Donaties
Iedereen kan het werk van de Stichting Draagt Elkanders Lasten steunen.
Stort uw giften op:
giro: 29.70.700
of op:
bankrekeningnummer
65.32.60.008 (ING Bank)
ten name van
Draagt Elkanders Lasten te Apeldoorn.
Afrika 2003
Laat Afrika niet in de steek
In zuidelijk Afrika voltrekt zich een menselijk drama dat nauwelijks is te bevatten. De gruwelijke aids-epidemie vaagt complete gemeenschappen weg. Honderdduizenden kinderen moeten zonder hulp van hun ouders in hun levensonderhoud voorzien. De strijd tegen het dodelijke HIV-virus lijkt hopeloos.
Aids is vooralsnog ongeneeslijk en de gemiddelde Afrikaan kan de peperdure aids-remmers niet betalen. Het aantal geïnfecteerden groeit met de minuut. Moeten we dan maar bij de pakken gaan neerzitten?
De Gereformeerde Zendingsbond, Woord en Daad, de Zending Gereformeerde Gemeenten/Bijzondere Noden en De Verre Naasten, die samen met andere deel uitmaken van de christelijke hulporganisatie Prisma, proberen de enorme nood in zuidelijk Afrika te lenigen. Met voorlichting en preventie. Maar ook met medische zorg en stervensbegeleiding voor aids-patiënten.
De economie beschouwt Afrika als een verloren werelddeel. Gods Woord kent geen verloren continenten. Laat Afrika niet in de steek!
Een baby tussen de stervenden
Met grote ogen staart Sipho Sanele voor zich uit. Broodmagere beentjes steken uit een verschoten pyjama. Zijn buikje is opgezwollen van de antibiotica. Het Zuid-Afrikaanse jongetje is anderhalf, maar dat zou je hem niet geven. Het HIV-virus breekt stukje bij beetje het laatste restje weerstand af, waardoor uiteindelijk een griepje de dood kan betekenen.
"Nog drie maanden te leven - hooguit", zegt Heather Rossouw zacht. Samen met haar man Neill runt de Zuid-Afrikaanse in hartje Johannesburg het opvangtehuis Ethembeni. Hier kunnen kinderen terecht die door hun ouders in de steek zijn gelaten. Vaak zijn de moeders seropositief, waardoor ze het virus op hun baby hebben overgedragen. Een geborduurde lap met namen en data bij de entree van het tehuis vormt de stille getuige van de tol die aids onder de bewoners van Ethembeni eiste.
Misbruikt
"We vonden Sipho in Hillbrow, een van de beruchtste en gewelddadigste wijken van Johannesburg", vertelt Heather. "Hij was zomaar midden op straat neergelegd. Later kwamen we erachter dat hij misbruikt was. Een test wees vervolgens uit dat hij het HIV-virus droeg. We hadden nooit gedacht dat hij het zou halen, maar tot nu toe mag hij nog bij ons zijn. We weten echter dat hij niet lang meer hier zal zijn. Alleen met antiretrovirale medicijnen zouden we zijn leven kunnen verlengen, maar die kunnen we niet betalen."
Het verhaal van Sipho staat helaas niet op zichzelf. Wereldwijd hebben meer dan 13 miljoen kinderen onder de vijftien jaar een of beide ouders aan aids verloren. Volgens de Verenigde Naties wordt elke veertien seconden een tiener met het HIV-virus geïnfecteerd. Dat betekent ruim 6000 nieuwe gevallen per dag. De helft van het aantal besmettingen raakt mensen onder de 25, voor het merendeel vrouwen.
Zijn de wereldwijde cijfers al nauwelijks voorstelbaar, de statistieken voor Afrika zijn zo mogelijk nog huiveringwekkender. Meer dan 70 procent van het aantal seropositieven bevindt zich in de landen ten zuiden van de Sahara en zelfs 90 procent van het aantal geïnfecteerde kinderen. En dat, terwijl op dit deel van de aarde slechts eentiende van de totale wereldbevolking woont.
Hoewel Zuid-Afrika de rijkste en meest ontwikkelde staat van Afrika is, is het land onevenredig zwaar door het HIV-virus getroffen. Met naar schatting 4,2 miljoen geïnfecteerden is Zuid-Afrika het land met het hoogste aantal seropositieven ter wereld binnen zijn grenzen. Nu al overlijden jaarlijks zo'n 250.000 Zuid-Afrikanen aan aids. De verwachting is echter dat dit aantal in 2008 tot 1 miljoen zal zijn opgelopen.
Zwaar taboe
Ondanks de enorme omvang van de catastrofe die het zwarte continent treft, rust in veel Afrikaanse landen nog altijd een zwaar taboe op HIV en aids. In de gezinnen, waar moeders hun ziekte verzwijgen of vaders stug volhouden dat ze aan tbc lijden. Maar ook in de kerken, waar besmette leden niet zelden met de nek worden aangekeken of zelfs uit de gemeente worden gestoten.
Bovendien lijken veel regeringen het drama ook niet serieus te nemen. De Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki beweerde lange tijd dat er geen verband tussen HIV en aids bestaat. Volgens hem is de ziekte 'slechts' een armoedeprobleem. Dat alles betekent dat er op het gebied van aids-bestrijding nog een lange weg is te gaan. Niet alleen als het gaat om voorlichting en preventie -een onderwerp dat veel regeringen met het promoten van condoomgebruik denken te kunnen afdoen- maar ook op het terrein van medische zorg en het ontwikkelen van medicijnen en vaccins.
Zelfs waardig sterven is voor veel aids-patiënten niet weggelegd. Vooral op het platteland en in de townships van zuidelijk Afrika overlijden honderden mensen anoniem in een hutje. Onder een schamel zinken afdak blazen zij hun laatste adem uit, verstoken van familie en pijnbestrijding. Maar ook van geestelijke zorg.
Hier en daar proberen organisaties zo goed en zo kwaad als het gaat iets aan palliatieve zorg te doen. In Klipgat, niet ver van Pretoria, werkt July Maredi in een hospice waar terminaal zieke aids-patiënten worden opgevangen. Slechts gescheiden door dunne blauwe gordijnen liggen hier enkele tientallen mannen en vrouwen letterlijk op hun dood te wachten. De meesten zijn afkomstig uit een grote township bij Pretoria. Af en toe klinkt gehoest en gekreun of roept iemand om zijn of haar moeder. Het zonlicht dat door de ramen valt accentueert de holle ogen en uitgemergelde gezichten en geeft het geheel iets surrealistisch.
Psalm 23
In de hoek van de zaal ligt Johanna. Haar grote bruine ogen zijn wijd opengesperd en bewegen nauwelijks. Haar ineengestrengelde, broodmagere handen steken in een vreemde hoek boven het laken uit. Praten kan ze niet meer. "Drie dagen geleden binnengebracht", fluistert July. "Haar familie dumpte ze hier en heeft sindsdien niet meer naar haar omgekeken. Ik ben bang dat ze het einde van de week niet haalt."
Naast Johanna staat het bed van Lenna. Met een glimlach op het gezicht leest ze uit de Bijbel. Psalm 23. "Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij." "Ik besef dat ik er spoedig niet meer zal zijn. Maar ik mag ook weten dat mij een betere toekomst wacht dan hier op aarde", vertelt ze zachtjes.
Maximaal twee weken mogen de patiënten in de hospice blijven, maar de meesten maken die veertien dagen niet eens vol, vertelt July. "Vanmorgen nog zijn er twee overleden. Een enkeling verblijft hier als hij in zijn eigen gemeenschap niet goed kan worden verzorgd, maar het merendeel komt hier om te sterven. We worden bijna dagelijks met de dood geconfronteerd."
Om die emotionele druk het hoofd te bieden, organiseert het personeel van de hospice wekelijks een gezamenlijke ontspannende activiteit. Elke dinsdag komt een predikant of een pastoraal werker om zowel patiënten als medewerkers geestelijke ondersteuning te bieden. "Bovendien proberen we elkaar op te beuren als we zien dat het iemand even te veel wordt", aldus de medewerker van het opvangtehuis.
In de centrale ruimte van de hospice zit een aantal patiënten op een bank met elkaar te praten. Een van de medewerksters geeft een klein meisje de fles. "Tshiamo is nog maar vijf maanden. Haar moeder is in dit tehuis overleden. We weten nog niet of het kind ook HIV-positief is." Vijf maanden oud - een baby tussen de stervenden.
