet eens wisten waarom die strijd eigenlijk werd gevoerd.
Ogenschijnlijk ging het om een ordinaire grensoorlog, een conflict om de zeggenschap over een paar lapjes woestijn waar zowel Ethiopië als Eritrea aanspraak op maakte. Achter de schermen schuilden echter veel oud zeer, politieke rivaliteit tussen de leiders van beide landen en -niet te vergeten- geweldige economische strubbelingen. Vooral de invoering van een eigen munteenheid door de Eritreeërs, waardoor de Ethiopische tegoeden in het buurland in één klap waardeloos werden, zette veel kwaad bloed in Addis Abeba.
Trauma
In 1998 ontaardden de fricties in een bloedige strijd. Het conflict is wel bestempeld als de Eerste Wereldoorlog van Afrika. In kronkelende loopgraven en achter kilometerslange borstweringen stonden tienduizenden soldaten elkaar twee jaar lang naar het leven. Hoeveel slachtoffers er precies zijn gevallen, is niet bekend. Zeker is wel dat het aantal doden de 100.000 overschrijdt. Om nog maar niet te spreken van de talloze oorlogsinvaliden die in elke Ethiopische plaats de straten bevolken. Het trauma van de oorlog heeft diep in de samenleving van het Afrikaanse land ingegrepen.
Halverwege vorig jaar kwamen de strijdende partijen eindelijk een bestand overeen in de Algerijnse hoofdstad Algiers. De overeenkomst voorzag onder andere in de stationering van de VN-vredesmacht Unmee in het grensgebied tussen de twee landen. In een enorm stuk niemandsland van 25 kilometer breed en honderden kilometers lang, de zogenaamde Tijdelijke Veiligheidszone (TSZ), patrouilleren dagelijks honderden blauwhelmen om de kemphanen uit elkaar te houden.
Tot de zomer van dit jaar fungeerden onder anderen Nederlandse mariniers als internationale politieagenten in de TSZ. Vanuit bases in Eritrea en Ethiopië zagen de zeesoldaten toe op de naleving van het vredesakkoord. Inmiddels zijn de Nederlanders afgelost. In het kamp in Adigrat heeft een bataljon Indische soldaten -Indbatt- de plaats ingenomen van Nedbatt.
De VN-basis ligt ruim buiten het stadje. Voor het lokale 'openbaar vervoer', dat hier uit paard en wagens bestaat, is de aanwezigheid van het kamp een mooie bron van inkomsten. Dagelijks vervoeren de Ethiopiërs tientallen VN'ers naar hun werkplek. Hijgend en zwetend sleuren de paarden hun veel te zware vrachten de heuvel op waarop de blauwhelmen hun tenten hebben opgeslagen.
Profijt
"De Nederlanders hebben hier hun sporen duidelijk achtergelaten", zegt majoor M. Shekatkar, ondercommandant van Indbatt, terwijl hij wijst op bordjes met Nederlandse teksten en materiaal dat de mariniers aan hun Indische collega's hebben overgedaan. "Met de plaatselijke bevolking hadden ze een goede relatie opgebouwd. Daar hebben wij nu veel profijt van."
Het kamp van de Indiërs is van alle gemakken voorzien. Keurig ingerichte verblijven voor de manschappen, gebedsruimtes voor de verschillende godsdiensten die de soldaten belijden en een winkel vol Indische producten. In het compleet uitgeruste veldhospitaal kunnen zelfs kleine operaties worden uitgevoerd, zowel voor de militairen zelf als voor de lokale bevolking die dagelijks op het spreekuur van de dokter, een sikh, kan komen. Een lange rij witte terreinvoertuigen, met in grote zwarte letters UN op portieren en motorkap, staat de blauwhelmen ter beschikking.
Op de Ethiopische wegen begin je zonder deugdelijke landrover of gepantserde jeep heel weinig. En zelfs in een stoere 4x4 is een reis naar de veiligheidszone bepaald geen pretje. Kapitein Pranav Kumar, lid van een Indische antiterreureenheid, scheurt langs gapende afgronden en jakkert door enorme kuilen en gaten in het wegdek. De officier heeft tegen islamitische terroristen in Kasjmir gevochten en beschouwt deze halsbrekende rit kennelijk als niet meer dan een slaapverwekkend tijdverdrijf.
