Donaties
Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.
Stort uw giften op:
giro: 29.70.700
of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)
ten name van
Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.
Cambodja 1999
Actie Cambodja 1999: Aan onze abonnees
Cambodja! Wie die naam hoort, denkt aan lijden. Aan oorlog, honger en dood. Wie kent niet de Rode Khmer? Onder Pol Pot en diens trawanten werden in slechts enkele jaren tussen de 1 en 2 miljoen burgers op beestachtige wijze vermoord. Het is inmiddels twintig jaar geleden dat dit schrikbewind werd verdreven, maar pas vorig jaar kwam een eind aan het gewelddadige verzet dat de Rode Khmer bleef bieden tegen de nieuwe regering. Samen met andere groepen voerde het in de jaren tachtig -vanuit zijn verzetshaarden in de jungle- een uitzichtloze burgeroorlog, die honderdduizenden mensen van huis verdreef. Er lijkt nu een kans op vrede. Een kwetsbare vrede, maar toch vrede. Met de kans te bouwen aan een nieuw, menswaardig bestaan voor de vele vluchtelingen. ZOA Vluchtelingenzorg probeert mee te bouwen. Om de vele duizenden ontheemden aan de Thaise grens weer een leefplaats te geven. Dit omvangrijke project omvat gezondheidszorg, landbouwhulp en onderwijs aan kinderen (wie kinderen leert lezen, kan hen vervolgens nader met Gods Woord in aanraking brengen). Verder is er veel aandacht voor psychosociale hulpverlening aan met name de talloze kinderen en weduwen. Het ene programmapunt staat niet los van het andere. Gezondheidszorg kan niet zonder goed water. Er mogen geen schakels in de hulpketen ontbreken. Alles haakt in elkaar. Het Reformatorisch Dagblad wil ZOA helpen bij dit omvangrijke hulpverleningsprogramma. Onze najaarsactie staat daarom in het teken van hulp aan Cambodja. Gezien de nood die er heerst in dit Aziatische land vragen wij uw meeleven en uw gift.
Rusteloos
Het is altijd weer slikken als je ermee geconfronteerd wordt. Met hopen schedels en beenderen die ergens op het Cambodjaanse platteland onder een afdakje bijeen zijn geveegd.
Onderzoekers hebben inmiddels tienduizend van zulke massagraven in kaart gebracht en hun schatting is dat het totaalaantal dubbel zoveel is. Dat zijn ruim één miljoen doden: slachtoffers van de Rode Khmer die in de jaren zeventig op gruwelijke wijze zijn vermoord. Tot voor kort werden al die skeletten op vaste plaatsen verzameld, als tastbare herinnering aan dit schrikbewind.
Maar er is wat veranderd in Cambodja. De Rode Khmer is aan verdeeldheid ten onder gegaan, de leiders hebben hun besmeurde handen gewassen en wensen enkel nog als eerzame vaders, moeders, buren of collega's rustig voort te leven. En de Cambodjaanse regering is het daar hartelijk mee eens.
Wie heeft er nog behoefte aan 'schedelmonumenten', die de herinnering aan de dood levend houden? De mate waarin ze nu worden verwaarloosd geeft eige nlijk al een antwoord. En dat doen ook al die anonieme telefoontjes waarin beheerders van graven wordt bevolen "die rommel" op te ruimen.
Nabestaanden hebben intussen zo hun eigen zorgen. De absurde manier waarop er met hun geliefden is omgesprongen druist in tegen de regels van het boeddhisme. Het gevolg is ontwrichting en rusteloosheid, daar waar -volgens deze godsdienst- de doden voortleven: de wereld der geesten. Beheerders van massagraven zeggen het te merken: ze horen geklop en gestommel in en bij de gebouwtjes. Boeddhistische monniken moeten eraan te pas komen om met hun monotoon geprevel de geesten "tot rust" te brengen.
Maar wie brengt de lévenden tot rust? Wie heeft bijvoorbeeld oog voor de nabestaanden die worden opgejaagd door dit heidens geloof? Gelukkig maar dat er ook in Cambodja zendelingen zijn, die Jezus' Woord verkondigen: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u... rúst geven.
Koy's taxidienst
's Ochtends om zeven uur staat hij al klaar met zijn trekkar: de 11-jarige Koy uit Poipet, een stadje in de noordwestelijke hoek van Cambodja. Op dat tijdstip gaat de grensovergang tussen Cambodja en Thailand open en begint de werkdag van Koy, zijn ouders en twee zusjes. Zakken rijst versjouwen, emmers dragen, of, zoals Koy doet, een 'taxidienst' onderhouden.
Vele honderden Cambodjanen pendelen dagelijks, tussen zeven en vijf uur -wanneer de grens weer dichtgaat-, van Cambodja naar Thailand om zich daar op de plaatselijke markt te verhuren als dagloner aan marktkooplui of bezoekers. Als vliegen op een kadaver zijn deze landloze armen in Poipet neergestreken om een graantje mee te pikken van de weelde die zich aan de andere kant van de slagboom heeft uitgestald. Maar om als gezin ervan te kunnen leven moet iedereen meedoen, helpen dragen en sjouwen. Van zeven tot vijf. Dag in dag uit.
Koy's jongere zusje kwam ik die dag ook tegen, met een zak houtskool op haar schouder. Tien meter lopen, zak op de grond, even uitrusten, en weer tien, twintig meter verder, opnieuw zak op de grond, en zo verder.
En dat gebeurt allemaal onder het strenge toezicht van Thaise douaneambtenaren. Mannen in uniform en met norse gezichten. Nauwlettend houden ze de voortsjokkende menigte in de gaten, want voor je het weet glipt zo'n dekselse knaap zonder toestemming en -nog erger- zonder betaling de grens over. Gelijk heeft 'ie, die douaneman. Zoals Thai altíjd gelijk hebben. Dat zíj jarenlang Cambodja hebben leeggeplunderd en -geroofd, vergeten we voor het gemak maar even... Dat is immers verleden en voorbij.
Wij RD-lezers denken intussen aan de toekomst. Met onze actie gaan we Koy, zijn ouders en zusjes een huisje geven, met een stuk land erbij, en een school in de buurt. Pendelen tussen school en thuis is voor kinderen van die leeftijd immers veel gezonder.
Weer 'n been om op te staan
Uit hoeveel been bestaat een mensen leven? Vraag het de 37-jarige Lon Sokha, die met zijn vrouw en vijf kinderen ergens in het noordwesten van Cambodja woont. Tijdens de burgeroorlog is in dit grensgebied hevig gevochten. En zijn over en weer onzichtbare vestingen van duizenden landmijnen gebouwd. Nu de kanonnen zwijgen, worden die geleidelijk weer afgebroken. En hoe! Regelmatig klinken de doffe dreunen van ontploffende mijnen als laatste herinnering aan de oorlog. Maar dit keer zij het geen soldaten, maar burgers die daarvan het slachtoffer worden. Deze verlaten uithoek is zelfs goed voor 70 procent van alle mijnongelukken die jaarlijks in Cambodja plaatsvinden.
Lon was soldaat toen hij op een mijn stapte en zijn onderbeen verloor. Van een jonge vent met allures degradeerde hij tot een afgedankt stukje hulpeloosheid. Die zijn vrouw en kinderen eropuit moest sturen om voedsel bijeen te sprokkelen. Nooit had hij er bij stilgestaan dat zijn leven zo van benen afhankelijk was.
Een prothese bracht ten langen leste uitkomst. In eerste instantie leek het hem maar niks en mopperend strompelde Lon acher zijn kunstbeen aan. Maar na verloop van tijd ging het lopen beter en werden de rollen weer omgedraaid. Lon trekt er alweer op uit om de kost te verdienen met vissen. Zijn stek is vier à vijf kilometer lopen door het bos, maar daar neemt hij de tijd voor.