Onthouding
Om te voorkomen dat de jongere generatie net als Lenna of Johanna in een hospice voor aids-patiënten eindigt, investeren hulp- en zendingsorganisaties veel in voorlichting en preventie. In Noord-Namibië, op slechts enkele kilometers afstand van de grens met Angola, ondersteunt de Gereformeerde Zendingsbond een voorlichtingsprogramma voor scholen. Sociaal werkers proberen de jeugd bewust te maken van het aids-probleem en hen op bijbelse gronden te wijzen op de verkeerdheid en de gevaren van zedeloos gedrag.
Voorlichter Ludwig Beukes heeft net zijn studenten in groepjes aan het werk gezet om na te denken over het begrip "liefde". "Het valt niet mee", zucht hij, nadat hij een plekje in de schaduw heeft opgezocht. "Als ik leerlingen vraag waarom ze geen seksueel verkeer voor het huwelijk zouden moeten hebben, krijg ik meestal te horen dat men bang is om aids op te lopen of zwanger te raken. De meesten schamen zich ook voor hun ouders. Slechts een enkeling zegt dat God het zo bevolen heeft. En dát is nu juist de boodschap die wij uitdragen. Onthouding voor en trouw binnen het huwelijk is de enige manier om het probleem te lijf te gaan."
Vooral als gevolg van armoede trouwen veel Afrikanen echter pas op latere leeftijd, soms pas als ze de dertig al lang zijn gepasseerd. Is het realistisch om te veronderstellen dat ze tot die tijd niet seksueel actief zullen zijn? Beukes: "Laat ik vooropstellen dat seksuele gevoelens niet verkeerd zijn. Ze zijn van God gegeven en natuurlijk. Het gaat er wel om dat je je leert te beheersen. Ik probeer mensen altijd erop te wijzen dat ze kritisch moeten kijken naar wat ze lezen, welke films ze bekijken, waar ze over praten. Wat dat betreft is de elektriciteitsvoorziening op het platteland van Namibië enerzijds een belangrijke ontwikkeling, maar anderzijds een vloek voor de moraal."
Condooms
De overheid stimuleert het uitgangspunt van onthouding bepaald niet, klaagt de 43-jarige Namibiër. "De regering promoot alleen maar het gebruik van condooms. In veel gevallen kun je ze gratis krijgen. Maar dat is niet de oplossing. Het zonder meer verspreiden van condooms bevordert alleen maar een vrije seksuele moraal."
De aids-voorlichter geeft toe dat er uitzonderingen kunnen zijn. "Bijvoorbeeld als een of beide echtelieden met HIV zijn geïnfecteerd, dan kun je een condoom gebruiken om elkaar te beschermen. En zo kunnen er meer situaties zijn. Ik sprak onlangs een lutherse predikant die klaagde dat hij gemiddeld elk weekend vier gemeenteleden moet begraven die aan aids zijn overleden. Hij vroeg zich af of condoomgebruik het aantal sterfgevallen zou laten dalen. Dat is een geweldig dilemma, als hele gemeenschappen worden weggevaagd. Maar het stoort mij dat mensen zich vaak alleen maar zorgen om een mogelijke besmetting maken en niet om hun levensstijl. Dáár moet het veranderen."
Tegelijkertijd erkent Beukes dat levensstijl zeker niet de enige oorzaak van de verspreiding van aids vormt. "Het begint al bij de Afrikaanse traditie dat een vrouw in principe geen seks mag weigeren aan de man. En dan het gebrek aan hygiëne in ziekenhuizen en het misdaadprobleem. In Zuid-Afrika wordt elke minuut iemand verkracht, met alle gevolgen van dien. Verder verkopen veel vrouwen en meisjes hun lichaam, puur om te overleven. Wie is er dan verkeerd? Degene die van de armoede van die mensen profiteert, draagt naar mijn idee een veel grotere verantwoordelijkheid."
Gediscrimineerd
Wat ook de oorzaak mag zijn als iemand het HIV-virus oploopt, Beukes zal niemand veroordelen. "Natuurlijk moeten we de zonden benoemen. Maar er wordt al genoeg gediscrimineerd en gestigmatiseerd, ook door de kerken. Ik probeer altijd de benadering van de Heere Jezus te volgen als Hij zich tot die overspelige vrouw richt: "Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen op haar." Het is onze duurste christenplicht om Afrika niet in de steek te laten."
Vandaag start het Reformatorisch Dagblad met een actie om geld in te zamelen voor aids-bestrijding in zuidelijk Afrika. De fondsen zullen verdeeld worden over een aantal projecten op het gebied van voorlichting en preventie in Namibië, medische zorg in Zimbabwe en de bouw van twee hospices in Zuid-Afrika.
Voor Sipho, Lenna en Johanna zal het wellicht te laat zijn. Maar er zijn nog zo veel anderen! Uw bijdrage kan werkelijk verschil maken. Laat Afrika niet in de steek!
'Ons volk is bezig te sterven'
Tientallen begrafenissen per week. Discriminatie van besmette gemeenteleden. Vragen van jongeren over condoomgebruik. De aids-epidemie stelt ook de kerken in Afrika voor enorme dilemma's. Docent theologie Patrick Britz: "Laten we alsjeblieft open zijn. Want ons volk is bezig te sterven."
"Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid."
De verzen uit 2 Korinthe 4 doen wonderlijk aan in het eenvoudige huisje van Elsie Mashmaite. Rustig luistert de 27-jarige Zuid-Afrikaanse vrouw naar de woorden van Paulus. Zelf lezen kan ze niet meer. Het HIV-virus heeft haar blind gemaakt. Ook haar longen zijn door de ziekte aangetast. Af en toe hoest ze wat slijm op dat ze met een stukje toiletpapier wegveegt. Menselijkerwijs gesproken heeft ze nog een maand of vier te leven. Een infectie kan echter een plotselinge dood betekenen.
Twee jaar geleden kreeg Elsie te horen dat ze seropositief was. Vermoedelijk geïnfecteerd door een vriendje met wie ze het bed had gedeeld. Aanvankelijk kostte het haar grote moeite om vrijuit over haar besmetting te praten. De schande en de mogelijk negatieve reacties van kerkmensen weerhielden haar. Toen de ziekte steeds verder doorbrak, kon ze het niet langer verbergen. "Het was moeilijk om erover te beginnen, maar nu ben ik heel blij dat ik het heb gedaan. Het is alsof er een last van me is afgevallen", vertelt ze met schorre stem.
Aardse tabernakel
Haar familie reageerde geschokt, maar met groot medeleven. "Mijn moeder en vijf zussen komen dagelijks bij me langs. Ze helpen met alledaagse dingen, maar ze huilen en lachen ook met me mee", zegt Elsie.
Regelmatig bezoeken pastoraal medewerkers van de kerk de doodzieke vrouw, die in het township Soshanguve woont, vlak bij de Zuid-Afrikaanse hoofdstad Pretoria. Samen lezen ze uit de Bijbel en zingen ze geestelijke liederen. En hoewel de woorden in het Zuid-Suthu worden uitgesproken, klinken ze toch wonderlijk bekend en lijken ze dwars door het golfplaten dak van Elsies huisje te dringen. "Alleen door genade verlost", maar ook: "Grote God, wij loven U."
"Elsie heeft haar schuld en zonden voor de Heere mogen neerleggen", zegt pastoraal medewerkster Inge de Visser. "Uit genade heeft ze vergeving van Hem mogen ontvangen. Met Paulus ervaart ze daadwerkelijk dat haar aardse tabernakel wordt afgebroken. Er zijn veel momenten dat ze zich slecht voelt en het niet meer ziet zitten. Maar ze mag ook weten dat haar een eeuwige woning in de hemel is bereid."
Helaas missen veel aids-patiënten in Afrika de liefdevolle pastorale zorg die aan Elsie Mashmaite wordt besteed. Veel seropositieven willen er niet voor uitkomen dat ze het HIV-virus dragen. Vandaar dat ook in veel kerken nog altijd een taboe op de ziekte rust. Besmette leden worden niet zelden met de nek aangekeken en soms zelfs uit de gemeente gestoten.
Actie
Patrick Britz geeft toe dat de kerken in dezen een grote verantwoordelijkheid hebben die ze lang niet altijd nemen. Britz geeft les aan de NETS, een theologische school in de Namibische hoofdstad Windhoek die wordt gesteund door de Gereformeerde Zendingsbond (GZB). Tegelijkertijd benadrukt hij de noodzaak van actie. "Laten we alsjeblieft open zijn, want ons volk is bezig te sterven. De feiten liggen op tafel; we kunnen het niet langer ontkennen."