Via de radio houdt Kumar voortdurend contact met de basis in Adigrat en met de vooruitgeschoven post in de veiligheidszone. Niet alleen rondzwervende militieleden kunnen voor onaangename verrassingen zorgen; ook een lekke band kan je in deze streek een heleboel ellende opleveren.
Lelijke barsten
Gaandeweg wordt het terrein steeds woester. Groepjes spelende kinderen maken plaats voor een enkele herder die zijn kudde langs de steile bergweggetjes voert. Het panorama is adembenemend. Witte stapelwolken werpen hun grillige schaduwen over groene valleien die door machtige rode rotspartijen worden omgeven.
Af en toe wordt die schoonheid echter ruw onderbroken. Als lelijke barsten in een Chinese vaas slingeren loopgraven en borstweringen zich door het prachtige landschap. Anderhalf jaar geleden lagen hier nog duizenden soldaten over hun geweerlopen naar Eritrea te turen. "Dit was de laatste verdedigingslinie van de Ethiopiërs", wijst kapitein Kumar. "Alles wat tussen dit front en Eritrea ligt, is tijdens de oorlog vernietigd."
De schade is overweldigend. In Zalambessa, een plaatsje aan de rand van de veiligheidszone, is letterlijk geen enkel huis meer intact. Veel woningen zijn vernield door beschietingen en bombardementen. Maar een groot aantal huizen is ook door terugtrekkende Ethiopische militairen opgeblazen. "Toen tijdens vredesbesprekingen bleek dat Zalambessa mogelijk aan Eritrea zou worden gegeven, hebben de Ethiopiërs alles met de grond gelijkgemaakt, zodat de Eritreeërs geen plezier van het stadje zouden hebben", legt de Indische officier uit.
Momenteel buigt een speciaal ingestelde commissie zich over de definitieve demarcatie van de grenslijn tussen de twee landen. Aan welke kant Zalambessa straks zal liggen, is nog altijd niet duidelijk. De Ethiopiërs hebben de uitkomst echter niet afgewacht. Ondanks de verwoestingen keren steeds meer gevluchte inwoners van het stadje naar hun woonplaats terug. Met man en macht proberen ze van Zalambessa weer een bewoonbaar oord te maken. Met plastic en golfplaten worden de weggeblazen daken gerepareerd. Enkele avontuurlijke handelaren proberen op straat hun waren te slijten. Nieuw leven in een spookstad.
Mijnen
Heel anders is het in het ándere Zalambessa, aan de Eritrese kant van de grens. Officieel heb je een visum nodig om de wachtpost te passeren, maar in ruil voor een paar pakken appelsap zijn de Eritrese militieleden wel bereid een oogje dicht te knijpen en willen ze zelfs als gids fungeren. Een klein beetje vertier in hun eentonige bestaan: de hele dag zitten ze in de trillende hitte naar kilometers leeg gebied te staren. In ganzenmars -want het gebied is nog niet vrij van mijnen- tonen ze de totaal verwoeste plaats. Het Eritrese Zalambessa biedt een desolate aanblik: tientallen verlaten huizen zonder daken en overwoekerde straten. De stilte is oorverdovend; de leegte benauwend.
In tegenstelling tot het Ethiopische Zalambessa, dat net buiten de veiligheidszone ligt, is de kans groot dat het Eritrese Zalambessa voorlopig niet meer zal worden bewoond. De spanningen tussen Ethiopië en Eritrea zijn de afgelopen maanden opnieuw behoorlijk opgelopen. Commandanten van de VN-vredesmacht houden dan ook ernstig rekening met de mogelijkheid dat Unmee wordt omgevormd tot een permanente toezichthoudende eenheid om te voorkomen dat beide landen elkaar opnieuw in de haren vliegen. "Alles is beter dan een nieuwe oorlog", verzucht een oude Ethiopiër in Adigrat.