Is hij hier soms de enige geamputeerde? Je zou het bijna geloven, want veel anderen dan Lon zag ik niet. De realiteit is helaas anders. Lon kon immers dankzij de prothese weer tevoorschijn komen. Maar achter hem, diep het veld in, wachten de vele 'onzichtbaren'. Verminkte mannen en vrouwen die tussen de poten van hun paalhuisje zitten te verpauperen. Stilletjes hopend op dat ene moment. Dat iemand hen bij de arm neemt en zegt: Kom, het wordt ook voor jóú tijd om weer te gaan lopen.
Hulpverlening
Wie de jaarlijkse actie voor het Reformatorisch Dagblad probeert op poten te zetten -ieder kan weten dat Cambodja dit jaar aan de orde is-, wordt wereldreiziger. Bewust van mijn waardigheid loop ik rond. Op de ene plek schep ik rijst en vlees in het blikken bordje van een oude vrouw. Elders onthul ik een gedenksteen met namen van goedgeefse Nederlanders. Wat Israël betreft: natuurlijk met een oudtestamentische, Messiaanse bijbeltekst erop. Als dank hangen de buitenlandse vrienden -natuurlijk, dat kan immers niet anders?- mij in sommige landen grote welriekende bloemenslingers om de nek. Op een andere locatie zingen schoolkinderen een schitterend lied bij de aankomst der beminde vreemdeling. Of zij vormen een erehaag. Ik schrijd vriendelijk glimlachend, af en toe de hand opheffend voor een vrolijke groet tussen de rijen door. Ondertussen rijst in mijn binnenste de gedachte aan een zot die zich gedraagt als koning.
Om mij heen heffen, schuchter en schuw, medereizigers naar dezelfde, allesbeslissende eeuwigheid als ik -wij zullen straks allemaal voor dezelfde rechterstoel verschijnen- hun gezicht op naar die milde, blanke West-Europeaan. Voor hen ben ik de belichaming van alle Hollandse, gulle gevers. Wat weten zij van mijn hebberig karakter? Blijmoedig wijs ik inmiddels, alle loftuitingen in ontvangst nemend, omhoog. Om te vertellen dat de mensen vooral mij niet moeten bedanken, maar God moeten erkennen en prijzen. "Let erop, het gaat om Zijn zegen." Mooi toch? Ik ben vroom! Wie durft daaraan twijfelen?
De binnenlandse boss vermaant ergens in India de omstanders op de hurken te gaan zitten. Om enkele toespraken aan te horen. Ik ben niet direct aan de beurt om te praten. Waarom zou ik ook niet door de knieën zakken? Ik krijg de kans maar nauwelijks. De status van weldoener schijnt een stoel te eisen. Met spoed haalt een van de Indiërs het zitmeubel. Ik heb hem vriendelijk bedankt en ben vervolgens, zo lang ik het uit kon houden, ook op m'n hurken gaan zitten. Omdat ik niet van zulk onderscheid houd.
Misschien wisten ze wel dat geen enkele westerling zo'n gehurkte zit lang uithoudt. Wellicht haalden ze daarom een zetel. Niet als eerbetoon. Maar in erkenning van de zwakte van een blanke. Dat is sympathiek. Misschien moet ik onaandoenlijk alle poespas zonder protest aanvaarden. Wellicht til ik te zwaar aan alle eerbetoon. Maar toch...
Kolonialisme
Dingen als hierboven omschreven, gebeuren. In het Zuid-Amerikaanse Colombia. In het Aziatische Cambodja. Op Cuba. Vooral in de derde wereld. Hebben de daar levende mensen geen hulp nodig? Vast en zeker. Wie zich de beelden in herinnering roept van de schade aan mens en materie door de laatste vloedgolven en overstromingen in India zal de noodzaak van bijstand erkennen. Daar komt nog iets bij. Niemand mag de hier of daar bijeengebrachte gelden of hulpgoederen over de balk of in een bodemloze put smijten. Iedere hulpverlener is verantwoordelijk voor verantwoorde besteding van zijn gaven.
Ik zit ondertussen in een dilemma. Wie ben ik nou zelf in dat hele proces? Enerzijds kan een sponsor er niet omheen: hij moet naar buiten treden. Maar in alle blije contacten waar mensen hun dankbaarheid willen tonen, hoor ik tegelijk ergens in mijn achterhoofd een zachte fluisterstem. Geveinsden "plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden."
Met het oog daarop zeg ik later tegen een West-Europese reisgenoot in de auto op een van de hobbelige, vrijwel asfaltloze 'highways' in de derde wereld, dat het kolonialisme hier nog lang niet is afgeschaft. Kolonialisme dat gepaard gaat met nederig opzien tot de toean, de heer die zichtbaar boven inlanders staat en hen desnoods vernederend kan behandelen zonder dat zij in opstand komen. Hem, mijn medereiziger, hadden de Aziaten ergens op een kleine verhoging gezet. In z'n eentje. Terwijl honderden leerlingen in rijen van vier met hoog zwaaiende armen en hanenpas voorbij paradeerden. De luide schreeuw: "Attention!" van een leraar had tot gevolg dat de scholieren in de houding gingen staan. Het ene been bij het andere. Natuurlijk sloegen wij samen een beetje aan het relativeren. "Neen, dit is geen kolonialisme. Want met de economische belangen van ons vaderland heeft het allemaal niets te maken. Het kan hier niet anders. De zaak moet toch goed worden georganiseerd? Deze cultuur heeft nog echt behoefte aan leiders, mensen die de lakens uitdelen. Ander komt er niets voor elkaar. In West-Europa ligt dat allemaal heel anders."
Dat is allemaal waar. Maar toch...
Afbouwen?
Er is nog een andere probleem. Pronk liet, toen hij nog minister van Ontwikkelingssamenwerking was, ooit een paar kotters naar een arm Aziatisch land brengen. Dat was goed voor de visserij, zo dachten zijn ambtenaren. Maar het pakte averechts uit. Want een paar mensen ontvingen het voordeel en vele anderen bleken naar verloop van tijd nog armer dan voorheen. Er zijn tal van andere vormen van hulpverlening. Maar is iemand nog in staat die hulp af te bouwen?
Dat is immers een normale, gezonde manier van bezig zijn. Maak de geholpen mensen zelfstandig, zodat ze zich een eigen bestaan kunnen opbouwen. Het hele systeem van sponsoring van allerlei individuele projecten is prachtig. Maar letten wij er ook op dat wij mensen zo min mogelijk afhankelijk maken van die materiële bijstand? In welke mate draagt die bij aan de zelfstandigwording van een etnische groep of volk?
Blijf inmiddels wel geven. Ook voor Cambodja. De mensen hebben het nodig. Dat hun armoede mij tot nadenken stemt, is niet erg.
In de knop geknakt
Nederland heeft zijn tulpen, Cambodja de lotusbloem. Gelijk hebben ze. Want dit familielid van de waterlelies steekt met kop en schouders boven de andere bloemen uit. Met hun lange bloemstelen hoog boven het water lijkt het alsof ze nog dromen van de voorbije regentijd, met zijn hoge waterstand. Tenminste, als er geen jongens langs zijn gepeddeld die, drijvend op lege jerrycans, de planten een kopje kleiner hebben gemaakt. Dan is er grote kans dat de lotussteeltjes nu ronddrijven in de soep van een of andere hotelgast.
Maar laten we het over die jongens hebben. Hoeveel kinderen in Cambodja zouden graag óók zo rondspartelen! De 12-jarige Chan Nang bijvoorbeeld uit het Cambodjaanse stadje Poipet. Toen een alleraardigste mijnheer bij zijn moeder aanklopte met de vraag of hij hem mee mocht nemen, was haar besluit snel genomen. Want wat doe je als je straatarm bent en er een kinderhandelaar langskomt die je gouden bergen belooft? Dan ga je overstag.