Die feiten liegen er niet om. Alleen al in Namibië is naar schatting bijna een kwart van de inwoners met het HIV-virus geïnfecteerd. En dat op een bevolking van nog geen 2 miljoen mensen. De gemiddelde levensverwachting is tot iets boven de veertig gedaald. "Relatief gezien zijn wij in hoogte van het besmettingscijfer het derde land in Afrika", vertelt Britz. "Er zijn nu zo'n 80.000 wezen geregistreerd, maar dat aantal zou wel eens twee keer zo hoog kunnen zijn. En het wordt alleen maar erger.
In Namibië hebben kerken en overheid lange tijd lijnrecht tegenover elkaar gestaan", vervolgt Patrick Britz. "De regering vond dat de kerken niet genoeg deden om het aids-probleem het hoofd te bieden. Wij kritiseerden op onze beurt alleen maar het beleid van de overheid, die alles met condooms denkt te kunnen oplossen.
Een paar jaar geleden hebben we als kerken besloten de handen ineen te slaan om te proberen het tij te keren. Waar de regering zich vooral op het verstrekken van beschermende middelen richt, willen wij juist bewustwording creëren en waarschuwen tegen onzedelijk gedrag."
Voluit bijbels
Uitgangspunt is daarbij onthouding van seksuele gemeenschap voor het huwelijk en trouw binnen het huwelijk, benadrukt de Namibische docent. "Dat is niet alleen voluit bijbels, maar het biedt ook de beste bescherming tegen het HIV-virus. Ik besef echter terdege dat er situaties kunnen zijn waarin je verstrekking van condooms moet overwegen, bijvoorbeeld wanneer een van beide echtelieden besmet is."
Britz weet uit eigen ervaring hoe groot de verleidingen voor jongeren op seksueel gebied zijn en maakt zich dan ook weinig illusies. "Toen ik jong was, stond ik ook onder zware druk van vrienden om mee uit te gaan en meisjes te versieren. Op twintigjarige leeftijd hield God me echter staande en leerde ik de Heere Jezus kennen. Met Zijn hulp ben ik staande gebleven. Hoewel het niet mijn verdienste is, haal ik mijn eigen situatie toch vaak als voorbeeld aan. Zo'n persoonlijk getuigenis doet jongeren meer dan een waarschuwend vingertje. Je kunt daadwerkelijk laten zien dat het ook anders kan."
Ik zal mensen echter niet veroordelen, vervolgt de theoloog. "Ik probeer jongeren op hun eigen niveau te benaderen, zoals Jezus dat deed in de omgang met tollenaren en zondaren. Tegelijkertijd moeten we niet denken dat we alle zonden met een gebedje kunnen wegwassen. De basis is voor mij Romeinen 6:23: "Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere."
Barmhartigheid
Ondanks de initiatieven die recent zijn ontplooid, vindt Britz dat de kerken meer zouden kunnen doen. "In de eerste plaats in de gemeenten zelf. De onderlinge zorg en solidariteit laten nog veel te wensen over. We mogen elkaar toch vrijmoedig op christelijke barmhartigheid aanspreken? Maar ook in de gesprekken met de overheid zou de kerk best een fermer standpunt mogen innemen."
Om studenten van de theologische school op het omgaan met de aids-problematiek in hun toekomstige werkomgeving voor te bereiden, heeft Patrick Britz een curriculum ontwikkeld dat niet alleen op de theorie rond de ziekte ingaat, maar ook praktische handvatten biedt voor pastorale zorg.
Rachel Nell is blij met de aandacht die in de opleiding aan de aids-kwestie wordt geschonken. De 24-jarige Namibische is eerstejaarsstudente aan de NETS. Ze wil na haar studie pastoraal werk onder kinderen en jongeren gaan doen. "De theorie kan ons echter nooit helemaal op de praktijk voorbereiden. Wie kan zich ook voorbereiden op het troosten van een terminale patiënt, of het begraven van een oude schoolvriend?"
Zelf heeft Rachel al enige tijd verkering. Samen met haar vriend heeft ze over onthouding, huwelijk en de gevaren van besmetting met het HIV-virus gesproken. "Het is heel belangrijk dat je er samen over praat. Dan nog blijft het ontzettend moeilijk. We zijn en blijven mensen die niets in eigen kracht kunnen. Bovendien worden we dagelijks met seks geconfronteerd: kijk maar eens naar al die films en advertenties waarin erotiek de boventoon voert."
Geschenk
Wat gaat Rachel jongeren vertellen als ze straks met vragen rond seksualiteit en aids te maken krijgt? "Ik zal altijd blijven benadrukken dat seksualiteit een geschenk van God is. Maar tegelijkertijd moeten we beseffen dat liefde niet alleen om geslachtsgemeenschap draait en dat er meer in het leven is dan alleen seks. Liefde betekent ook eerlijkheid en respect voor elkaar. Het is geen botvieren van gevoelens, maar iets wat uit het hart komt."
Medestudent Katimu Mkandawire uit Zambia valt Rachel bij. "Er bestaat in Afrika een grote misvatting rond seksualiteit. Heel vaak heeft het totaal niets met liefde te maken. Zodra je als jongen en meisje samen bent, hoort dat er gewoon bij. En als je een andere mening bent toegedaan, proberen je vrienden je wel op andere gedachten te brengen."
Katimu heeft die druk van zijn vriendenkring aan den lijve ondervonden. Enkele jaren geleden stortte hij zich nog volop in het uitgaansleven. Kroegen, vriendinnetjes, film, muziek. "Ik heb het gevoel dat ik toen een deel van mezelf ben verloren. Gelukkig heeft God me geholpen die tijd achter me te laten, maar ik bid nog elke dag of de Heere me de kracht wil geven zodat ik mezelf rein kan houden."
Grenzen afbakenen
Ook predikanten en pastoraal werkers zijn bepaald niet van verleidingen gevrijwaard, erkent Katimu. "Je komt vaak in situaties waarin mensen emotioneel kwetsbaar zijn. Dat moet je je van tevoren goed realiseren. Ons wordt hier geleerd onze grenzen scherp af te bakenen. Je moet er bijvoorbe eld voor zorgen dat je niet met een vrouw alleen bent als je voor een pastoraal bezoek komt."
Rachel Nell pleit ervoor dat alle voorgangers een aids-test ondergaan voordat ze een gemeente gaan dienen. "Eigenlijk zou dat voor iedereen moeten gelden die een huwelijk wil aangaan. Ik vind dat je vanaf het begin open moet zijn. Het is al lang genoeg stil geweest rond aids. Het probleem is maar al te reëel en met doodzwijgen komen we er niet."
Trouw aan Gods geboden
"Mijn zoon! Merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten. Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees."
De woorden uit Spreuken 4:20-22 vormen voor Sarafina Kafunga het uitgangspunt in de voorlichtingsbijeenkomsten over HIV en aids die zij organiseert. De 35-jarige Namibische vrouw is zelf besmet. Sinds enige tijd leidt ze een gespreksgroep van seropositieven die in kerken en op scholen in Noord-Namibië hun landgenoten bewust proberen te maken van de aids-problematiek.
"Het feit dat wij zelf geïnfecteerd zijn, zorgt ervoor dat ons getuigenis enorm veel indruk maakt", aldus Sarafina. "Het is hard nodig dat mensen de waarheid onder ogen zien. Maar zij moeten ook beseffen dat trouw aan Gods geboden en berouw over gedane zonden de enige manier is om HIV en aids écht te bestrijden."
Deur op het nachtslot
Ze houdt zich in leven door af en toe wat fruit op de markt te verkopen. Van haar familie hoeft Maria Tomas niets te verwachten. Toen haar moeder hoorde dat ze seropositief was, ging de deur voor haar op het nachtslot. Alleen haar grootmoeder stopt haar af en toe iets toe.
Maria's argwaan werd gewekt toen haar tweede baby, evenals de eerste, kort na de geboorte stierf. Na lang aandringen gaf haar man toe dat hij vreemd was gegaan en zo het HIV-virus had opgelopen. Een test wees uit dat Maria eveneens was besmet.
"Ik werd bijna krankzinnig toen ik het nieuws hoorde", aldus de 28-jarige Namibische vrouw. "Uren heb ik doelloos door de bush gelopen. Ik heb zelfs met een stuk touw in mijn handen gestaan om zelfmoord te plegen. Gelukkig heeft God me daarvoor behoed. Er zijn dagen waarop ik heel zwak ben en bijna niet uit bed kan komen. Maar er zijn ook momenten waarop ik nauwelijks in de gaten heb dat ik ziek ben."