Jeruzalem in Ethiopië
Op slechts enkele honderden meters afstand van elkaar liggen de Olijfberg, Golgotha en de berg Tabor. Te voet van Gethsémané naar Bethlehem kost maar een paar minuten. Tussen de bijbelse plaatsen stroomt de rivier de Jordaan, in werkelijkheid een gekanaliseerde waterloop die voor een deel droogstaat. Ethiopië heeft zijn eigen Jeruzalem, uitgehakt in de keiharde rotsen van het woeste Lastagebergte en met een eervolle vermelding op de Werelderfgoedlijst.
De tocht is lang, stoffig en heet. Een kronkelige bergweg voert dwars door de ruige toppen van het Noord-Ethiopische bergland. Aan weerszijden gapen diepe afgronden. Af en toe passeert een eenzame herder met zijn kudde, op zoek naar voedsel dat ruim voorhanden is op de groene hellingen. Op krap 2700 meter hoogte doemt Lalibella op - Afrikaanse Middeleeuwen in de 21e eeuw. De aankomst in het stadje geeft een gevoel als van een vermoeide pelgrim die het einde van zijn reis heeft bereikt.
Een bedevaartsoord is dan ook precies wat Lalibella de afgelopen 800 jaar is geweest. Tijdens de dertiende eeuw regeerde koning Lalibella, een van de vorsten in de Zagwe-dynastie. De Ethiopische overlevering wil dat de heerser tijdens een bezoek aan Jeruzalem zó onder de indruk raakte van de bijbelse plaatsen dat hij besloot een eigen heilige stad in Ethiopië te bouwen. De constructie van een Afrikaans Jeruzalem zou de Ethiopiërs in staat stellen in eigen land op bedevaart te gaan, in plaats van de lange en gevaarlijke tocht naar Palestina te maken.
Naar schatting 40.000 werklieden kregen de opdracht het ambitieuze plan van de koning uit te voeren. Allereerst gingen zij op zoek naar een plek die de omgeving van het echte Jeruzalem het best benaderde. Met enige fantasie kunnen in het huidige Lalibella inderdaad de contouren van het Judese landschap worden ontdekt. De heuvels rond het stadje kregen van de vorst namen zoals Olijfberg, Calvarie en Berg der Verheerlijking. Het smalle stroompje dat de rotsen doorklieft gaat sinds de dertiende eeuw als de rivier de Jordaan door het leven. En tussen de bijbelse herkenningspunten slingert zich een ingewikkeld stelsel van kerken en gangen die in het vulkanisch gesteente zijn uitgehakt.
Keurig verscholen
Koning Lalibella wilde de gebedshuizen niet zo maar een plaats in het landschap geven en als gewone gebouwen construeren. De kerken moesten tegen een eventuele inval van oprukkende noordelijke moslimlegers bestand zijn. Daarom werden alle bouwwerken in de keiharde rotsbodem uitgehakt en liggen ze keurig verscholen in de plooien van het Lastagebergte. Als je niet weet dat ze er zijn, loop je waarschijnlijk zo aan ze voorbij. Hoewel de islamitische veroveraars Lalibella nooit bereikten, zouden ze ontzettend veel moeite hebben moeten doen om het project van de christelijke vorst te verwoesten.
Om een kerk te maken, zetten de werklieden eerst een vierkant gebied af op de rotsgrond. Vervolgens hakten zij geulen, soms tot wel 20, 30 meter diep. Daar daalden zij dan in af om de kerk in het vrijgekomen middelste blok gesteente uit te hakken. Alles bij elkaar construeerden de Ethiopiërs elf ondergrondse gebedshuizen die door tunnels met elkaar werden verbonden.
Gezien de enorme hoeveelheid werk die de constructie van de rotskerken met zich mee moet hebben gebracht, lijkt het onwaarschijnlijk dat het plan van koning Lalibella tijdens diens regeerperiode is voltooid. Met enige westerse vooringenomenheid hebben internationale wetenschappers lange tijd volgehouden dat een dergelijk omvangrijk en kunstig project "nooit iets Afrikaans kan zijn geweest." De bouwwerken in en rond Lalibella vertonen echter duidelijk kenmerken die uit de periode van het oude Axumitische rijk stammen en dus wel degelijk een Ethiopische oorsprong hebben. De legende houdt het erop dat de engelen 's nachts aan de kerken hebben meegebouwd.