Tussen de 5400 en 7200 Cambodjaanse kinderen worden jaarlijks door smokkelbendes gebruikt om in Thailand als bedelaar te werken. Een groot deel gaat bij Poipet de grens over.
Chan Nang kwam in de Thaise hoofdstad Bangkok terecht. Had hij na een 'werkdag' genoeg opgehaald dan kreeg hij een portie lijm, want, zo zeiden z'n bazen, lijmsnuiven helpt tegen de honger. Magere, hongerige kinderen halen op straat immers meer op. Sommige bendes laten zelfs de armen of benen van kinderen wegschrompelen, want gehandicapte kinderen zijn zielig en brengen extra geld in het laatje.
Met de RD-actie willen we arme gezinnen rond Poipet aan een beter inkomen helpen, zodat kinderen niet meer als koopwaar over de toonbank gaan. Voor Chan Nang is déze hulp te laat. Als een in de knop geknakt bloemetje hangt hij nu verslaafd rond op straat. Maar voor veel anderen geldt dat niet! Wie gunt hen niet een dagelijkse gang naar school en daarna -wie weet- lekker rondpeddelen tussen de waterlelies?
Terreur uit vaderlandse bodem
Wie vluchtelingen in Cambodja wil helpen kan niet om het ruimen van mijnen heen. Maar hoe doe je dat? In het dichtstbemijnde gebied van het land laten de mijnenruimers van HALO zien hoe ze voetje voor voetje de bodem weer "voor 100 procent" veilig maken.
Met een masker van kunststofglas voor en een kogelvrij vest om de schouders kon ik zó voor ME'er doorgaan. Toch was m'n taak die middag niet het uiteendrijven van hooligans in Amsterdam, maar het verslaan van een wandeltocht door een Cambodjaans mijnenveld. Bepantsering met masker en vest waren kennelijk niet voldoende, want een opsomming van strenge veiligheidsregels was het volgende programmapunt. Een instructeur van HALO-Trust, een Britse particuliere organisatie die is gespecialiseerd in het ruimen van mijnen, deed dat op een manier zoals alleen (ex-)militairen dat kunnen: kort en bondig, eentonig, en vooral: fun-da-men-teel. "Niet roken", klinkt het nors, "niet rennen, niets oppakken, niets weggooien, en mocht er een landmijn spontaan ontploffen: stil blijven staan en jezelf op verwondingen controleren. Nog vragen? Geen vragen? Dan gaan we."
Nog napeinzend over dat wonderlijke laatste advies stap ik even later achter de mannen van HALO aan, balancerend over een veilig smal paadje het mijnenveld in. Dit is de plek waar tientallen jaren zwaar is gevochten, en die nu geldt als het dichtstbemijnde gebied van Cambodja: de regio ten noorden van Samrong, in het uiterste noordwesten van het land. Dat het hier krioelt van de mijnen was me trouwens bij het binnenrijden van het gebied al duidelijk geworden. Overal tref je macaber ogende rode bordjes met een doodskop erop en de tekst "Gevaar, mijnen!". En, alsof het gezochte misdadigers betreft, zijn hier en daar op schuurtjes en hutjes posters opgeprikt met de afbeeldingen van twaalf typen mijnen. "Niet aanraken!! Gevaar, mijnen!" staat erboven.
Vluchtelingen
Niet-ontplofte mijnen krijgen alsnog kans hun dodelijke missie te volbrengen nu enige tienduizenden Cambodjaanse vluchtelingen sinds 1992 zijn teruggekeerd. De burgeroorlog in Cambodja is voorbij en deze straatarme mensen proberen in hun vaderland een nieuw bestaan te beginnen. Maar zonder het ruimen van de landmijnen is dat onmogelijk. Vandaar dat ZOA-vluchtelingenzorg haar werk onder de bevolking coördineert met de missie van HALO-Trust. Momenteel zijn er negen teams aan het werk in vier mijnenvelden - in totaal zo'n 63 man.
HALO is niet de grootste mijnenruimer in Cambodja. Die eer komt CMAC toe (de afkorting staat voor "Cambodian Mine Action Centre"). Deze semi-overheidsinstelling mag dan de grootste zijn, de betrouwbaarste organisatie is het zeker niet. Zo staat ze erom bekend terrein in opdracht van hoge militairen te schonen, die het vervolgens doorverkopen aan derden - handelaars, zakenlui of grondspeculanten. De verwachting is dat dit gebied -strategisch gelegen aan de grens met Thailand- een gouden toekomst tegemoet gaat als handelszone, en dus grote behoefte zal hebben aan opslagloodsen, bedrijfsruimtes, hotels, casino's enzovoorts. Vandaar dat begerige speculanten grote lappen grond voor zichzelf gereserveerd houden, terwijl arme Cambodjanen hun hutjes midden in mijnenvelden moeten neerzetten.
HALO-Trust kiest nadrukkelijk hún zijde en werkt daarom nauw samen met hulporganisaties als ZOA. De grond die zij schonen, is gereserveerd voor teruggekeerde vluchtelingen - daar is geen vette speculantenduim tussen te krijgen. In overleg met de bewoners wordt ook bepaald welke locaties voorrang krijgen bij het ruimen. Meestal zijn dat waterbronnen, zoals rivieroevers en waterputten, gevolgd door rijstvelden en landwegen.
Techniek
Maar hoe doe je dat? Hoe krijg je zo'n gebied weer mijnenvrij? Instructeur Tom McMullen (23) geeft vanachter zijn kunststofglazen masker uitleg. Op de grond naast hem zit een mijnenruimer op zijn knieën aarde met een borsteltje weg te vegen, alsof hij zojuist een porseleinen vaas uit de Ming-dynastie heeft opgediept. "Natuurlijk is het eerste wat we doen het in kaart brengen van de mijnen. Waar liggen ze? Met die vraag gaan we bij de autoriteiten in de dorpen langs, en ook bij (gedemobiliseerde) soldaten, want die hebben de mijnen vaak zelf gelegd."
Overigens zijn het niet alleen mijnen (antipersoonsmijnen of antitankmijnen) die worden opgespoord. Even gevaarlijk zijn de zogenaamde uxo's, "unexploded ordnance": niet geëxplodeerde granaten, raketten en bommen.
Om dat schonen te realiseren zonder achterlating van ook maar één mijn of uxo, introduceerde HALO enkele jaren geleden de zogenaamde OMOL-techniek: One Man One Lane. Daarbij struinen teams van elk twee man op een onderlinge afstand van zo'n 25 meter in een spoor (Lane) recht vooruit de bodem af.
McMullen laat het materiaal zien waarmee de speurders de grond te lijf gaan. Belangrijkste stuk gereedschap is natuurlijk de metaaldetector -het apparaat heeft qua vorm veel weg van onze elektrische graskantmaaiers- waarmee de bodem op metaaldeeltjes wordt afgezocht. Klinkt uit het apparaat een hardnekkig "bliep", dan wordt met omtrekkende bewegingen van de detector de exacte plek en omvang van het verborgen metaal afgebakend (dat net zo goed een stukje verroest ijzer kan zijn). Vervolgens wordt 20 centimeter vóór de 'blieplocatie' de grond voorzichtig weggegraven. Mijnen liggen doorgaans maximaal 5 centimeter onder de grond. Doel is een klein stukje van de (ongevaarlijke) onderkant van de mijn bloot te leggen waaraan experts kunnen zien met welk type men van doen heeft. Zodra dat bekend is, wordt het ding direct opgeblazen, meestal door er zo'n 200 gram explosieven tegen aan te leggen.