Begrip en barmhartigheid
Acht jaar geleden kwam Lukas Naukala er achter dat hij seropositief was. Tot vorig jaar durfde hij met niemand over zijn besmetting te praten. Totdat de 34-jarige Namibiër in contact kwam met de gespreksgroep van Sarafina Kafunga. Zij hielp hem zijn angst te overwinnen.
"Hoewel ik me nog steeds schaam, voel ik ook een enorm gevoel van bevrijdi ng dat ik de waarheid heb verteld. Sommigen beschouwen mij nu als een stuk vuil; dat hebben ze ook letterlijk tegen me gezegd. Maar gelukkig zijn er ook mensen die begrip en barmhartigheid tonen. Want aids gaat niemand voorbij - klein noch groot, rijk noch arm."
Tot nu toe heeft de ziekte zich nog niet bij Lukas geopenbaard. "Ik voel me nog steeds goed, maar ik weet ook dat het volgende week kan veranderen. Tot het laatst toe hoop ik mijn volk te waarschuwen. Want niemand heeft in de gaten wat voor ramp zich hier aan het voltrekken is."
Ware vergeving
Vergeving was altijd een begrip waarmee Ndapanda Amulenya redelijk goed uit de voeten kon. Totdat haar verloofde haar tot seksuele gemeenschap dwong en haar met het HIV-virus besmette.
"Hij bleef maar beloven dat hij met me zou trouwen", vertelt de 37-jarige Namibische vrouw die eveneens deel uitmaakt van de gespreksgroep van Sarafina Kafunga. "Toen ik erop aandrong mijn familie over mijn besmetting in te lichten, werd hij ontzettend boos en uiteindelijk heeft hij me verlaten. Ik heb hem nooit meer teruggezien."
Aanvankelijk wilde Ndapanda niets meer met haar ex-vriend te maken hebben. "Ik heb werkelijk meerdere keren gewenst dat hij spoedig aan aids ten prooi zou vallen. Maar toen leerde ik iets kennen van de liefde van Christus en de ware vergeving. Ik heb me aan Hem overgegeven. Toen was het ook niet moeilijk meer mijn verloofde te vergeven."
Leven bij de dag
Ze weten al zes jaar dat ze met het HIV-virus zijn besmet. Ze beseffen ook dat hun kwaal ongeneeslijk is en dat de dodelijke ziekte weldra hun krachten zal hebben gesloopt. Maar de grootste zorg van Stephen en Queen Kores geldt de toekomst van hun 8 jaar oude dochtertje. "We leven bij de dag en tellen de momenten dat ons kind gelukkig is."
Het huisje van Stephen en Queen Kores in een van de townships bij de Zuid-Afrikaanse stad Queenstown is niet veel bijzonders. Kale muren en een ruwe betonnen vloer. Een versleten bank zonder kussens die telkens krakend protesteert als hij een nieuwe last krijgt te verwerken. De kleine ramen laten nauwelijks licht binnen. Onder het zinken dak is het verstikkend heet.
Maar voor elke bezoeker is er een hartelijke begroeting. "Omhels me alsjeblieft, daar zul je geen aids van krijgen", luidt de Engelse tekst op een poster aan een van de muren. "Veel mensen durven ons niet eens aan te raken, uit angst dat ze worden geïnfecteerd", zegt Queen (43). "Kun je je dat voorstellen? Familie en vrienden die je mijden alsof je een of ander monster bent?"
Bewustwording
Stephen en Queen ontdekten in 1997 dat ze seropositief waren. Hun tweede kindje overleed kort na de geboorte en het echtpaar liep allerlei infecties op. "Toen hebben we besloten samen een aids-test te doen", vertelt de 53-jarige Stephen. "Niet in de eerste plaats voor onszelf. We wilden vooral weten of onze oudste dochter Freedom ook was besmet."
Het bloedonderzoek wees uit dat het Zuid-Afrikaanse echtpaar inderdaad het HIV-virus droeg. Bij Freedom bleek de test vooralsnog negatief. "Dat zegt echter niet alles", zegt Queen zachtjes. "Bij kleine kinderen kan het ook pas later openbaar komen. De laatste tijd tobt ze met haar gezondheid. We zijn heel bang dat ze toch is geïnfecteerd."
Queen Kores liep het virus vermoedelijk op nadat een jeugdvriendje haar tot seksueel contact had gedwongen. "Kort daarop verdween hij uit mijn leven. In de jaren daarna bleef ik gewoon goed gezond, dus dacht ik dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Daarom heb ik dit ook niet van tevoren tegen mijn man verteld. Bovendien was in die tijd de bewustwording rond aids bepaald nog niet zo vergevorderd als vandaag de dag."
Hoewel Stephen weet dat zijn vrouw hem heeft besmet, koestert hij geen wrok tegen haar. "Uiteindelijk kon zij er ook niets aan doen. Wij zijn getrouwd en hebben besloten dit samen te dragen. Met Gods hulp hopen we ons erdoorheen te slaan. Onze grootste zorg geldt de toekomst van onze dochter. We leven bij de dag en tellen de momenten dat ons kind gelukkig is."
Loodzware stap
Samen zetten Queen en Stephen de loodzware stap om het slechte nieuws aan de familie te vertellen. "Veel mensen die met HIV zijn geïnfecteerd, worden hier zwaar gediscrimineerd", weet Stephen. "Met die wetenschap in ons achterhoofd maakten we ons weinig illusies. De reactie van onze familie was echter boven verwachting. Ze hebben ons van het begin af aan gesteund. "De Heere verwerpt jullie niet, hoe zouden wij dat dan kunnen doen", zeiden ze tegen ons."
De houding van de methodistengemeente waartoe het echtpaar behoorde, was echter zeer teleurstellend, aldus Queen. "We werden met de nek aangekeken. En dat terwijl net je hele wereld is ingestort omdat je te horen hebt gekregen dat je ongeneeslijk ziek bent. Uiteindelijk werd het zo erg dat we naar de baptistenkerk zijn overgestapt. Daar werden we met open armen ontvangen."
"Daar leerden we ook dat deze wereld voorbijgaat en dat er meer is dan alleen aardse goederen en zorgen", vervolgt de Zuid-Afrikaanse. "Dat is ook de boodschap die ik andere aids-patiënten zou willen meegeven. In het begin draait alles om jezelf. Je denkt dat al het lijden van de hele wereld in het niet valt bij je eigen situatie. Toch zijn er miljoenen die nog veel slechter af zijn dan wij. Niet alleen in lichamelijk, maar vooral in geestelijk opzicht. Wij hebben nog toegang tot het Evangelie. Laten we daar dankbaar voor zijn en onze zegeningen tellen."
Kwestie van tijd
Regelmatig laat het echtpaar zich in het ziekenhuis onderzoeken. Inmiddels bevindt Stephen zich in de zogenaamde code 3, een fase die dicht tegen het moment aan ligt waarop het HIV-virus feitelijk aids veroorzaakt. Voor Queen geldt nog code 2.
Om hun weerstand zo goed mogelijk op peil te houden, slikt het tweetal foliumzuur en vitamine B. Ze beseffen echter dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de dodelijke kwaal zich openbaart en hun lichaam zal afbreken. Om de ziekte daadwerkelijk een halt toe te roepen, zouden Queen en Stephen over antiretrovirale medicijnen moeten beschikken die ervoor zorgen dat het HIV-virus zich niet tot aids ontwikkelt. Genezing zullen deze aids-remmers niet brengen, maar ze kunnen wel de levensduur aanzienlijk verlengen.
Maar wie in Afrika kan deze peperdure medicamenten betalen? Het echtpaar Kores in elk geval niet. Zij hebben nauwelijks genoeg inkomsten om hun dagelijks brood te kopen. Hetzelfde geldt voor zo'n 4 miljoen andere Afrikanen die dringend aids-remmers nodig hebben. Naar schatting krijgen slechts 75.000 mensen op het zwarte continent momenteel antiretrovirale medicijnen toegediend.
"Dat is absoluut onacceptabel", benadrukte Peter Piot, directeur van UNAids, afgelopen maandag tijdens een toespraak ter gelegenheid van Wereldaidsdag. "De enige manier om de ziekte te bestrijden is door ervoor te zorgen dat mensen toegang tot medicijnen krijgen. Er is geen enkele kans om deze epidemie te stoppen als mensen die het nodig hebben niet worden behandeld."
Dodelijke mars
Inmiddels heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een ambitieus plan gelanceerd om tegen het eind van 2005 wereldwijd 3 miljoen patiënten van aids-remmers te voorzien. Recente rapporten laten echter zien dat de ziekte zich nog steeds in razend tempo verspreidt, niet alleen in Afrika, maar ook in landen als China, India, Indonesië en Rusland. Deskundigen vrezen dan ook dat de WHO met haar medicijnencampagne vooralsnog achter de feiten zal blijven aanhollen.