Piepklein VVV-kantoor
Eeuwen na de dood van zijn roemruchte koning is Lalibella nog onveranderd. Tot voor kort was er nergens elektriciteit. Banken, benzinestations en apotheken zoek je er tevergeefs. Hoewel de plaats al enige tijd op de Werelderfgoedlijst van de Verenigde Naties staat, is er pas sinds drie jaar een piepklein VVV-kantoor. Anno 2002 verloopt het leven van alledag nog net zo als 800 jaar geleden. Door de schemerige middeleeuwse tunnels en gangen schrijden hogepriesters in lange witte gewaden geruisloos voort. Uit verborgen grotten echoot het eentonige gezang van monniken. En in de koele diepten van de rotskerken hangt een doordringende geur van wierook en waskaarsen.
Of de unieke ondergrondse kerken van Lalibella nog een lang leven beschoren is, is maar de vraag. De uitgehakte gebedshuizen zijn weliswaar nooit door vijandelijke legers verwoest, maar lijken nu de strijd met de natuur en de tand des tijds te gaan verliezen. Door scheuren in de rotswand dreigen delen van de gebouwen in te storten. Vocht en verzakkingen hebben eveneens hun tol geëist. Veel van de zeldzame muurschilderingen zijn zwaar beschadigd.
"Als het zo doorgaat, hebben de kerken hun langste tijd gehad", zegt hogepriester Kassa Engdaw somber. Met een grote houten sleutel opent de geestelijke de zware poorten van Bet Golgotha - het huis van Golgotha, een van de elf rotskerken. Een vuile tl-lamp werpt grillige schaduwen over het donkere interieur van het gebedshuis. Alleen mannen mogen de kerk betreden. Vrouwen en schoenen blijven buiten de deur - trouw bewaakt door een legertje Ethiopische kinderen.
Donkere zonnebril
Abba Engdaw is nog geen vijftig jaar oud, maar ziet eruit als een hoogbejaarde grijsaard. Gebogen sjokt hij het eeuwenoude bedehuis binnen, zwaar leunend op zijn priesterlijke staf. Een donkere zonnebril moet zijn ogen tegen het felle flitslicht van de camera's beschermen. Dag in, dag uit vertoeft hij in de donkere krochten van Bet Golgotha. Hij bewaakt de schatten van de kerk, begeleidt gelovigen die komen bidden en geeft tekst en uitleg aan het handjevol toeristen dat Lalibella bezoekt.
Vol trots toont de hogepriester een gouden gebedskruis van maar liefst 7 kilo zwaar dat aan koning Lalibella zou hebben toebehoord. In 1997 hadden lieden met minder goede bedoelingen belangstelling voor het kruis en stalen het uit de kerk. Via een antiekhandelaar kwam het in België terecht, waar oplettende douanebeambten het kunstvoorwerp onderschepten. De Ethiopische overheid kocht haar nationale symbool weer terug en sinds 1999 prijkt het kruis weer in Lalibella.
"Voor het kruis van Lalibella moest de regering in Addis Abeba 25.000 dollar betalen, de prijs die de kunsthandelaar ervoor had gegeven. Maar restauratie van de kerken is een ander verhaal. De autoriteiten hebben simpelweg geen geld om de rotskerken van de ondergang te redden", legt de geestelijke uit. "En er moet snel iets worden gedaan, want sommige delen van de gebouwen zijn al te gevaarlijk om te betreden omdat de muren op het punt staan het te begeven. We zouden veel meer inkomsten uit toerisme kunnen hebben als de infrastructuur drastisch zou worden verbeterd. Lalibella ligt veel te geïsoleerd om zich tot een échte attractie te ontwikkelen. Bovendien is door de recente oorlog met Eritrea het bezoekersaantal op een absoluut dieptepunt beland."