Landbouwtrekker
Alles lijkt zo simpel, maar de elfdelige gereedschapsset geeft wel aan dat de praktijk weerbarstig kan zijn. Tot de materialen waarover de ruimers beschikken behoren de overbekende prikker, diverse borstels en krabbers, maar ook een simpele heggenschaar waarmee de vegetatie wordt verwijderd. Struikgewas behoorde tot enkele jaren terug nog tot de grootste tijdrover van HALO, maar met de komst van de "brushcutter" -een veredelde landbouwtrekker- is dat verleden tijd. In plaats van de gebruikelijke 7 vierkante meter per dag is men dankzij deze machine in staat dagelijks 15 vierkante meter te schonen.
Lopend door het mijnenveld hoor ik plots een fel fluitje. "Tijd voor een pauze, je masker mag af", zegt McMullen. "Dit werk vraagt uiterste concentratie en is daarom ontzettend zwaar, ook vanwege de hoge temperatuur waaronder gewerkt wordt" (het is onder een stralende zon ruim 30 graden). De mannen werken met tussenpozen van 15 minuten pauze telkens een halfuur achtereen. Langer doorgaan zou de kans op fouten alleen maar groter maken. Het moet tóch al een hele klus zijn om van zeven tot drie -de dagelijkse tijd waarop wordt gewerkt- je hoofd erbij te houden.
HALO hanteert verder een nogal verfijnd systeem van markeringen, waaraan een leek geen touw kan vastknopen: terreinen of stukjes grond kunnen worden gemarkeerd met lange blauwe, witte, rode of zwarte palen, of met kleine rode, roodgele, groene of gele paaltjes, en elk heeft weer een andere boodschap: veilig, onveilig, met metaal vervuild, uxo's aanwezig, enzovoorts.
Ledematen
Een bezoek aan de nationale school voor het fabriceren en toepassen van prothesen, in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom-Penh, geeft zicht op de werkelijke stand van zaken rond mijnen en de slachtoffers die ze maken. Overigens is het binnenstappen van de school een vreemde ervaring: menselijke 'ledematen' hangen er in alle maten aan de muur, of staan achteloos in een hoek. De mens lijkt hier teruggebracht tot een mechanisch werkend apparaat waaraan alles draait en scharniert. En de telefoniste-receptioniste achter de balie zit, jawel, in een rolstoel.
Carson Harte, directeur van de school, tikt driftig op zijn laptop wanneer ik zijn kantoortje binnenstap. Harte werkte zes jaar voor The Cambodia Trust, een kleine Britse organisatie die mijnslachtoffers te hulp komt. Het is één van de ruim zestig (!) organisaties die in Cambodja werkzaam zijn ten behoeve van gehandicapte Cambodjanen (onder wie mijnslachtoffers), ieder met een eigen werkgebied.
"Het aantal nieuwe geamputeerden als gevolg van landmijnen neemt ieder jaar af", zegt Harte. "Wij westerlingen denken altijd dat het vooral de arme boer op het platteland was die op een mijn stapte, maar dat is niet zo. Voormalige soldaten zijn goed voor 75 procent van de geregistreerde geamputeerden. Vandaar dat, nu de oorlog voorbij is, het aantal geamputeerden drastisch terugloopt." Harte pakt enkele statistieken van Handicap International erbij en leest voor: "In 1997 waren er in Cambodja nog 1558 slachtoffers, tot eind augustus van dit jaar is dat met ruim de helft teruggelopen, 757." Vorig jaar werden landmijnslachtoffers qua aantal zelfs ingehaald door verkeersslachtoffers, voegt hij eraan toe. "Dat is dus de trend. We moeten een internationale campagne beginnen om Toyota's buiten de deur te houden, ha, ha."
Kinderen
Wél is het zo dat van die 757 slachtoffers in '99 86,5 procent burger was (militairen: 13 procent). Het aantal slachtoffers dat levenslang gehandica pt raakte, bedroeg 33 procent, en ruim 20 procent overleed aan opgelopen verwondingen; 46 procent raakte niet levensgevaarlijk gewond. Verder is het van belang te beseffen dat het merendeel van deze ongelukken in een uiterst beperkt gebied plaatsvond: de noordwestelijke hoek van het land. Het totale aantal geamputeerden (als gevolg van mijnexplosies) in Cambodja wordt op zo'n 40.000 geschat.
Onder de dodelijke slachtoffers zijn relatief veel kinderen, weet Harte. "Voor hen maken we weinig prothesen. Dat ze voortijdig aan hun verwondingen sterven is begrijpelijk als je bedenkt dat halvering van de afstand altijd verdubbeling van de (explosie)kracht inhoudt. De vitale organen van een kind zitten nu eenmaal dichter bij de grond dan bij een volwassene."
De CSPO-directeur zou graag zien dat in de toekomst niet landmijnen, maar een ziekte als polio meer aandacht krijgt. Sinds 1992 ligt er zo veel nadruk op landmijnslachtoffers dat andere lichamelijk gehandicapten (geschat op rond de 50.000) zijn verwaarloosd, vindt hij. "En dat terwijl er onder gehandicapten waarschijnlijk meer polioslachtoffers zitten dan mijnslachtoffers. Zeker voor kinderen in Cambodja is polio de grootste bedreiging."
Zorgen maakt Harte zich over de vraag hoe al die invaliden zijn te bereiken. "Mensen met een handicap komen niet gauw naar een prothesecentrum, vooral niet omdat het hun een fortuin kost. Stel je eens voor: je bent een arm rijstboertje met maar één been, en je woont tussen de 60 en 100 kilometer van zo'n centrum, dan kost het je twee maanden aan inkomen om daar te komen." Harte hoopt daar wat aan te doen, onder meer door de komende twaalf jaar zestig prothesespecialisten op te leiden die verspreid over heel het land aan de slag gaan.
Rand van samenleving
Toch is met een prothese niet alles gezegd, want uiteindelijk bepaalt de gemeenschap of een gehandicapte een normaal leven mag leiden of niet. "Daar hebben we veel te weinig oog voor gehad", zegt Harte. "De Cambodjanen zien mensen met een handicap als "ongelukkigen" met een slecht karma (straf op een zondig leven in een vorig bestaan, volgens het boeddhistisch geloof, AJ). Ze hebben de neiging hen naar de rand van de samenleving te verdrijven." Hij hoopt met "simpele vragen aan dorpsoudsten" iets daarin te kunnen veranderen. Door op dorpsvergaderingen te vragen of ook de mening van gehandicapten kan worden gehoord. "Waarom zou je hen niet de verantwoordelijkheid voor het beheer van de dorpskas toevertrouwen? Je haalt hen op die manier uit het isolement, en verhoogt er hun status mee."
Vuile was
Het wordt wel eens gezegd: stress en depressiviteit zijn zaken die bij het moderne Westen horen. Waar je agenda hoort vol te staan, wil je voor vol worden aangezien. En waar bij een ontmoeting nog slechts één wachtwoord geldt: "Druk, druk." Maar intussen dreigen we collectief te bezwijken onder al die opgelegde malligheid.
Of gestrest en depressief zijn exclusief onze kenmerken zijn? Zeker níét. Ga bijvoorbeeld naar de uithoeken van Cambodja. Mensen hangen er niet hun vuile was buiten, dus leg uw oor te luisteren bij de huisjes. Hoor wat ze hebben meegemaakt, zie hoe arm ze zijn, en verbaas u erover dat onder die omstandigheden er nog gezonde mensen rondlopen!
Want welke Cambodjaanse moeder heeft niet één of meer kinderen verloren? En hoeveel families zijn er niet die door oorlogsgeweld of overstromingen hun huisraad verscheidene keren kwijtraakten? Hoevelen van hen torsen niet de afschuwelijkste oorlogsherinneringen met zich mee?