VN-secretaris-generaal Kofi Annan waarschuwde deze week dat de wereldwijde doelstellingen in de strijd tegen aids die in 2001 zijn gesteld nu al zijn gemist. "De epidemie gaat voort met haar dodelijke mars over de aarde en er zijn maar weinig tekenen dat het tempo omlaaggaat."
Wraak voor elk foutje dat je maakt
Een verplicht avondje uit met je leraar wiskunde om een goed cijfer voor je repetitie te krijgen. Gedwongen naar bed met de directeur van de school om je examen te halen. In Nederland onvoorstelbaar, in Namibië aan de orde van de nacht. Johanna Paulus: "Als je weigert, nemen ze wraak voor elk foutje dat je maakt."
"Weet je wat de enige veilige manier is om geen aids op te lopen? Geen seks hebben voor je getrouwd bent en trouw aan elkaar zijn binnen het huwelijk." Aandachtig luistert een groep leerlingen van de Ponhofi-school in Noord-Namibië naar de woorden van hun klasgenoot Martha. Op de school, die zowel basisonderwijs als voortgezet onderwijs biedt, zitten de leerlingen tot hun achttiende - als ze alle examens in één keer halen.
De Gereformeerde Zendingsbond probeert Namibische jongeren te wijzen op de gevaren van aids. Met voorlichting op scholen en in de dorpen op het platteland. En dat is heel hard nodig. In Namibië is een groot deel van de bevolking met het dodelijke HIV-virus besmet. Als er niet snel medicijnen aan hen worden verstrekt, zullen binnen enkele jaren honderdduizenden mensen sterven. Nu al vallen jaarlijks tienduizenden doden in het Afrikaanse land.
Simpel kaartje
Na het verhaal van Martha kunnen de leerlingen van dertien jaar en ouder een kaart ondertekenen waarmee ze beloven dat ze geen seks voor het huwelijk zullen hebben. "Dit is maar een simpel kaartje", houdt Martha haar medestudenten voor. "Je moet de belofte voor God doen en een kopie van je handtekening in je hart zetten."
Esther Abner gaat de kaart thuis tekenen. Samen met haar ouders. "Ik wil ze laten zien wat ik heb beloofd. Ik wil dat ze erbij zijn", zegt het 17-jarige meisje, terwijl ze onder een grote boom beschutting tegen de brandende Namibische zon zoekt.
Johanna Paulus is echter niet van plan haar handtekening te zetten. "Dat zou niet eerlijk zijn", zegt ze bedachtzaam. "Ik vertrouw mezelf niet. Als je iets belooft moet je je er ook aan houden. Ik wil niet liegen tegen God."
Voorlichters en klasgenoten hebben makkelijk praten, vindt Johanna. "Dit is Namibië. Armoede is een heel groot probleem. Mensen die geld hebben, maken daar vaak misbruik van. Mijn oom heeft een taxi waarmee hij goed verdient. Hij wilde ons gezin wel onderhouden als ik af en toe een nachtje met hem meeging. En zo zijn er heel veel tieners die noodgedwongen hun lichaam moeten verkopen. Wat denk je wat dat betekent voor de verspreiding van aids?"
Cultuur
Ook de jongens gaan niet vrijuit als het om de verspreiding van de dodelijke ziekte gaat, benadrukt de scholiere. "Bijna elk meisje beseft dat haar vriendje vreemdgaat, zeker als je ver uit elkaar woont. Ik weet het zelf ook van mijn eigen vriendje. Maar dat is hier gewoon de cultuur. Ze geven er niet eens om."
Loide Nijadi is het daar niet mee eens. "Ik zou hem misschien twee keer vergeven. Maar als hij voor de derde keer komt, zou ik hem wegsturen. Je kunt niet aan het vergeven blijven."
Openlijk
Maar de leraren zijn het ergst, zegt Johanna, heftig bijgevallen door haar vriendinnen. "Als je een goed cijfer wilt krijgen of je examen wilt halen, moet je met de docent naar bed. Dat gaat heel openlijk. Ze roepen je na de les bij zich en maken gewoon een afspraak voor die avond. En als je weigert, nemen ze wraak voor elk foutje dat je maakt. Ik kreeg zelf ook een keer zo'n voorstel. Ik heb het afgewezen en nu ben ik een soort monster voor de leraren."
Diezelfde leraren zijn wel de mensen die de Namibische jeugd waarden en normen moeten bijbrengen en bijbelonderwijs moeten geven. "Dat doen ze ook wel", reageert Johanna. "Ze kunnen het allemaal heel mooi vertellen. Je moet hun woorden opvolgen, maar vooral geen voorbeeld aan hun daden nemen. Ze spelen gewoon een spelletje met God."
Een speerpunt van betonijzer
De bosjesmannen vormen misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende inheemse bevolkingsgroep. Driehonderd jaar geleden strekten hun jachtgronden zich nog uit van de ruige kust van Kaap de Goede Hoop tot aan de woeste benedenloop van de Zambezi. Anno 2004 zijn de oudste bewoners van Afrika totaal gemarginaliseerd en worden ze zelfs met uitsterven bedreigd.
Op geringe hoogte scheert het blinkend witte vliegtuigje over het verschroeide niemandsland van de Kalahari-woestijn. Behendig draait de pilote een rondje over het plaatsje Tsumkwe, in het hart van het Namibische Bushmanland. Even waggelt ze met de vleugels om de bewoners van de zendingspost te laten weten dat er bezoek op komst is. Met een lichte schok raken de wielen van het tweemotorige toestel even later de geïmproviseerde landingsbaan van aangestampte aarde. De deur van de kist kan niet op slot. Maar wat moet een Afrikaanse jager ook met een vliegtuig beginnen?
In een wolk van stof brengt Elize van Zyl een grote witte terreinwagen tot stilstand. Samen met haar man, dominee Hendrik van Zyl, woont de Zuid-Afrikaanse al vijf jaar tussen de Namibische bosjesmannen. In de eerste plaats om het Evangelie te verkondigen. Maar ook om de bevolking wegwijs te maken in landbouw- en veeteeltmethodes en hen te helpen hun traditionele kunstvoorwerpen aan de man te brengen.
Jagersbestaan
Duizenden jaren lang was dat niet nodig geweest. De bosjesmannen, ook wel San genoemd, leidden sinds mensenheugenis een jagersbestaan. Ze leefden van wat de onherbergzame Kalahari-wildernis hun opleverde. Ondanks hun geïsoleerde positie, ontwikkelden zij voor die tijd hoogstaande kunstvormen. Vooral hun rotstekeningen, die in heel zuidelijk Afrika zijn aangetroffen, zijn wereldberoemd. Pas in de twintigste eeuw kregen zij met invloeden van buitenaf te maken, waardoor hun manier van leven drastisch veranderde.
Stukje bij beetje pikten Afrikaanse regeringen de San-jachtterreinen in. De Namibische bosjesmannen kregen aanvankelijk in 1970 Bushmanland toegewezen, een gebied van ruim 33.000 vierkante kilometer in het noordoosten van het land. Na de onafhankelijkheid van Namibië, in 1990, raakten ze echter bijna tweederde van hun territorium kwijt. Daardoor hielden ze niet genoeg grond over om hun traditionele levensstijl in stand te houden.
Veel bosjesmannen werden zodoende gedwongen hun land te verlaten. Zij vonden een baan als arbeider op een van de grote boerderijen. Sommigen verhuisden naar Tsumkwe, de officieuze 'hoofdstad' van Bushmanland. Daar werden ze aan westerse invloeden blootgesteld. Ze liepen ziektes op, vielen ten prooi aan alcoholisme, huiselijk geweld en prostitutie. De trotse jagers van weleer raakten steeds meer gemarginaliseerd.
Opgedrongen
Driehonderd jaar geleden bevolkten de bosjesmannen nog een gebied in zuidelijk Afrika dat zich uitstrekte van de Atlantische Oceaan tot aan de Indische Oceaan. Momenteel zijn er naar schatting nog 100.000 van de oudste bewoners van het zwarte continent over. Botswana telt er zo'n 49.000, Namibië 38.000, Zuid-Afrika 4500, Angola 6000, Zambia 1600 en Zimbabwe 1200.
Tijdens de Namibische onafhankelijkheidsoorlog gebruikten de Zuid-Afrikaanse strijdkrachten grote delen van de San-jachtgronden om militaire bases in te richten. Tientallen bosjesmannen, gelokt met hoge salarissen, werden gerekruteerd om tegen de Swapo-rebellen in Noord-Namibië en Angola te vechten. Zij vormden het beruchte 31e Bataljon.