Glimmende dakbedekking
Internationale organisaties en wetenschappers maken zich al langere tijd zorgen om het lot van de ondergrondse kerken en hebben diverse initiatieven genomen om het Ethiopische 'Petra' te conserveren. Een paar jaar geleden hebben enkele van de zwaarst getroffen kerken een dak van golfplaten gekregen om de dodelijke inwerking van doorsijpelend vocht in het gesteente tegen te gaan. De glimmende dakbedekking vormt een schril contrast met de eeuwenoude gebouwen. Om die reden is met financiële steun van de Europese Unie een competitie georganiseerd om historisch verantwoorde daken te ontwerpen die net zo veel bescherming tegen vocht bieden.
Ook de Verenigde Naties doen hun best de ondergrondse bedehuizen voor de ondergang te behoeden. De elf rotskerken staan op de Werelderfgoedlijst en krijgen daarom speciale aandacht van Unesco, de culturele organisatie van de VN. Unesco heeft onder andere een omvangrijk migratieproject voor de inwoners van Lalibella op stapel staan. Mensen die in de buurt van de rotskerken wonen, moeten naar andere delen van de plaats verhuizen. Zo kunnen deskundigen waterkeringen bouwen om verdere schade aan de objecten te voorkomen.
De bevolking van Lalibella staat bepaald niet te juichen bij de VN-voorstellen. Hoewel de nieuwe huizen die Unesco hun aanbiedt van steen zijn en vele malen beter dan hun huidige grashutjes, gaan de dorpsbewoners veel liever niet weg uit hun vertrouwde omgeving. De meeste van de VN-woningen staan dan ook leeg en verlaten.
De verhuisplannen van de Verenigde Naties deren de Olijfberg en Golgotha hoegenaamd niet. Als rotsvaste wachters kijken zij uit over de rivier de Jordaan, die traag haar weg door Lalibella zoekt. In het verdwijnend contrast van de late schemering lijken Bethlehem en Gethsémané in elkaar over te vloeien. Langzaam gaat de zon onder over het Ethiopische Jeruzalem.
RD-actie Ethiopië levert 310.000 euro op
De najaarsactie van het RD voor beroepsonderwijs in Ethiopië heeft 310.000 euro opgebracht. Ds. M. A. van den Berg, voorzitter van de Stichting Woord en Daad, ontving het bedrag gistermiddag in het kantoor van het RD symbolisch uit handen van J. L. van den Heuvel, president van de raad van bestuur van de Erdee-holding. Directeur ing. J. Koetsier: "Actie voeren zit ons in het bloed. Vreedzaam. Meer nog: met het oog op vrede."
De leerlingen die het beroepsonderwijs gaan volgen, komen uit de Anuak en de Nuer, twee Ethiopische stammen. Zij leven in en rond de stad Gambella, tamelijk dicht bij de grens met Sudan. De opbrengst van de najaarsactie dient om een fors schoolgebouw te laten verrijzen. Het geld zal mede worden aangewend om het onderwijsinstituut in te richten met gereedschap en machines. Mensen moeten niet alleen leren lezen en schrijven. Het onderwijs moet hun ook werktuigen in handen geven om te leven. De kinderen kunnen door dit project bij het volwassen worden in hun eigen onderhoud voorzien.
Ondernemers uit de gereformeerde gezindte maakten het mogelijk advertenties te plaatsen om fondsen te werven. Lezers van de krant tastten in de buidel en brachten het geld bijeen.
Koetsier vertelde dat het de 28e keer is dat het RD een geldwervingsactie op touw zette voor projecten in oorlogsgebieden, voor plaatsen waar criminaliteit, drugsgebruik en prostitutie een vruchtbare voedingsbodem hebben en dergelijke.
Van den Heuvel verwees tijdens de bijeenkomst waarin hij de opbrengst van de actie bekendmaakte naar Dorcas. Zij was vol goede werken en aalmoezen. "Het grote geheim achter deze liefdevolle inspanningen was de genade Gods in de Heere Jezus Christus. Dorcas wilde uit liefde tot haar Zaligmaker Hem dienen en in Zijn kracht bezig zijn voor haar behoeftige naaste. Ze ervoer het als een voorrecht de voetstappen te mogen drukken van Hem van Wie wij lezen dat Hij de schare ziende met innerlijke ontferming bewogen was."