En dan zijn er de vele in de steek gelaten moeders. "Pol Pot-weduwen" worden ze genoemd, omdat hun echtgenoten door Rode-Khmerleider Pol Pot zouden zijn vermoord. Maar veel van die mannen zijn er springlevend vandoor gegaan met een ander. Ontrouw in het huwelijk en seksuele losbandigheid vormen immers een ware plaag onder Cambodjaanse mannen. Normloosheid heerst ook op andere terreinen. Zo mag bij ons de politie je beste vriend zijn, in Cambodja is het je grootste vijand. Bijvoorbeeld omdat schuld of onschuld enkel aan de hand van de dikte van je portemonnee wordt vastgesteld. Is het wonder dat mensen er het recht in eigen hand nemen? En kranten regelmatig berichten over afrekeningen, ontvoeringen, corruptiezaken, gedwongen prostitutie en kinderhandel?
Het is maar een kleine greep uit de vuile was van Cambodjanen. Een keuze uit de baaierd van zorgen, die maken dat ook onder hen velen gestrest of depressief door het leven gaan.
Grandeur tussen verminkten
Het gruwelijke verleden zorgt in Cambodja voor verwarring. Graag omhelst men daarom dat andere verleden van Angkor Wat. Zijn monumentale bouwsels tonen immers aan dat dit kleine volk ook groot kon zijn. "Groot" en "imposant" zijn ook de woorden waarmee Cambodja een nieuw hoofdstuk schrijft, nu de vrede terug is. En toeristen helpen mee, want overal verrijzen de hotels: luxe, peperduur, en... bijna net zo groot als de Angkor-tempels. Enige 'stoorzenders' zijn de armen, de bedelaars en verminkten. Die door hun aanwezigheid eraan herinneren dat een land met zoveel "grandeur" ook heel klein kan zijn.
Een uur eerder reden we nog over modderwegen en langs ingezakte huttendorpjes, maar nu we Siem Reap zijn binnengereden, staan we oog in oog met de moderne wereld van het grote geld. "Kijk daar", roept mijn taxichauffeur, en hij wijst op een immens groot gebouw langs de weg. "Dat noemen wíj hier "crazy-hotel". Voor een kamer betaal je 600 gulden per nacht, een cola kost er, geloof ik, 16 gulden; voor een kop koffie betaal je vier gulden. Helemaal crazy toch?" Het super-de-luxe Grand Hotel waar hij op doelt, is een van de vele kolossen die hier de afgelopen jaren uit de grond zijn gestampt om de groeiende stroom toeristen onderdak te bieden. Het heeft de stad Siem Reap gemaakt tot een wonderlijke enclave van luxe en decadentie in een wereld van armoede en ontbering. Hoe dát mogelijk is? De verklaring ligt verscholen in één woord: Angkor Wat.
Even buiten de stad, zo'n 320 kilometer ten noorden van de hoofdstad Phnom-Penh, rijzen de 'piramides van Cambodja' omhoog: het tempelcomplex Angkor Wat. Op een gebied van 300 vierkante kilometer staat een indrukwekkende verzameling van zo'n honderd oude tempels en andere gebouwen. Eigenlijk is er maar één tempel die de naam Angkor Wat draagt, maar omdat die het meest in het oog loopt, is de naam voor de hele verzameling gaan gelden.
Siamezen
Angkor Wat bestrijkt een periode van ruim 600 jaar Cambodjaanse geschiedenis: van 802 tot 1432 na Chr. De omvang van het Angkor-koninkrijk, zoals dat in al die jaren heeft bestaan, bestreek een gebied dat de grenzen van het huidige Cambodja ver te buiten ging. Tot in de buurlanden Thailand, Laos, Vietnam en tot aan de grens van Maleisië en Birma hadden de vorsten van Angkor hun macht gevestigd. Vooral in Thailand is dat nog te merken, want ook daar zijn Angkor-tempels te vinden.
Als het om Angkor Wat gaat, was de relatie met de Thai nooit erg vredelievend. De betekenis van de naam Siem Reap zegt al genoeg: "Siam verslagen". Maar in 1431 sloegen de 'Siamezen' terug. Nadat de neergang van het Angkor-rijk om andere redenen al was ingezet, deelden de Thai in dat jaar de genadeklap uit. De Cambodjaanse vorst droop met gebogen hoofd af en verplaatste zijn residentie naar Phnom-Penh, Angkor Wat overlatend aan de grijpgrage klauwen van de jungle.
Tweehonderd jaar later, in de zestiende eeuw, reppen handelaren uit China, Spanje, Portugal en Nederland zijdelings van Angkor, en fungeerde het als bedevaartsoord. In 1850 maakte de Franse missionaris Charles-Emile Bouillevaux pas echt melding van de ruïnes, maar de echte doorbraak kwam tien jaar later, toen zijn landgenoot, de natuuronderzoeker Henri Mouhot, uitvoerig verslag uitbracht van wat hij daar te midden van lianen, gifslangen en tijgers had aangetroffen.
Ratjetoe
Angkor Wat is qua religieuze achtergrond een ratjetoe, met als belangrijkste ingrediënten het hindoeïsme en boeddhisme. De Cambodjaanse vorsten hebben daar zelf de "devaraja-cultus" aan toegevoegd, door zich te laten vereren als almachtige godkoningen, die in direct contact stonden met de kosmos. Hun aardse residenties en tempels zijn qua structuur weerspiegelingen van dat universum. Verder staan de tempelwanden en muren vol met reliëfs en inscripties die de vroegste geschiedenis van Cambodja verhalen, maar ook uitvoerig allerlei hindoemythen weergeven.
Zoals gezegd, de tempel Angkor Wat ("Wat" is Thais voor "tempel"; Angkor betekent "stad") is het indrukwekkendst om te zien. Vanwege de negen torens die als reusachtige lotusbloemen omhoog rijzen, vanwege de royale 'oprijlaan', en de 200 meter brede gracht (vroeger inclusief krokodillen) rondom. Het terrein meet zo'n 2,5 vierkante kilometer en is aangelegd in de eerste helft van de 12e eeuw - de tijd dat bij ons de kathedralen van Chartres (Frankrijk) en Canterbury (Engeland) verrezen. Bij de bouw zouden in totaal zo'n 55.000 arbeiders betrokken zijn geweest.
Graftempel
Angkor Wat fungeerde als graftempel voor zijn bouwer, koning Suryavarman II, en dat is nog te zien aan de toegangspoort die naar het westen is gericht: de dood en de ondergaande zon waren ook toen al aan elkaar gekoppeld. Op afstand dwingt Angkor Wat respect af; van dichtbij wekken de talloze afzichtelijk uitziende demonen en halfgoden (waaronder veel naga's met hun slangenkoppen) en erotisch uitgedoste vrouwenfiguren (apsara's, halfgoddelijke danseressen) weerzin op.
Goede tweede, maar heel anders van structuur, is de Bayon-tempel, gelegen in het centrum van Angkor Thom, een versterkte paleisstad ten noorden van de tempel Angkor Wat. De Bayon, gebouwd eind 12e eeuw, heeft iets overweldigends met al die grillige, door mos groen uitgeslagen torens, met daarop gezichten van goden uitgebeiteld. Zo strak en beheerst als de Angkor-tempel is, zo weelderig en chaotisch oogt de Bayon.