De bosjesmannen, een vredelievend volk dat conflicten altijd uit de weg was gegaan, werd plotseling een oorlog opgedrongen. Bovendien kregen de San daardoor voor het eerst met het concept van betaalde arbeid te maken - in een economie waar nooit geldmiddelen in omloop waren geweest.
"Dat was de doodssteek voor de traditionele levenswijze van de bosjesmannen", vertelt ds. Van Zyl. "Nu de San over geld beschikten, gingen ze allerlei gebruiksvoorwerpen aanschaffen die ze voordien uit het bos haalden. Ze verleerden allerlei oeroude technieken en waren niet langer zelfvoorzienend. Het grootste probleem is echter dat velen hun geld tegenwoordig aan drank uitgeven."
HIV-virus
Door de ramen van de missiepost in Tsumkwe klinkt van diverse kanten harde muziek. Hoewel het Namibische plaatsje slechts 550 inwoners telt, wemelt het er van de "shabeen", lokale kroegjes waar de bevolking tot diep in de nacht bij elkaar komt om te drinken. "Alcohol is een vloek voor de bosjesmannen", zegt de Zuid-Afrikaanse predikant somber. "Door hun lichamelijke constitutie kunnen ze er absoluut niet tegen. Sommigen worden van één flesje bier al dronken. Daardoor is er sprake van veel huiselijk geweld en seksueel misbruik. Met alle gevolgen van dien. Ook onder de San heeft het dodelijke HIV-virus inmiddels hard toegeslagen."
Het valt bepaald niet mee de bosjesmannen het Evangelie te brengen, zegt Van Zyl. "Om te beginnen is er het taalprobleem. Het 'klikdialect' dat de San spreken, is bijna niet te leren. Vanwege de koloniale erfenis spreekt een aantal mensen Afrikaans, maar dat moet dan voor de rest weer worden vertaald. Ook veel theologische noties zijn heel moeilijk uit te leggen."
"De bosjesmannen geloven in Xu en Gawa, de goede en de kwade god", vervolgt de zendeling. "De goede god staat heel ver van de mensen af en zorgt bijvoorbeeld voor groeizame regens. De kwade god leeft onder de mensen en brengt slechte dingen als ziektes, droogte en hongersnood. Om duidelijk te maken Wie onze God is, probeer je aan te sluiten bij hun belevingswereld, maar meestal loop je dan vast. Van zaken als Drie-eenheid, rechtvaardigmaking en de verzoening door Christus begrijpen ze absoluut niets."
Opgerolde zenuw
's Morgens vroeg laadt Van Zyl zijn terreinwagen vol met etenswaren en landbouwgereedschap. Wekelijks bezoekt hij de 33 habitats rond Tsumkwe waar in totaal zo'n 2400 bosjesmannen leven. De tocht voert door een dor en droog savannelandschap. Af en toe schiet een springbok of een koedoe voor de auto weg.
De eerste San-nederzetting op de route is verlaten. De inwoners zijn de bush ingetrokken om te jagen en voedsel te verzamelen. Een paar kilometer verderop zit een twintigtal leden van de gemeenschap bij elkaar. De vrouwen hebben vlees en ingewanden van een pas geslachte koe in de felle zon te drogen gehangen. Het gedroogde vlees wordt gezouten en kan maandenlang worden bewaard.
Gkao komt net terug van de jacht. Hij draagt de traditionele Bushman-boog met zich mee. "De pees is gemaakt van de opgerolde zenuw van een antilope", legt de negentienjarige San-jager uit. "De pijlen dopen we in een gif dat we uit keverlarven halen. Het is zo sterk dat we er zelfs giraffen mee kunnen doden. Vroeger gebruikten we pijlpunten van bot, maar tegenwoordig maken we ze van metaal dat we heet maken in het vuur en vervolgens in de goede vorm slaan. Speerpunten kun je bijvoorbeeld heel goed van afgedankt betonijzer maken."
Vuur maken gaat nog altijd op de traditionele manier. Behalve een speer, pijl en boog en een leren wildzak, behoort ook een set vuurstokjes tot de standaarduitrusting van de bosjesman. In het ene staafje is een uitholling gemaakt, waarin de punt van het tweede stukje hout past. Gkao legt een bosje droog gras in de uitholling en draait vervolgens het andere stokje snel in het gat heen en weer. Na enkele minuten kringelt rook omhoog en spoedig vat het gras vlam.
Struisvogeleieren
Zijn vriend Gaqo is bezig een nieuwe boog te fabriceren. Met een stuk van een gebroken fles snijdt hij een gebogen tak nauwkeurig op de gewenste dikte. "De meeste bogen verkopen we aan toeristen, zegt hij. "Verder maken we veel sierraden van struisvogeleieren. Ook messen en traditionele muziekinstrumenten zijn zeer gewild."
Dominee Van Zyl ruilt gereedschap en etenswaren tegen gebruiksvoorwerpen van de bosjesmannen. Zijn vrouw Elize verkoopt de artikelen in een winkeltje bij de missiepost. "Ik geef ze bewust geen geld, want dan weet ik wel wat ermee gebeurt", aldus de voorganger.
Nieuwsgierig komt een man bij het groepje staan. Op de vraag hoe oud hij is, diept hij uit een gat in de grond een Zuid-Afrikaans identiteitsbewijs op. "Tkunta. Geboren in 1950. Kleurling", luidt de tekst op de beduimelde kaart. "Ik heb in de onafhankelijkheidsoorlog met de Zuid-Afrikanen tegen de rebellen gevochten", legt Tkunta via een tolk uit. "Ik moest wel, want ze dreigden anders mijn familie wat aan te doen. Er zaten veel bosjesmannen in onze eenheid. De militairen konden ons goed gebruiken omdat wij het terrein perfect kenden en goede spoorzoekers waren."
Na de oorlog keerde Tkunta naar zijn oorspronkelijke leefgemeenschap terug. Het grootste deel van de jachtgronden was door de nieuwe regering geconfisqueerd. "Uiteindelijk ben ik naar Tsumkwe getrokken om een baan te vinden. Maar niemand wilde ons hebben. Wij werden voor die tijd al niet voor vol aangezien, maar door onze betrokkenheid bij de oorlog wilde men helemaal niets meer van ons weten."
Geen ziel
Dominee Van Zyl beaamt de uitspraken van Tkunta. "Door de geschiedenis heen zijn de San altijd al zwaar gediscrimineerd. Er doen zelfs verhalen de ronde van blanken die op bosjesmannen jaagden en van theologen die volhielden dat bosjesmannen geen ziel hadden. Ook vandaag de dag worden ze nog steeds sterk achtergesteld. Dat heeft natuurlijk met historische gevoeligheden te maken, maar in feite vindt men de San ook puur een achterlijk volkje."
Inmiddels worden de oudste bewoners van Afrika zelfs met uitsterven bedreigd. Door het opgeven van hun traditionele levenswijze hebben ze zich steeds meer met andere bevolkingsgroepen vermengd. Slechts op enkele moeilijk toegankelijke plaatsen in de Kalahari-woestijn bevinden zich nog San-gemeenschappen die nog wonen en leven zoals hun voorouders dat 1000 jaar geleden ook deden.
De bosjesmannen mogen dan veel van hun tradities hebben opgegeven, belangstelling voor de moderne wonderen der techniek hebben ze nog steeds niet. Het witte vliegtuigje staat nog steeds keurig op de landingsstrip van Tsumkwe.
De bosjesmannen van Namibië
Verspreid over een zestal landen leven momenteel nog zo'n 100.000 bosjesmannen of San in zuidelijk Afrika. Tot slechts enkele eeuwen geleden strekten de jachtgronden van de oudste bewoners van Afrika zich uit van Angola tot ver in Zuid-Afrika. In de loop van de twintigste eeuw hebben Afrikaanse regeringen echter steeds meer land van de San in bezit genomen, waardoor ze hun traditionele levensstijl van jagen en rondtrekken niet langer konden handhaven. Door invloeden van buitenaf kwamen de bosjesmannen bovendien in aanraking met drank, prostitutie en criminaliteit, waardoor zij totaal gemarginaliseerd zijn geraakt en zelfs met uitsterven worden bedreigd. De meeste San leven vandaag de dag van het vervaardigen van kunstvoorwerpen of van boerenarbeid.