Na de hernieuwde 'ontdekking' door Mouhot hebben de ontwikkelingen rond het Angkor-complex niet stilgestaan. Hoewel? De burgeroorlog die in de jaren zestig in Cambodja uitbrak en die tot begin jaren negentig voortduurde, gaf het oerwoud opnieuw alle kansen. Wilde men in die tijd toch als toerist de tempels bezoeken, dan moest dat onder militaire begeleiding, en met de grootst mogelijk voorzichtigheid, want overal loerden guerrillastrijders, konden mijnen zijn verstopt, en krioelden tussen de lianen sowieso tal van gifslangen.
Nadat een jaar eerder de strijdende partijen de vrede hadden getekend, voegde de Unesco in 1992 Angkor Wat toe aan de wereldlijst van culturele erfgoederen, en stond het daarmee op gelijke voet met de Taj Mahal in India en de Egyptische piramiden. Buitenlandse onderzoekers en restaurateurs stroomden toe. Teams uit Japan, Duitsland, Italië, de VS en Frankrijk zijn er momenteel aan het werk om te boeten voor die jarenlange verwaarlozing.
Toeristen
Maar qua aantal moeten de experts het afleggen bij de toeristen, die uit alle hoeken van de wereld hiernaar toe komen. En de autoriteiten in Siem Reap -bepaald niet vies van zo'n lucratieve melkkoe- zijn hen daarbij graag behulpzaam. Sinds de grens bij het stadje Poipet, in de noordwesthoek, open is, kunnen buitenlanders voor het eerst over land vanuit Thailand naar Angkor Wat. Nu ligt daar nog een modderweg met diepe kuilen; over twee jaar moet een gladde vierbaans autoweg Siem Reap met Poipet verbinden.
Via de lucht is die verbinding er al. Dagelijks zijn er vluchten tussen Bangkok en Siem Reap - overigens tot groot verdriet van de hotelhouders in Phnom-Penh, want die voelen zich nu helemáál aan de zijlijn staan. Reisden toeristen tot voor kort via de Cambodjaanse hoofdstad in noordelijke richting naar Siem Reap, nu hoeft dat niet meer. Wat zouden ze in Phnom-Penh zoeken? Het Nationaal Museum heeft er een indrukwekkende verzameling Angkor-sculptuur, maar dat háált het niet bij de aanblik van de tempels zelf.
Die aanzwellende stroom toeristen zorgt ook voor nieuwe problemen. Waren het eerst dikke lagen korstmossen, boomwortels en lianen die de zandstenen monumenten aantasten, nu doen dat de uitlaatgassen van taxi's, motorfietsen en bussen. Ook het geklauter van de bezoekers wordt de stokoude monumenten te veel.
Van alles is bedacht om uit dit dilemma te komen. Toeristen zouden voortaan enkel op vilten schoenen de tempels mogen betreden, die ze dan bij vertrek als souvenir kunnen meenemen. En Japan bood zelfs aan de zeventig grootste gebouwen met een metrolijn aan elkaar te rijgen, zodat al die bussen en taxi's overbodig worden. Kortere stukjes zouden per olifant of ossenkar kunnen worden overbrugd.
Elektrowagentjes
In Siem Reap denkt men in een andere richting. Zo is er inmiddels een joint venture opgericht tussen Apsara, het bedrijf dat Angkor Wat beheert, en een Zuid-Koreaans bedrijf, om ter waarde van 10 miljoen dollar driehonderd elektrische wagentjes te leveren. Daarmee kunnen toeristen schoon en geluidloos worden vervoerd.
Apsara wil de toeristen nóg meer tegemoetkomen door de ruim tweehonderd bedelaars en straatverkopers in en rond de tempels te weren. Onder hen bevinden zich nogal wat slachtoffers van landmijnen - met alle verminkingen van dien. Dagelijks nestelen ze zich tussen de pilaren en langs de galerijen om geld uit de tere toeristenzieltjes te peuren. Er zijn slechtere bedelplekken denkbaar!
Nu toeristen direct vanuit hun 'beschaafde' wereld naar Angkor Wat komen, is de ontmoeting met al die verminkte bedelaars kennelijk te confronterend. Apsara heeft al geprobeerd om met cursussen onder bedelaars en verkopers ze te leren toeristen netjes te bejegenen, maar dat bleek niet voldoende. Onder het motto "de klant heeft altijd gelijk" worden ze sinds kort resoluut geweerd uit de gangen en galerijen. Extra politiebewaking moet ervoor zorgen dat hun vertrek ook echt eenrichtingsverkeer blijft.
Het grote geld, luxe en rijkdom lijken zo de kernwoorden waarmee Cambodja een nieuw hoofdstuk is begonnen. Alsof dat zaken zijn die een land groot en indrukwekkend maken! Gelukkig zijn er ook in Cambodja mensen die beter weten. Hulporganisaties die ervan overtuigd zijn: zorg voor de armen en een eerlijke verdeling van de rijkdom zijn de 'bouwsels' die voor beschaving zorgen, en een samenleving wérkelijk groots en indrukwekkend maken.
Dit is het laatste artikel in een reeks over Cambodja, in het kader van de RD-actie voor de slachtoffers van de guerrillaoorlog.
RD-actie lever 8,8 ton op
APELDOORN - "Als ik het leven zie van de vluchtelingen in Noord-Cambodja, word ik altijd weer week van binnen." Zo reageerde de voorzitter van het bestuur van stichting ZOA-Vluchtelingenzorg, A. Lock, gisteren bij de afsluiting van de RD-actie voor Noord-Cambodja. De actie bracht 880.000 gulden op.
Lock concludeerde dat de lezers van deze krant overtuigd waren geraakt van de noodzaak van hulp aan de ontheemden in Cambodja. "Deze mensen proberen stukje bij beetje de samenleving weer op te bouwen. In deze mengeling van culturen zoekt ZOA-Vluchtelingenzorg naar mogelijkheden om thuislozen weer een thuis te geven. Ook willen we iets betekenen voor het geestelijk welzijn van deze mensen. Er zijn op dit moment weinig kerken en weinig huisgemeenten, maar wij hopen in onze hulpverlening ook op dit terrein iets te betekenen."
RD-lezers hebben royaal gegeven, vond de ZOA-voorzitter. "Zeer royaal. We leven in een tijd van industrialisatie en materialisme. Hulpverleningsorganisaties moeten dus tegen de stroom oproeien. Daarin blijkt ook iets van ons vreemdelingschap. Ons thuis is niet op deze aarde."
Voorafgaande aan de overhandiging sprak J. H. Koppelaar, president van de raad van bestuur van de Erdee-holding, over de kernwoorden "bevrijding" en "naastenliefde". "Nog klinkt mij het gezang in de oren dat op ons dorp werd aangeheven bij de bevrijding van ons land: "Dankt, dankt nu allen God". We hebben deze maand onze bevrijding herdacht, maar dat lied is verstomd. De herdenking is een horizontale aangelegenheid geworden. Hoe weinig besef is er nog van het feit dat ware bevrijding een einde maakt aan gebondenheid door de satan. Geestelijke bevrijding maakt ons los van het juk van de zonde. Dat geeft een andere koers in ons leven. Daarin wordt God op het hoogst verheerlijkt en dan krijgen we onze naaste lief als onszelf."
Beeldspraak
Koppelaar wees op de naam van de RD-stichting: "Draagt elkanders lasten". "Wat een prachtige beeldspraak. Dragen, dat wil niet alleen zeggen "helpen", maar betekent vooral het overnemen van een last, om die te helpen dragen."
Drs. Arjan Luijer, hoofd Azië-desk ZOA-Vluchtelingenzorg, sprak over "Ontwikkelingen in het denken over humanitaire hulpverlening". "Humanitaire hulpverlening verkeert in een conflictsituatie, want in alle gevallen is er sprake van een instabiele omgeving waarin de hulp moet worden verleend. Daarnaast is ook het denken over hulpverlening onderhevig aan debat en discussie. De opinievorming op dit terrein is volop in beweging."