1. Een zenuw als pees
Gkao is op jacht in Noordoost-Namibië. De negentienjarige bosjesman gebruikt kleine pijlen waarvan de punt in gif wordt gedoopt. Zodoende kan hij zelfs giraffen doden. Meestal jaagt Gkao echter op kleiner wild als springbokken, hartenbeesten en koedoes. De pees van zijn boog is gemaakt van de in elkaar gedraaide rugzenuw van een antilope. In het verleden werden de pijlpunten van bot gefabriceerd, maar tegenwoordig gebruiken de bosjesmannen metaal dat ze verhitten en vervolgens in de juiste vorm smeden. Tot de standaarduitrusting van de jager behoren verder een speer, een leren wildzak en speciaal bewerkte stokjes om vuur mee te maken.
2. Geen uitrekendatum
Iasa Nani is zwanger van haar vierde kindje. Wanneer de baby zal komen, weet ze niet. Verloskundigen en uitrekendata kennen de bosjesmannen niet. Hooguit zal een van haar familieleden bij de bevalling assisteren. Het is wel zaak dat Nani na de bevalling snel opknapt. Want ze moet zo snel mogelijk weer op de been zijn om voedsel in het bos te verzamelen. Zoals alle San-vrouwen zeult ze de baby op haar rug mee door de bush. De rest van de tijd besteedt de Namibische vrouw aan het vervaardigen van sierraden. Uit stukjes struisvogelei maakt ze armbanden, kettingen en andere versierselen.
3. Nergens aan de bak
Hoe oud hij precies is, weet hij niet. Na enig graafwerk diept Tkunta een beduimeld Zuid-Afrikaans identiteitsbewijs uit een gat in de grond. Geboren in 1953, meldt het document. Tkunta werd vijftien jaar geleden gedwongen dienst te nemen in het Zuid-Afrikaanse leger toen dat strijd leverde met de Namibische Swapo-rebellen. Zijn landgenoten namen hem dat bepaald niet in dank af. Na de oorlog kwam de bosjesman nergens aan de bak. Nu woont hij weer bij zijn oude stamgenoten in het noordoosten van Namibië.
4. Westerse ontwikkelingen
Vol overgave inhaleert Iku Lui de rook uit haar pijp. Hoewel de dertigjarige San-vrouw nog altijd leeft van wat de natuur haar te bieden heeft, zijn ook de moderne ontwikkelingen niet aan haar voorbijgegaan. Een gebloemde rok vind je nu eenmaal niet in de wildernis van de Kalahari-woestijn. Westerse invloeden hebben er mede voor gezorgd dat de bosjesmannen in zuidelijk Afrika de afgelopen eeuw steeds verder zijn gemarginaliseerd. De San werden aan ziektes blootgesteld en vielen ten prooi aan alcohol en prostitutie. Naar schatting leven nog slechts 100.000 bosjesmannen in dit deel van de wereld. En hun aantal daalt snel.
5. Onheil van Gawa
Ze is nog maar twintig jaar oud. Toch moet Tlun al voor vier kinderen zorgen. Haar man is een paar jaar geleden aan aids overleden, vertelt een blanke zendeling. Zelf houdt Tlun het erop dat Gawa dit onheil over haar gezin heeft gebracht. Gawa is de kwade godheid die volgens de bosjesmannen onder de mensheid vertoeft. Hij brengt ziektes, overstromingen, hongersnoden, maar vooral de dood. Om haar kroost te voeden kan Tlun af en toe wat werk verrichten op de boerderij van het zendelingenechtpaar in Tsumkwe, in het uiterste noordoosten van Namibië. In ruil voor haar arbeid krijgt ze etenswaren en af en toe een stuk gereedschap.
6. Niet naar school
Dagelijks moet Boo Gago 4 kilometer lopen om water te halen. Toen de Namibische overheid in 1990 tweederde van de jachtgronden van de bosjesmannen confisqueerde, nam zij ook meteen elf van de vijftien waterbronnen in bezit. Zodoende kost het de zesjarige Boo Gago elke dag een paar uur om zijn familie van water te voorzien. En die taak komt altijd op de kleintjes terecht. Want de rest gaat het bos in om te jagen of eten te zoeken. Naar school gaan kan Boo Gago dan ook niet. Waar moet hij de tijd vandaan halen?
Paradox van de misdaadcijfers
Wie de torenhoge misdaadcijfers van Zuid-Afrika onder ogen krijgt, zal zich al snel afvragen wat de sterke arm in dat land eigenlijk uitvoert. Criminoloog Tedd Leggett: "De politie kan criminaliteit niet voorkomen." Over de paradox van de cijfers.
De grondwet van Zuid-Afrika is duidelijk: De politie heeft tot taak misdaad "te voorkomen, te bestrijden en te onderzoeken; om de openbare orde te handhaven en de inwoners van de Republiek en hun eigendommen te beschermen."
Volgens criminoloog Tedd Leggett, onderzoeker aan het Instituut voor Veiligheidsstudies (ISS) in Pretoria, is de politie slechts beperkt in staat tot misdaadpreventie. "Er bestaan talloze studies die laten zien dat er geen verband is tussen het aantal agenten dat wordt ingezet en de hoogte van de misdaadcijfers."
"De politie kan criminaliteit niet voorkomen. Dat is een van de best bewaarde geheimen van de moderne tijd. De experts weten het, de politie weet het, maar het publiek niet. Toch pretendeert de sterke arm dat zij de beste verdediging tegen misdaad voor de maatschappij vormt."
Volgens Leggett houdt misdaadpreventie meer dan alleen politiewerk in. "Het vereist een effectief strafrechtsysteem en daarbij behorende controle-instrumenten. Het is ook een kwestie van goed bestuur en sociale controle. Misdaadbestrijding en -voorkoming moet gepaard gaan met deugdelijk sociaal en economisch beleid."
De Zuid-Afrikaanse wetenschapper stoort zich dan ook aan onderzoeken die de successen in misdaadbestrijding en -preventie afmeten aan statistieken over misdaadcijfers. "Dat is een slechte indicator. Als je het slachtoffer van een misdrijf wordt, sta je voor de keus -en zeker in Zuid-Afrika-: Moet ik dit aan de politie rapporteren, of kan ik me beter richten op het verwerken van het trauma?"
De misdaadcijfers geven dan ook sterk vertekend beeld, stelt Leggett. "In ons land wordt naar schatting slechts 41 procent van de overvallen gemeld en slechts 38 procent van het totaalaantal mishandelingen. Moord, daarentegen, scoort weer heel hoog: zo'n 90 procent; autodiefstal zelfs 95 procent. Het paradoxale is dus, dat als de bevolking meer en beter rapporteert, wat natuurlijk zou moeten, de misdaadcijfers juist omhooggaan en de politie het dus in feite slechter zou doen."
Misdaad in cijfers
Criminaliteitcijfers voor de stad Johannesburg over het fiscaal jaar april 2002 tot en met maart 2003. Het betreft hier slechts de gerapporteerde incidenten. Het werkelijke aantal misdrijven is vermoedelijk een veelvoud van onderstaande aantallen.
Moord - 971
Poging tot moord - 1.619
Doodslag - 412
Gewapende overval - 18.350
Verkrachting - 1.612
Mishandeling - 11.089
Inbraak in huizen - 15.033
Diefstal - 44.395
Illegaal wapenbezit - 908
Autodiefstal - 16.079
Schieten zodra de politie komt
Met meer dan 20.000 gerapporteerde moorden en ruim 50.000 gemelde verkrachtingen per jaar behoort Zuid-Afrika ongetwijfeld tot de toptien van landen met de hoogste misdaadcijfers. De dichtbevolkte stad Johannesburg spant daarbij veruit de kroon. Inspecteur Stevens: "Zodra ze de politie zien, beginnen ze vaak al te schieten." Een avond op patrouille met een snellereactie-eenheid.
Een willekeurige dinsdagavond. Tegen de klok van zes druppelen de agenten een voor een binnen op het bureau van de "Flying Squad", de snellereactie-eenheid van de Johannesburgse politie. De dagploeg brengt de verse collega's op de hoogte van de gebeurtenissen van de afgelopen twaalf uur. Drie moorden, vijf gewapende overvallen, elf verkrachtingen en een onbekend aantal berovingen vormen de trieste tol van die dag. "'s Nachts is het meestal nog veel gekker", zegt kapitein Bleiker laconiek.
Bleiker is commandant van de Flying Squad. Nauwlettend gaan zijn ogen over de alarmcentrale, het zenuwcentrum van het Squad-hoofdkwartier. Rij aan rij zitten agenten achter hun beeldscherm om telefoontjes in ontvangst te nemen. Zij classificeren de meldingen en geven ze vervolgens aan hun collega's door, die ze via de radio naar een van de surveillancewagens op straat sturen. Een groot lcd-scherm boven de hoofden van de centralisten meldt het aantal inkomende berichten.