Hulpeloze mensen
ZOA, die sinds 1998 nauw betrokken is bij hulp aan Cambodjaanse vluchtelingen, gaat het geld van de actie voornamelijk besteden aan voedselvoorzieningen en opbouw van de leefgemeenschappen op dorpsniveau. Luijer wees nog op Psalm 146, waar hij een stoet van hulpeloze mensen aan zich voorbij zag trekken. "Als we dat zien in het licht van Gods koninkrijk, dan behoedt ons dat voor twee dingen, voor hoogmoed en voor moedeloosheid. Daarom weten we dat het goed komt, ooit."
Buitenlandredacteur A. Jansen en fotograaf H. J. Visscher gaven een impressie van de nood in Noord- Cambodja, opdat, zei fotograaf Visscher, "de mensen om wie het allemaal gaat een plaatsje krijgen in uw hart en een plaatsje in uw binnenkamer."
Erdee-directeur ing. J. Koetsier bedankte de gevers die zorgden voor het welslagen van deze 25e RD-actie.
In mei 2000 afgesloten RD-actie voor Cambodja heeft goede start
Het Reformatorisch Dagblad sloot op 15 mei 2000 de geldwervingsactie ten behoeve van een project in Cambodja af. De actie bracht 880.000 gulden op. Onder supervisie van de Nederlandse, christelijke organisatie ZOA krijgen ontheemde, vaak gevluchte inwoners van het in de jaren '70 van de vorige eeuw door het bewind van Pol Pot geteisterde land, een definitieve plaats om te wonen. Dat alles speelt zich af in de tegen de grens met Thailand liggende stad Poi Pet.
Het project richt zich op rehabilitatie van de bevolking. Herstel van wat teloor ging en terugkeer naar een normale maatschappij. Het gaat om het stimuleren en op gang brengen van inkomensverwervende activiteiten, onderwijs, traumaverwerking en het opstarten of verbeteren van de kwaliteit van gezondheidszorg.
Namens ZOA werkt in Poi Pet de Canadese Fries Mike Fennema als projectcoördinator. Corine Verdoold, afkomstig uit Rotterdam, is verantwoordelijk voor het 'sturen' van de gezondheidszorg. Zij geven samen leiding aan staf van pakweg twintig lokale, door ZOA gesponsorde werkers.
Deze zwermen dagelijks uit naar de bij de stad behorende, eromheen liggende dorpen. Om onderwijzers te vormen, vaccinatieprogramma's uit te voeren, voorlichting te geven over bestrijdingsmiddelen in de landbouw, en nog veel meer.
Het project richt zich niet primair op mensen die in het 'stedelijk' gebied van Poi Pet leven. In de stad staat weliswaar een gezondheidscentrum dat steun krijgt. Maar het is vooral de bedoeling om de naar het platteland uitgezwermde stedelingen en vluchtelingen of migranten van elders de gelegenheid te bieden zelf een landbouw- of fruitkwekersbedrijfje op te zetten.
Dan moet er in het dorp ook onderwijs beschikbaar zijn voor de kindertjes. Mensen moeten zonder vrees water kunnen drinken. Sanitaire voorzieningen zijn onmisbaar. Iemand moet af en toe kunnen aankloppen bij degene die verstand heeft van ziekten.
Juist in en rond Poi Pet is de nood groeiende. Binnen twee jaar verdubbelde het aantal binnen de burgerlijke gemeente wonende mensen tot bijna 80.000. Voor veel mensen biedt dit gebied de enige mogelijkheid om het hoofd boven water te houden. Ze konden op de plek waar ze misschien nog maar kort woonden slechts één rijstoogst per jaar binnenhalen.
Of ze hebben helemaal geen werk. Soms is de scheiding tussen de zogeheten "internal displaced people" en economische migranten niet goed te trekken. Maar eigenlijk hebben beide categorieën alles te maken met corrupte regeringen en regimes, ook al zat niet iedereen in een vluchtelingenkamp. Zo veranderde Poi Pet in een soort spelonk van Adullam: een toevluchtsoord voor alle man die het moeilijk heeft.
Een onvoorzien probleem deed zich voor toen de gulden ten opzichte van de dollar fors kelderde. Gelukkig slaagde ZOA erin na aanvaarding van het project door het bestuur van het RD tevens een bijdrage van US $ 200.000 los te krijgen uit het Brusselse hoofdkantoor van het European Community Humanitarian Office (ECHO). De hoge dollarkoers heeft iets nadeligs voor de effectiviteit van het Nederlandse geld uit de RD-actie. Maar wie zich realiseert dat je ter plaatse voor pakweg 200 baht -een tientje- je maag goed kunt vullen en je dorst lessen -deels Thai, deels Khmer, deels Chinees, deels westers- weet dat er met de Nederlandse guldentjes toch heel wat valt te doen.
Blubber, bush en boreholes
Lon Mali heeft weet van levensleed. Zij woont in een eenvoudig optrekje ergens langs de weg naar een dorp. Haar man en vier van de zes kinderen stierven van honger. Dat was onder het regime van Pol Pot en zijn Rode Khmer. De vrouw heeft een paar stukken land en verbouwt cassave en bananen. Zij verkoopt ze op de mark in Poi Pet. De daar gekochte groenten brengt ze weer aan de man in het dorp. Lon Mali vertelt dat ze arm is. Zo leeft zij. Maar projectcoördinator Mike Fennema denkt dat ze in werkelijkheid tot de rijkeren hoort. Gezien de ringen aan vinger en oren.
Ondanks alle nog altijd zichtbare narigheid lijken de mensen iets opener dan bijna twee jaar geleden. Toch is door alle problemen met Pol Pot en andere machthebbers de gemeenschapszin afgenomen. De mensen leven zeer individualistisch. Dat klinkt door in de woorden van meneer Sokhoeun. Hij is vertegenwoordiger van het districtsgouvernement en loopt af en toe binnen bij het ZOA-kantoor. De verstandhouding is goed. "Hoeveel inwoners heeft Poi Pet?" Volgens Sokhoeun zegt de statistiek die juist twee weken geleden vrijkwam dat de burgerlijke gemeente 76.000 inwoners telt. Schattingen lopen echter op tot wel 100.000. "Want er komen en gaan zo veel mensen hier", zegt de ambtenaar. Waaruit naar voren komt dat tallozen hun eigen leventje leven.
Dwars door alles heen kuieren de in rode kleding gehulde boeddhistische monniken. Zij blijven bedelen en vormen een schrille tegenstelling met de jochies van een jaar of zes, zeven, die in de overvloedige regen in de dorpen spiernaakt door de blubber lopen. Die mannetjes mogen nog van geluk spreken. Want er zijn ouders die uit armoede een kind verkopen. Voor 10 dollar bijvoorbeeld. Al heel jong. Dat krijgt dan de opdracht om in het per bus vijf uur verder gelegen Bangkok de bedelstaf op te pakken. En als een meisje iets ouder is dan jong, gaat ze gedwongen in de prostitutie.
Water
In het vliegtuig viel via de weerberichten op het beeldscherm al waar te nemen dat het in de regio Poi Pet moest regenen. De plaats die stad heet, heeft niet één geasfalteerde, moddervrije straat. Alles, ook de hoofdweg die van de Thaise grens naar het zuiden loopt, zit boordevol met gaten en kuilen, sommige van een halve meter diep. En dat staat allemaal vol water. Vrachtwagens, motorcycles, alles ploegde er gedurende de achterliggende maand, grote golven opwerpend, doorheen. Overal is water, blubber, modder. Als het regenseizoen voorbij is, veranderen de regenbuien in stofwolken.