Stadsjongens
"We kennen drie soorten meldingen", legt kapitein Bleiker uit. "De Alpha-berichten betreffen nog lopende incidenten waarbij wapengeweld is gebruikt, zoals schietpartijen en gijzelingen. Bij de Bravo-gevallen gaat het om misdrijven die al gepleegd zijn, bijvoorbeeld een gewapende overval op een bank waarbij de daders zijn gevlucht. Charlie-meldingen zijn alle 'reguliere' misdrijven, zoals inbraak en autodiefstal. De Flying Squad gaat alleen achter de Alpha-zaken aan. De rest spelen we door aan de gewone politie."
Om tien voor zeven bedraagt het aantal ingekomen telefoontjes al 210 - de oogst van vijftig minuten avonddienst. Vijf minuten later zijn er veertien bijgekomen. "Persone sit en drink op hoeke", is de Afrikaanse omschrijving van melding 234. "Duidelijk Charlie-categorie", lacht Bleiker. "Dat mogen de stadsjongens opknappen, als ze er al achteraan gaan."
Was agent bij de Flying Squad onder het apartheidsbewind nog een gewilde baan, tegenwoordig zijn er bijna geen mensen meer te krijgen, klaagt de commandant. "Niemand wil meer bij ons komen. Ik kan dat wel begrijpen. Als de ene na de andere collega wordt doodgeschoten, ga je liever bij een beveiligingsbedrijf werken."
"Vanavond hebben we maar vier wagens ter beschikking om heel Johannesburg te bestrijken", vervolgt Bleiker, terwijl hij het parkeerterrein naast het bureau oploopt. Onder een afdak staat een rij blinkende BMW's geparkeerd. "Een geschenk van BMW-Zuid-Afrika", wijst de politiechef. "Ze staan bij wijze van spreken weg te roesten omdat we geen personeel hebben."
Opgevoerd
Iets na zevenen maken inspecteur Stevens en zijn collega Malinga zich klaar voor hun eerste patrouille. Beiden dragen een Z88 9-millimeterpistool met vier extra magazijnen - de standaarduitrusting van de Zuid-Afrikaanse politie. Twee schrikgranaten -"stun grenades"- bungelen aan hun kogelvrij vest. Aangezien Stevens de auto bestuurt, ontfermt Malinga zich over het R5 automatisch geweer, dat hij met een bijna achteloos gebaar naast zijn stoel legt. Voor de passagiers zijn helaas geen kogelvrije vesten meer beschikbaar.
Het duo rijdt vanavond in een witte Golf Gti, ogenschijnlijk een heel normale Volkswagen. Totdat Stevens het gas intrapt en met 70 kilometer per uur naar de tweede versnelling overschakelt. "We hebben hem een beetje opgevoerd", grijnst hij in zijn achteruitkijkspiegel.
De instructies zijn duidelijk: als we in een schietpartij verzeild raken, te allen tijde in de auto blijven. "Deze ramen horen kogels tegen te houden", zegt Stevens geruststellend. Als we slachtoffers tegenkomen, mogen ze niet in het gezicht worden gefotografeerd. "En hoe dan ook is alles op eigen risico."
"Dit is de beruchte wijk Hillbrow", wijst de Zuid-Afrikaanse inspecteur. "Gemiddeld worden hier ten minste twee mensen per nacht neergeschoten. In het weekend nog meer." Hoewel de stad allang in duisternis is gehuld, zijn de straten nog vol mensen. Blanken zijn er in dit deel van "Jo'burg" niet te bekennen. Schijnbaar als een dolleman raast Stevens door het centrum van Johannesburg. Het is een klein wonder dat de beide agenten nog iets van hun omgeving zien.
"Klein Lagos"
Dat laatste blijkt nogal mee te vallen als Stevens plotseling op de rem trapt en de Golf voor een obscure uitgaansgelegenheid tot stilstand brengt. "Even deze auto checken", zegt hij kort. Zijn collega is al uitgestapt, het automatisch geweer voor de borst. Achter de politiewagen staat een auto zonder nummerplaten waarin twee dames zitten. Na inspectie en ondervraging van de vrouwen stappen beide agenten weer in. "Niets aan de hand", is het enige commentaar.
Na Hillbrow draait het Squad-team de al even slecht bekendstaande wijk Yeoville in. Hier heeft vooral de Nigeriaanse maffia het voor het zeggen, waardoor het stadsdeel de bijnaam "Klein Lagos" heeft gekregen. "De drugshandel viert hier hoogtij", vertelt Stevens, terwijl hij vaart mindert. "Dit is bovendien een zeer gewelddadig gedeelte. Zodra ze de politie zien, beginnen ze vaak al te schieten."
Tien jaar geleden ondervond inspecteur Stevens dat aan den lijve. "Mijn dagdienst zat erop. Ik had net mijn dienstpistool in de kluis gelegd toen de buurvrouw al schreeuwend naar binnen kwam rennen. Ze gilde dat er een man in haar huis zat die haar wilde verkrachten. Zonder erbij na te denken stormde ik naar buiten. Die kerel wilde net in zijn auto stappen. Hij schoot van dichtbij en raakte me aan de zijkant van mijn hoofd. Terwijl het bloed langs mijn gezicht droop, rende ik naar het vlakbij gelegen politiebureau, maar hij bleef me achtervolgen.
Toen ik bij het bureau kwam, greep ik het wapen van de eerste de beste agent en schoot die man twee keer in zijn maag. De volgende dag is hij in het ziekenhuis overleden", vervolgt Stevens zonder emotie. "Handen omhoog" roepen of op de benen richten is er in Zuid-Afrika niet bij. "Het is hij of jij, dat is het gewelddadige klimaat waarin we hier leven. Dat maakt enerzijds dat je als politieman bitter weinig keus hebt, maar aan de andere kant verklaart het ook het hoge aantal agenten dat jaarlijks in diensttijd wordt gedood."
Beroving
Het lijkt een rustige avond te worden, totdat Stevens de Volkswagen de al even beruchte wijk Berea in stuurt. Op de hoek van de Lilylaan en de Soperweg staat een groepje mensen midden op het kruispunt. Op straat ligt een jongen voorover. Direct zet de inspecteur zijn auto dwars over de weg. Behoedzaam stappen beide agenten uit. "Hij is beroofd en in zijn rug geschoten", zegt een van de omstanders op rustige toon, alsof hij een onbelangrijk nieuwtje vertelt. "Net een minuut geleden." Van paniek is absoluut geen sprake, zelfs niet van verbazing. Geweld is hier blijkbaar geaccepteerd.
Stevens trekt het shirt van de jongen omhoog. Met een zaklantaarn onderzoekt hij de wond. In de onderrug is een klein gaatje zichtbaar. Slechts een paar druppels bloed verraden de plaats waar de kogel het lichaam is binnengedrongen. Collega Malinga roept intussen via de radio assistentie en medische hulp in.
Het slachtoffer is volledig bij kennis. "Ik was op weg van de universiteit naar huis", vertelt hij, terwijl zijn gezicht vertrekt van pijn. "Een groep jongens kwam op me af. Ze zeiden dat ik mijn boekentas en portemonnee moest afgeven. Dat deed ik keurig. Vervolgens wilde ik weglopen en toen schoten ze me neer." Ironisch genoeg draagt de student een T-shirt van de universiteit van Witwatersrand met de tekst "Onrechtvaardigheid tegenover één student is onrechtvaardigheid tegenover alle studenten van de universiteit".
Plotseling overvalt paniek hem. "Waar blijft die ambulance? Ik kan mijn benen niet meer bewegen. Straks ga ik nog dood hier op straat."
De ziekenwagen laat lang op zich wachten. Wel arriveert na een minuut of tien een brandweerwagen die ook op de oproep van de Flying Squad is afgekomen. Brandweerlieden hebben in Zuid-Afrika een opleiding die vrijwel identiek is aan die van ambulancebroeders. De hulpverleners onderzoeken de gewonde en leggen een verband aan. "Stilliggen, anders raak je voor de rest van je leven verlamd", maant een forsgebouwde brandweerman.
Met hulp van inmiddels gearriveerd ambulancepersoneel wordt de student op zijn rug gedraaid en op een brancard getild. Nu wordt ook het gaatje in zijn onderbuik zichtbaar waar de kogel zijn lichaam heeft verlaten. Met loeiende sirenes vertrekt de ziekenwagen. Inspecteur Stevens raapt gedachteloos de kogelhuls van de straat.