De rond Poi Pet liggende dorpen zijn het object van ZOA-zorg. Om ze te bereiken, dienen er wegen te zijn. De financiering van de aanleg komt voor rekening van ZOA. Denk niet aan klinkers of asfaltbeton. Het gaat om een enigermate gelijkmatig horizontaal rijoppervlak met wat verharding in de vorm van toplaag. Wegbereiders, een speciale ploeg van honderd of tweehonderd mensen, moeten eerst het traject mijnenvrij maken.
Wegen
Ik maak de bespreking mee over het aanleggen van 3,5 kilometer weg. In aanwezigheid van de man die in de lokale ZOA-staf verantwoordelijk is voor de wegen en met de over machines beschikkende aannemer. Het gaat om de weg naar het dorp Ou Neang, waar 4380 mensen wonen. Later ondervind ik in een barre tocht door wat diepe glibberige sporen de noodzaak van de aanleg.
De afspraken zijn goed. Maar helaas, een paar dagen na het gesprek zullen de mensen van het Cambodja Mine Action Committee (CMAC) beginnen met het ontdekken en weghalen van de gevaarlijke explosieven. Dat blijkt echter een teleurstelling. Twee of drie dagen tevoren bereikt het ZOA-kantoor een bericht dat de overheid ineens geen geld beschikbaar stelt daarvoor. Het is op. Of heeft dit te maken met de claim van een paar militairen op een deel van het terrein waarover de weg zal lopen? Het zal wel lukken op den duur. Maar het vereist slimheid en vaardigheid om telkens nieuwe mogelijkheden te zoeken en uit te buiten.
Watervoorziening
Meneer Chan Sambath is namens ZOA verantwoordelijk voor de watersituatie. Hij vult op de punten waar water wordt gevonden een "national water well log sheet" in. Dat zijn door overheidsambtenaren verzamelde papiertjes waarmee zij de totale grondwatersituatie in beeld brengen. Dat gaat gepaard met onderzoek naar de kwaliteit van de grond: rots, grind, zand enzovoorts. Zo kunnen zij ook iets zeggen over de waarschijnlijkheid waar water valt te vinden.
In het gebied van Poi Pet blijkt vaak gemakkelijk op 30 meter diepte water te vinden. In twee dorpen zit het echter op 80 meter. Zo'n gat maken wordt duur. In het dorp Ou Neang valt pas op 100 meter diepte water te vinden. En dan krijgen ze nog slechts 600 liter per uur naar boven. Dat is te weinig voor 4380 mensen. Dieper boren is buitengewoon kostbaar en praktisch nauwelijks haalbaar.
Welke problemen hebben jullie? vraag ik aan de dorpsleider van Ou Neang. Stelen? Vechten? Narigheid met individualisme? Dat komt allemaal voor. Maar primair is het waterprobleem. De dorpsbewoners graven met deze regen een gat in de tuin. Ze leggen er geen plastic in. Dat is niet beschikbaar. Maar zo vangen ze water op voor gebruik. Velen koken het. Niet allen. De dorpsleider heeft een dakgoot aan zijn huisje. Een tamelijk zeldzaam verschijnsel. Langzaam loopt een enorm grote aarden pot vol. Zo valt het te bewaren. De leider zegt dat zeven bassins -gevuld door de regen- van 30 bij 40 bij 3 meter genoeg zouden zijn voor zijn dorp om het jaar rond te komen. Maar ze hebben er tot nu toe niet meer dan één. In diverse dorpen is sprake van een speciaal borehole-comité. Als ZOA onverhoopt of op termijn weg zou gaan, hebben de boorgaten minder kans om te verloederen.
Inkomensverwerving
In diverse dorpen bracht ZOA het proces op gang om groenten te planten rond het eigen huisje of hutje. Fruitkwekerij en landbouw lukt op de zware klei rond Poi Pet beter dan een fabriek opzetten. ZOA stelt zaad beschikbaar en leert ook zaad te oogsten voor het volgende jaar. Maar de dorpsbewoners hebben geen capaciteit om bos of boomstronken te kappen en te verwijderen. Als er al geld is, dient dat niet als kapitaal voor investering. Het gaat onmiddellijk op aan voedselvoorziening.
Ook is er sprake van veel ziekten in het gewas door te armelijke landbouwvoorbereidingen. Er is gebrek aan irrigatiemogelijkheden in het droge seizoen. De boeren maken lage prijzen voor hun landbouwproducten. Er is echter midden tussen de dorpjes een overdekte markt in aanbouw. De lokale staf zal ook beroepsscholing opzetten. Er is reeds sprake van training rond bestrijdingsmiddelen.
De gezondheidszorg bestaat eigenlijk uit twee componenten, zegt Corine Verdoold. De ene krijgt vorm in een soort kliniek in het 'stedelijke' Poi Pet. Er zouden er volgens de officiële richtlijnen minstens zeven moeten zijn in Poi Pet. ZOA probeert de zorg op hoger niveau te krijgen via trainingen van de staf. Echte menslievendheid is schaars. ZOA probeert in nauwe samenwerking met de provincie de staf vooral bewust te maken van haar verantwoordelijkheid. De organisatie helpt als er een typemachine in Khmer nodig is. Maar ze geeft niet constant medicijnen als ze op zijn. De kliniek moet self-supporting, zelfvoorzienend zijn. Er is ook een gezondheidszorgcomité opgezet met mensen uit de dorpen. Op die manier gaan ze het centrum een beetje zien als hun eigen kliniek. Het comité fungeert ook als een soort klachtencommissie.
De tweede component in de gezondheidszorg speelt zich vooral af in de dorpen. De lokale werkers van de ZOA-staf gaan de dorpen in om ziektes te herkennen, hygiëne te bevorderen, vaccinaties uit te voeren enzovoorts. Met geld uit het RD-fonds wordt promotiemateriaal aangeschaft, video's bijvoorbeeld, als stimulans om mensen bij elkaar te krijgen.
Onderwijs
De stenen school in Kilo 4 is gerenoveerd met geld van de RD-actie. Verder staan er in de dorpen meestal optrekjes van hout, riet en golfplaten. Een van de dingen die in het RD-project thuishoren is training van vrijwillige onderwijskrachten. Weliswaar is er een opleidingsinstituut in de stad Battambang. Ieder jaar komen er zo'n 150 geschoolde onderwijzers af. Maar ook in de echte stad -nog iets meer dan de town Poi Pet- is grote vraag naar onderwijzers. Dus niemand is gemotiveerd om de bush rond Poi Pet in te trekken. Dat doet de noodzaak voelen van vrijwilligers.
Het onderwijs begint vorm te krijgen. Maar er moet nog veel gebeuren. In het dorp Ou Reasay gaan 415 kinderen naar school. Qua inwonertal zouden er eigenlijk nog 2000 kinderen moeten komen opdagen. Ook in het dorp Ou Neang met 4380 inwoners vraag ik of er een school is. De dorpsleider sprak met het gouvernement. Maar er is nog geen goed stuk land om er een te bouwen, zegt hij. In Pry Kup is er zelfs sprake van een soort ouderraad. Dat vergroot de betrokkenheid. De school is erkend, maar de leerkrachten zijn nog niet gesalarieerd. De regering heeft geen geld voor hun salaris.
"Wat wil je liever", vraag ik in een van de klassen aan de kinderen: "Willen jullie rijk worden of verlang je naar een samenleving waarin liefde heerst?" Het antwoord is duidelijk: "Wij zijn liever rijk." Weten ze eigenlijk wel wat liefde betekent? Misschien gaat het ooit tot hen doordringen. Sedert vier maanden houden Mike en Corine elke maandag een weekopening met de staf in het ZOA-kantoor. En het is erg belangrijk dat de Christian And Missionary Alliance, een Amerikaanse zendingskerk, haar oog heeft laten vallen op Poi Pet.